0

Luchtdicht bouwen: mysterie of wetenschap?

Hoe bepaal je de luchtdichtheid van gebouwen? Ruud Geerligs beschrijft de drie meest gebruikte meet- en rekenmethoden.

Door Ruud Geerligs, projectmanager SBRCURnet

Het blijft moeilijk om goed te voorspellen hoe luchtdicht bouwen uitpakt in de praktijk. Toch slagen we daar steeds beter in. De sleutel: steeds meer meten en analyseren.

Over luchtdicht bouwen wordt de laatste jaren veel geschreven en gezegd. Al in 1989 werd door SBRCURnet aandacht besteed aan luchtdicht bouwen in Bouwtechnische details voor energiezuinige nieuwbouw. In 2001 verscheen de eerste publicatie die geheel gewijd was aan luchtdicht bouwen. Daarna is deze publicatie al meerdere keren geactualiseerd. De meest recente versie is in december vorig jaar verschenen.

Informatie is er dus. Over de regelgeving en eisen, het theoretisch kader van luchtdicht bouwen, de ontwerpaspecten, de verschillende afdichtingsmaterialen afgestemd op de voeg of aansluiting en meetmethoden. Maar het blijft moeilijk om een goede voorspelling te doen van de luchtdichtheid in de praktijk.

Drie reken- en bepalingsmethoden

Om de luchtdichtheid van gebouwen te bepalen, zijn er verschillende reken- en bepalingsmethoden ontwikkeld. Deze hebben tot doel om vooraf, dus voor de realisatie van het gebouw, een qv;10-waarde (de totale luchtvolumestroom bij een drukverschil van 10 Pa) te bepalen, zodat bijvoorbeeld een ontwerper kan toetsen of een project aan de gestelde eisen voldoet. Deze waarde kun je dan ook invoeren in de EPC-berekening. Vanzelfsprekend staat en valt de voorspelde waarde met een goede uitvoering.

De drie reken- en bepalingsmethoden:

  • Forfaitair gebaseerd op soort gebouw conform NEN 7120 (energieprestatienorm). Deze verwijst weer naar de NEN 8088-1 (norm voor Ventilatie en luchtdoorlatendheid van gebouwen);
  • Invoergegevens gebaseerd op eerdere gerealiseerde projecten. Dit moet je wel steekproefsgewijs controleren;
  • Gebaseerd op lengte en kwaliteit van de aansluitingen (dus alle c-waarden x de lengte van de aansluiting bij elkaar optellen).

NEN 8088-1 Ventilatie en luchtdoorlatendheid

Voor de forfaitaire methode voor het bepalen van de luchtvolumestroom verwijst de NEN 7120 (energieprestatienorm) naar de NEN 8088-1. Op basis van de NEN 8088-1 kun je per gebouwtype de qv;10;spec -waarde (specifieke luchtdoorlatendheid) bepalen. Zo is bijvoorbeeld voor een enkellaags tussenwoning met kap, met een bouwjaar van na 2010, de qv;10;spec -waarde 0,700. 

Invoergegevens baseren op eerdere projecten

De invoergegevens op basis van eerder gerealiseerde projecten zijn een goede voorspeller. Gebruik je de gemeten qv;10-waarde van eerder gebouwde vergelijkbare projecten, dan kun je anticiperen op het uiteindelijke resultaat. Bij oplevering moet dan vastgesteld worden of de prognose ook werkelijk gerealiseerd is. Het risico dat je een prognose niet haalt is klein als de bouwers hun kwaliteitsborging goed op orde hebben.  

Vooral bij gebouwen die volgens een bepaald concept worden gebouwd is de variatie in kwaliteit beperkt. Het ontwerp is al eerder toegepast, de toeleveranciers weten wat van hun verwacht wordt, en werkvoorbereiding en uitvoering weten welke elementen belangrijk zijn voor het behalen van de vereiste luchtdichtheid. Een steekproef bij oplevering volstaat dan. Het belangrijkste voordeel van deze methode is dat je leert van vorige projecten en deze leerervaring kun je vervolgens opnieuw toepassen.

Gebaseerd op lengte en kwaliteit van aansluitingen

Bij de laatste methode bepaal je het aantal strekkende meter aansluitingen. Daarna geef je per aansluiting het lekverlies per strekkende meter aan. Daarbij tel je het lekverlies voor het aantal doorvoeren. Deze zogenaamde c-waarden (partiële luchtdoorlatendheidscoëfficiënt) geven de kwaliteit weer. Per meter aansluiting of per doorvoer. De c-waarde blijft afhankelijk van het ontwerp en de kwaliteit van de uitvoering. Door alle c-waarden bij elkaar op te tellen kun je een inschatting maken van de totale luchtdoorlatendheid van een gebouw. 

De publicatie Luchtdicht bouwen van SBRCURnet geeft per type aansluiting en luchtdichtheidsklasse weer wat het verwachte lekverlies per strekkende meter is of per doorvoer. Toch blijft het met deze methode nog steeds een inschatting. 

Luchtdichtheid steeds beter te voorspellen

Doordat we de werkelijke luchtdichtheid van een gebouw steeds meer gaan meten, krijgen we ook meer inzicht in mogelijke verschillen tussen de vooraf bepaalde luchtdichtheid en de werkelijke luchtdichtheid. Door aan de meting ook een analyse te koppelen waar de grootste luchtlekken zich bevinden wordt onze kennis verder vergroot. Met deze kennis kunnen we de kwaliteit van de gebouwschil verder verbeteren en de luchtdichtheid beter voorspellen.

Webinar Meet- en rekentips voor luchtdicht bouwen

Natuurlijk wilt u in uw praktijk de luchtdichtheid leveren waar om is gevraagd. Maar hoe garandeert u dit? Op 13 mei jl. heeft het gratis online Webinar Meet- en rekentips voor luchtdicht bouwen plaatsgevonden. Daar werd stapsgewijs uitgelegd hoe u vooraf goed bepaald en achteraf het handigste meet. Bekijk hier het Webinar.

Meer praktijkinformatie

In maart en april jl. is de theorie én praktijk van luchtdicht bouwen aan de orde geweest tijdens een serie BouwLokalen. Dit zijn gratis bijeenkomsten verspreid door heel Nederland, waarin experts in enkele uren de belangrijkste aspecten rondom luchtdicht bouwen hebben belicht. Daarnaast bieden onder andere de volgende SBR Infobladen meer praktijkkennis:

Wilt u zich verdiepen, dan is Cursus Luchtdicht bouwen op 9 september a.s. wellicht interessant.


Reacties

Nog geen reacties

Reageer