0

Wilt u deze kennis delen met collega's? Klik dan hier om uw collega's uit te nodigen.

aanbeveling: CUR-Aanbeveling 113 Deel A

Voorwoord

Voorwoord

Het vinden van nieuwe locaties voor zandwinning blijkt de laatste jaren steeds moeilijker. Als gevolg daarvan bestaat de tendens bestaande zandwinningen maximaal te benutten. Om het ruimtebeslag van zandwinningen te beperken, wordt gestreefd naar zo steil mogelijke taluds en wordt steeds dieper gewonnen. Deze ontwikkelingen hebben in de afgelopen jaren op een aantal locaties geleid tot oeverinscharingen, soms met aanzienlijke schade aan de omgeving.

De precieze oorzaak van oeverinscharingen is vaak niet met zekerheid vast te stellen. Er lijken ten minste twee factoren in het geding te zijn: de grondopbouw ter plaatse en het proces van zandwinning. In deze CUR-Aanbeveling is het beschikbare inzicht en de kennis over de oorzaken van dergelijke oeverinscharingen en over de mogelijkheden deze te voorkomen verzameld. Op basis daarvan zijn aanbevelingen geformuleerd. Deze zijn weergegeven in het eerste deel van deze Aanbeveling ('deel A'); de onderbouwing in het tweede deel ('deel O').

De CUR-Aanbeveling is bedoeld voor al diegenen in Nederland die betrokken zijn bij het winnen van zand of grind vanuit zandwinputten, met name de aanvragers, houders en verleners van vergunningen en de overige instanties die een rol spelen bij vergunningverlening. De Aanbeveling moet er toe bijdragen, dat partijen op een rationele en doelmatige wijze tot een veilig en optimaal vergunningstalud komen. Daartoe heeft de Aanbeveling betrekking op het onderzoek dat de aanvrager voor het verkrijgen van een vergunning moet laten uitvoeren, alsmede op de uit te voeren risico-analyse en de aanvaardbaarheid van het voorspelde risico. Daarmee wordt bijgedragen aan het toetsingskader waarvan de vergunningverlenende instantie gebruik maakt alvorens zij vergunning verleent.

De CUR-Aanbeveling moet tevens bijdragen aan een grotere uniformiteit in het toetsingskader voor dieptewinningen in Nederland, zodat de rechtsgelijkheid voor de zandwinnende bedrijven wordt bevorderd. De juridische status van deze CUR-Aanbeveling is vastgelegd in het CUR reglement "organisatie en werkwijze" van januari 2002.

Bij het opstellen van deze CUR-Aanbeveling is verondersteld dat de lezer redelijk bekend is met geotechnische termen.

Deze CUR-Aanbeveling is opgesteld door CUR-commissie C 130 'Zandwinputten en taludstabiliteit'.

Op het moment van verschijnen van deze Aanbeveling was de samenstelling van de commissie als volgt: Prof.ir. W.J. Vlasblom (voorzitter), ir. M.B. de Groot (secretaris en rapporteur), ir. S.J. Bennema, ing. E.J. de Boer, ir. J.A.M. 't Hoen, dhr. G. Hutten, ir. M.T. van der Meer, drs. R.J.M. Meijnen, ir. A.H. Nooy van der Kolff, ir. Joh. G.S. Pennekamp, ing. R. Steenbrink en ir. J.P. Koenis (coördinator).

Naast de rapporteur hebben vooral ir. D.R. Mastbergen, ir. M.T. van der Meer, dr. C.A. Schoofs en ir. T.P. Stoutjesdijk een bijdrage geleverd aan het concept voor de aanbeveling.

Deze Aanbeveling is goedgekeurd door de Algemene Voorschriftencommissie.

Deze CUR-Aanbeveling is tot stand gekomen met financiering vanuit het onderzoeksprogramma VIBO, waarin het Ministerie van Verkeer een Waterstaat en de Provincies verenigd in het Inter Provinciaal Overleg, gezamenlijk bouwgrondstoffen gerelateerd Onderzoek uitvoeren, alsmede met financiering van de participanten in de commissie.