0

Beheersbaarheid van brand en rook bij brandwerende doorvoeringen - 463

Voor het vaststellen van de juiste eisen aan de brand- of rookwerendheid van een wand of vloer met doorvoeringen dient een bouwwerk in brandcompartimenten, subbrandcompartimenten en beschermde subbrandcompartimenten te worden onderverdeeld en moet bekend zijn welke ruimten als beschermde en extra beschermde vluchtroute zijn aangemerkt. Op basis daarvan kan de hoogte en de richting van de brandwerendheid worden bepaald.
Veel doorvoeringen zijn in de praktijk aanwezig in schachtwanden en meterruimten. Bij schachten is vaak onduidelijk of de brandwerendheidseis alleen van binnen naar buiten of ook van buiten naar binnen geldt.

ACHTERGRONDINFORMATIE

Indeling in brandcompartimenten
Om snelle uitbreiding van brand binnen het bouwwerk en naar andere bouwwerken te voorkomen en daarmee de omvang van een brand beperkt te houden, zijn eisen geformuleerd met betrekking tot de indeling van gebouwen in brandcompartimenten. Hiermee wordt in beginsel de omvang van een brand beperkt gehouden.

Voor de meeste gebruiksfuncties geldt dat het gebruiksoppervlak van het brandcompartiment bij nieuwbouw maximaal 1.000 m2 mag bedragen. Voor de volgende gebruiksfuncties geldt bij nieuwbouw een andere waarde voor het maximaal brandcompartimentoppervlak:

  • Logiesfunctie: max. 500 m2
  • Celfunctie (gedeelte met cellen): max. 500 m2
  • Woonfunctie: elke woonfunctie en gemeenschappelijk verblijfsgebied
  • Industriefunctie: max. 2.500 m2

Voor bestaande bouw gelden grotere maximaal toegestane vloeroppervlaktes voor verschillende gebruiksfuncties.

Indeling in subbrandcompartimenten
Om de verspreiding van brand én rook binnen het brandcompartiment (verder) te beperken en daarmee een veilige ontvluchting uit het bouwwerk mogelijk te maken, zijn eisen geformuleerd met betrekking tot de indeling van een brandcompartiment in subbrandcompartimenten of in verkeersruimten waardoor een beschermde vluchtroute voert. Uitgangspunt is dat alle ruimten waarin brand zou kunnen ontstaan binnen een subbrandcompartiment liggen.

De indeling van een brandcompartiment in subbrandcompartimenten en verkeersruimten met beschermde vluchtroute geschiedt op basis van een aantal criteria, waaronder de maximaal toegestane loopafstand in een subbrandcompartiment, het maximale hoogteverschil dat mag worden overbrugd, en de voorwaarden die aan het vluchten worden gesteld bij een subbrandcompartiment met één toegang. Bij woonfuncties (galerij en corridorflats) wordt deze indeling voornamelijk bepaald door de afstand die door de (extra) beschermde vluchtroute moet worden afgelegd.

Indeling in beschermde subbrandcompartimenten
Om verdere branduitbreiding binnen het subbrandcompartiment te voorkomen, moeten bij bepaalde gebruiksfuncties de brandcompartimenten in beschermde subbrandcompartimenten worden onderverdeeld. Beschermde subbrandcompartimenten zijn nodig bij gebruiksfuncties waarin bijvoorbeeld mensen slapen of ziek te bed liggen, omdat die mensen meer tijd of zelfs hulp nodig hebben om een brandcompartiment te verlaten. Dit is het geval bij woonfuncties, logiesfuncties, bijeenkomstfuncties voor kinderopvang met bedgebied, gezondheidszorgfuncties met bedgebied en celfuncties.

Wbdbo-eisen, wrd-eisen en zelfsluitende deuren
Om de uitbreiding van brand en de verspreiding van rook te beperken, moet tussen een brandcompartiment, subbrandcompartiment c.q. beschermd subbrandcompartiment en een andere ruimte een bepaalde weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag (wbdbo) en/of weerstand tegen rookdoorgang (wrd) aanwezig zijn.

Van een brandcompartiment naar een andere besloten ruimte geldt als basiseis een wbdbo van 60 minuten. In bepaalde situaties mag de eis worden gereduceerd tot 30 minuten.

Van een beschermd subbrandcompartiment naar een andere besloten ruimte geldt:
  • een wbdbo-eis van 30 minuten;
  • (in de toekomst) een zekere wrd-eis, om verspreiding van relatief koude rook tegen te gaan.
Van een subbrandcompartiment naar een andere besloten ruimte geldt:
  • een eis aan de weerstand tegen branddoorslag (wbd) van 20 minuten, waarbij voor de bepaling van de brandwerendheid alleen rekening wordt gehouden met het criterium ‘vlamdichtheid betrokken op de afdichting’;
  • (in de toekomst) een zekere wrd-eis, om verspreiding van relatief koude rook tegen te gaan.

De wrd-eis is ook van toepassing tussen een subbrandcompartiment en een besloten ruimte in een ander brandcompartiment.

De voorschriften over de beperking van rookdoorgang van een (beschermd) subbrandcompartiment naar een andere besloten ruimte zullen te zijner tijd (waarschijnlijk in 2015) worden opgenomen in de ministeriële regeling.

Om de wbdbo-eis en wbd-eis te realiseren zal de scheidingsconstructie tussen het (beschermd) (sub)brandcompartiment en de andere ruimte brandwerend moeten worden uitgevoerd. De brandwerendheid is hierbij even groot als de wbdbo-eis c.q. wbd-eis. Afhankelijk van de richting van de wbdbo-eis moet deze brandwerendheid in één richting of twee richtingen aanwezig zijn.

Om aan de (toekomstige) wrd-eis te voldoen zal de scheidingsconstructie tussen genoemde ruimten rookwerend moeten worden uitgevoerd.

In de brand- en rookwerende scheidingsconstructies mogen slechts zelfsluitende deuren voorkomen. Voor de woningtoegangsdeur (niet zijnde de voordeur van woningen in portiekflat) en de celdeur geldt deze verplichting niet.

Beschermde vluchtroutes, extra beschermde vluchtroutes
Voor zowel het vaststellen van de wbdbo-eisen (hoogte van eis en richting van eis) als de eisen aan het materiaalgedrag bij brand, is het van belang te weten wanneer een verkeersruimte als beschermde vluchtroute dan wel extra beschermde vluchtroute moet worden aangemerkt.

Indien een subbrandcompartiment slecht één uitgang heeft, is de vluchtroute vanaf die uitgang een beschermde of extra beschermde vluchtroute. Het type gebruiksfunctie, het aantal personen dat gebruik moet maken van die vluchtroute en de lengte van ‘het doodlopend eind’ bepaalt of sprake is van een beschermde of extra beschermde vluchtroute. Een trappenhuis waarin een hoogteverschil van meer dan 8 m wordt overbrugd is altijd een extra beschermde vluchtroute.

Een beschermde vluchtroute ligt buiten het subbrandcompartiment, maar binnen het (grotere) brandcompartiment; deze route is dus niet per definitie gevrijwaard van brand en rook. Een extra beschermde vluchtroute ligt altijd buiten het brandcompartiment. Aan een extra beschermde vluchtroute worden voor de meeste gebruiksfuncties zwaardere eisen aan het materiaalgedrag bij brand gesteld. De kans op het ontwikkelen van brand in deze ruimte is daardoor klein.

AANDACHTSPUNTEN

Schachten
Tussen een compartiment en een andere besloten ruimte geldt een bepaalde wbdbo-eis of wbd-eis en een bepaalde wrd-eis. In het Bouwbesluit is onduidelijk aangegeven welke eis geldt bij een schacht. Een schacht is in principe een besloten ruimte, waardoor gedacht zou kunnen worden dat met een schacht altijd een eis geldt. In dat geval is nog onduidelijk of deze eis dan alleen richting die schacht geldt of ook vanuit de schacht, dus of een brand- en rookwerendheid in één richting geldt of in twee richtingen. Tot 2003 gold (voor woningbouw) alleen een eis in de richting van de schacht. Zeker bij de utiliteitsbouwfuncties komen situaties voor waarbij een brand- en rookwerendheid in twee richtingen gewenst of vereist is, omdat in de schacht brand kan ontstaan. De hoogte van de brand- en rookwerendheid van de schachtwand of -vloer en de richting hiervan wordt daarom bepaald door de ‘inrichting’ van de schacht, oftewel door de benoeming van die schacht. Een schacht kan behoren bij een aangrenzend brandcompartiment, worden benoemd als apart brandcompartiment.of worden gezien als spouwconstructie tussen twee brandcompartimenten.

Meterruimten
Bij meterruimten in een woongebouw worden nog regelmatig geen brandwerende voorzieningen getroffen ter plaatse van de doorvoeringen, terwijl dit wel zou moeten. Een in de woning gelegen meterruimte hoort tot het brandcompartiment ‘woning’. De vloer tussen de meterruimten moet dus brandwerend worden uitgevoerd. Ook de doorvoeringen door deze wand of vloer moeten, hoe klein de doorvoeringen ook zijn, brand- en rookwerend worden uitgevoerd.

Materiaal gedrag bij brand
In het Bouwbesluit worden eisen gesteld aan het materiaalgedrag bij brand. Deze eisen kunnen betrekking hebben op het voorkomen van het ontstaan van een brandgevaarlijke situatie (bijvoorbeeld bij schachten) of op het beperken van de ontwikkeling van brand en rook.

  • Schachten, koker en kanalen
    In artikel 2.58 van Bouwbesluit 2012 worden eisen gesteld aan het materiaalgedrag bij brand van de binnenzijde van een schacht, koker of kanaal. De binnenzijde van de schacht, de koker of het kanaal moet over 1 cm voldoen aan brandklasse A2. Deze eis geldt alleen indien de inwendige doorsnede van die schacht, die koker of dat kanaal groter is dan 0,015 m2 (Ø140 mm) en indien die schacht, die koker of dat kanaal aan meerdere brand- of subbrandcompartimenten grenst en niet is gelegen in en bestemd is voor boven elkaar gelegen toiletruimten of badruimten.
  • Brandgedrag leidingen en kanalen
    Ter beperking van de ontwikkeling van een brand en rook zijn eisen (Euroklassen) gesteld aan de brand- en rookklasse van constructieonderdelen die in een bouwwerk zijn toegepast. Doel van de eisen is de ontwikkeling van de omvang van de brand te beperken en gebruikers voldoende tijd te geven om het gebouw veilig te verlaten. Voor de rookklasse wordt voor besloten ruimten, ongeacht de situaite, klasse s2 of s1fl als eis gesteld. De brandklasse van materialen in een ruimte is afhankelijk van de status van de ruimte (beschermde of extra beschermde vluchtroute of andere ruimte).
  • Brandgedrag kabels
    Hoewel kabels op zichzelf zelden de directe oorzaak zijn van brand, kunnen ze wel grote invloed hebben op het verloop ervan. Bepaalde kabels kunnen als een lont fungeren waarlangs een brand zich snel kan voortplanten. Bovendien veroorzaken conventionele kabels bij verbranding een ondoorzichtige en corrosieve rook. Door de rook kan bij mensen desoriëntatie en paniek ontstaan, met alle fatale gevolgen van dien. De keuze van het type kabel in relatie tot de brandeigenschappen is dus belangrijk. De keuze wordt daarbij bepaald door het risico bij brand.

OVERIGE INFORMATIE

Publicatie
Infobladen
Normen en regelgeving
  • NEN 6068:2008 ‘Bepaling van de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag tussen ruimten
  • NEN 6069:2011 ‘Experimentele bepaling van de brandwerendheid van bouwdelen’
    NEN 6069 stuurt per constructieonderdeel een Europese norm aan. In deze Europese norm wordt de feitelijke beproevingsmethode omschreven. Naast de (Europese) beproevingsnorm wordt per bouwdeel in NEN 6069 aangegeven welke paragraaf van de klasseringsnorm (NEN-EN 13501-2) van toepassing is en welke beoor-delingscriteria uit deze paragraaf geldend zijn voor Nederland.
  • NEN 6075:2011 ‘Bepaling van de weerstand tegen rookdoorgang tussen ruimten’
    NEN 6075 geeft voor elk constructieonderdeel aan op welke wijze Sa en S200 kunnen worden bepaald.
  • NEN-EN 1363:2012 ‘Bepaling van de brandwerendheid’
    In NEN-EN 1363 deel 1 en deel 2 staan de algemene aanwijzingen om een brandtest uit te voeren. In deze norm zijn onder andere eisen opgenomen over:
    • het type en de nauwkeurigheid van testinstrumenten;
    • de testcondities (waaronder de te gebruiken brandkrommen);
    • het te testen constructieonderdeel (denk aan aantal, grootte);
    • de hulpconstructie waarin het constructieonderdeel wordt geplaatst;
    • het gebruik van de testinstrumenten;
    • de testprocedure;
    • de brandwerendheidscriteria;
    • het testrapport.
  • www.bouwbesluitonline.nl