0

Bepaling invoerwaarde luchtdoorlatendheid voor EPC-berekening - 012

Het vaststellen van een juiste, reële invoerwaarde voor de luchtdoorlatendheid en het inschatten van de maatregelen die nodig zijn om deze waarde in de praktijk te realiseren.

OPLOSSINGSRICHTINGEN

De luchtdoorlatendheid kan, conform hetgeen gesteld is in NEN 8088-1, voor gerealiseerde gebouwen de feitelijke luchtdoorlatendheid door meting op basis van NEN 2686 worden bepaald. In geval de specifieke luchtvolumestroom die wordt doorgelaten bij 10 Pa, qv10;spec, op basis van meting is vastgesteld, wordt deze waarde voor de berekening van de luchtstroom door infiltratie gebruikt.
Wanneer gebouwen onder een kwaliteitsborgingsprocedure worden gebouwd en binnen die procedure de specifieke luchtdoorlatendheid, qv10;spec, van het gebouw is vastgelegd/wordt gecontroleerd, kan voor nieuw te bouwen projecten die waarde worden gebruikt.
Hiervoor kan een rekenmethode gebaseerd op de lengte en kwaliteit van de aansluiting worden gebruikt zoals beschreven in de publicatie Luchtdicht bouwen van SBR of invoergegevens gebaseerd op eerder gerealiseerde projecten. De waarden moeten achteraf gecontroleerd worden door een meting.
Is geen meetwaarde beschikbaar dan kan de qv10;spec ook forfaitair bepaald worden aan de hand van een formule.

Er zijn de volgende bepalingsmethoden:

  1. Een (forfaitaire) bepalingsmethode uit NEN 8088-1;
  2. Invoergegevens gebaseerd op eerder gerealiseerde projecten;
  3. Een rekenmethode gebaseerd op de lengte en kwaliteit van de aansluiting.

Figuur 1 Meting van de luchtdichtheid (qv;10-waarde) van en woning met behulp van een Blowerdoor.

1. Een (forfaitaire) bepalingsmethode uit NEN 8088-1
Is geen meetwaarde beschikbaar dan wordt qv10;spec met onderstaande formule als volgt bepaald: qv10;spec = ftype x fjaar x qv10;spec;reken
qv10;spec is de specifieke luchtdoorlatendheid bij een uniform drukverschil van 10 Pa, in dm3/(s×m2);
ftype is de van het gebouwtype afhankelijke correctiefactor voor de rekenwaarde van de luchtdoorlatendheid;
fjaar is de bouwjaarcorrectiefactor voor de rekenwaarde van de luchtdoorlatendheid;
qv10;spec;reken is de rekenwaarde voor de specifieke luchtdoorlatendheid bij een uniform drukverschil van 10 Pa, in dm3/(s×m2).

Uit deze formule volgen veilige (forfaitaire) waardes. Enkele voorbeelden voor woningen met bouwjaar > 2010:

tussenwoning met kap 0,700
hoekwoning met kap 0,840
vrijstaande woning met kap 0,980
tussenwoning met plat dak 0,490
hoekwoning met plat dak 0,588
vrijstaande woning met plat dak 0,686
2. Invoergegevens gebaseerd op eerder gerealiseerde projecten
Naast de forfaitaire bepaalde qv10;spec;reken kan ook de feitelijke (gemeten) luchtdichtheid worden ingevoerd. Voor nog te bouwen projecten is dat natuurlijk niet mogelijk, echter door de gemeten qv10-waarde van eerder gebouwde vergelijkbare projecten te gebruiken kan geanticipeerd worden op het uiteindelijke resultaat. Bij oplevering dient dan vastgesteld te worden of de prognose ook is gerealiseerd. Het risico dat de prognose niet wordt gehaald is gering als bouwers hun kwaliteitsborging op orde hebben. Vooral bij woningen die volgens een bepaald concept worden gebouwd is de variatie in kwaliteit beperkt. Een steekproef bij oplevering volstaat dan. De blowerdeurtest wordt vaak uitgevoerd in combinatie met infraroodfotografie. Eventuele luchtlekken worden dan zichtbaar, daarnaast komen ook omissies in de isolerende schil naar voren.
3. Een rekenmethode gebaseerd op de lengte en kwaliteit van de aansluiting

Deze rekenmethode heeft als doel om een zo nauwkeurig mogelijke waarde te berekenen, zodat het verschil tussen de (vooraf) berekende en de (achteraf) gemeten luchtdoorlatendheid slechts minimaal is.

Het principe van deze rekenmethode is vrij eenvoudig. De methode is gebaseerd op een relatie tussen de luchtdoorlatendheid van een gebouw en de bouwkundige aansluitingen. Met andere woorden: hoe meer strekkende meter aansluiting in een gebouw aanwezig is, hoe meer lucht de constructie in en uit kan stromen.

De luchtdoorlatendheid kan worden bepaald door de lengte van de aanwezige naden en/of kieren te vermenigvuldigen met de luchtdoorlatendheidscoëfficiënt van het betreffende aansluitdetail (de zogenaamde c-waarde). Deze c-waarde is onder andere te vinden bij de bouwfysische prestaties van de SBR-Referentiedetails. Ook zijn diverse c-waardes in paragraaf 3.5 opgenomen.

Berekening conform SBR-Referentiedetails:

Stap 1: Bepaal op basis van het energieconcept de gewenste qv10-waarde.
Stap 2: Meet de lengte van de 9 aansluitdetails.
Stap 3: Bepaal het aantal doorvoeren.
Stap 4: Vermenigvuldig de gemeten lengte (lj) met de bij dat detail behorende c-waarde.
Stap 5: Tel de c-waarde voor de doorvoeren (stap 2) en voor de aansluitingen (stap 3) bij elkaar op; dit is de c-waarde.
Stap 6: Vul gegevens in in de formule: qv10 = C . 4,22 (dm3/s).

Als deze methode betere resultaten oplevert dan de forfaitaire methode zal dat moeten worden aangetoond met de blowerdoortest (volgens NEN 2686).

Figuur 2 Zorg voor een luchtdichting van één vlak. Hier is de spouwlat afgeplakt met butylband. Foto: Adviesburo Nieman.

ACHTERGROND

De overheid stelt steeds strengere eisen aan de energieprestatiecoëfficiënt (EPC) van gebouwen. Het huidige niveau van EPC voor woonfuncties is 0,6, in 2015 zal dit verder verlaagd worden naar 0,4. De doelstelling voor 2020 is om bijna energieneutrale woningen te realiseren met een EPC ≈ 0. De aanscherping van de EPC-eis maakt extra maatregelen noodzakelijk, met gevolgen voor ontwerp en uitvoering. Eén van de invoergegevens in de EPC-berekening is de luchtdoorlatendheid. Hoe minder energie een gebouw via luchtlekkage verliest, hoe gunstiger de EPC.

Het effect van de luchtdoorlatendheid op de EPC is aanzienlijk. Aangezien de EPC-berekening al vroeg in het bouwproces moet worden opgesteld, moet ook de luchtdoorlatendheid in een vroeg stadium bekend zijn. Daartoe zijn verschillende accurate berekeningsmethoden en richtlijnen ontwikkeld.

Beperking van de luchtdoorlatendheid is een beoordelingsaspect in het Bouwbesluit 2012. In afdeling 5.1 Energiezuinigheid is onder andere artikel 5.4 Luchtvolumestroom opgenomen. In artikel 5.4 wordt gesteld dat de luchtdoorlatendheid van de thermische schil, bepaald volgens NEN 2686 Luchtdoorlatendheid van gebouwen – Meetmethode, niet groter mag zijn dan 0,2 m3/s (qv;10 ≤ 200 dm3/s bij 10 Pascal (Pa)). Deze eis wordt gesteld aan voor mensen verwarmde gebouwen.

Voor de luchtdichtheid worden sinds 2008 drie klassen onderscheiden, te weten:

  • klasse 1: basis;
  • klasse 2: goed;
  • klasse 3: uitstekend

Er is geen eenduidige relatie meer tussen de luchtdichtheidsklasse en het ventilatiesysteem. Toch wordt wel geadviseerd om bij ventilatiesysteem C (ventilatievoorziening met natuurlijke toevoer en mechanische afvoer), systeem D (ventilatievoorziening met mechanische toe- en afvoer (gebalanceerde ventilatie)) en systeem X (gecombineerde systemen) minimaal klasse 2 aan te houden. Voor het Passiefhuis-concept veelal met systeem D wordt een klasse 3 geadviseerd.

Reacties

Eijk op 5 mei 2012

Tegenwoordig noemt men een inpandige garage, met ingang naar binnen, een berging. Wat zijn de voorschriften? Waarom gebruikt men de benaming berging worden dan regels omzeild??

delete

Arie op 20 mei 2016

Hoe bereken je c-waarde van een gebouw dat omzeild is door 4 zijden van elementengevel. Het gebouw zelf is een labaratorium?> Wat wij hebben gehoord en gelezen is dat qv10 alleen is te meten? Als er zo een opgave is is er een kans dat wij die als voorbeeld mogen krijgen?

delete

arie op 20 mei 2016

Trouwens ik ben een student die aan het afstuderen is op het gebied van luchtdicht bouwen van een utiliteitbouwe met elementengevel. Hiervoor vroeg ik mijzelf af om dit te kunnen gaan aantonen? 3. Een rekenmethode gebaseerd op de lengte en kwaliteit van de aansluiting dit is de belangrijke punt voor ons.

delete

Reageer

Waardeer dit infoblad