0

Bepaling van het aantal toegestane personen in een gebouw: bezetting en ontruiming - 100

Het bepalen van het aantal personen dat in een utiliteitsgebouw kan worden toegestaan.

OPLOSSINGRICHTINGEN

1. Controle op basis van minimale bezetting volgens Bouwbesluit
De gebruiker van een gebouw is grotendeels vrij in het kiezen van het aantal personen dat in een gebouw aanwezig is. Hierdoor kan het gebouw worden afgestemd op het verwachte gebruik ervan. Op deze wijze kan bijvoorbeeld worden voorkomen dat in een gebouw waarin weinig personen aanwezig zijn, onredelijk veel vluchtdeuren moeten worden aangebracht. Wel stelt het Bouwbesluit in artikel 1.2 dat voor een aantal gebruiksfuncties bij een vergunningaanvraag altijd moet worden uitgegaan van een bepaalde minimale bezetting. Deze bezetting is weergegeven in onderstaande tabel.

Indien een gebouw wordt gebruikt door minder personen dan in de tabel aangegeven, moet bij het ontwerpen van de voorzieningen worden uitgegaan van het aantal personen dat volgt uit de tabel. Bij een hogere bezetting moet uiteraard worden uitgegaan van deze hogere bezetting.

Er hoeft niet te worden uitgegaan van bijzondere situaties die niet frequent voorkomen, zoals een open dag in een kantorencentrum. Voor die dag zelf kunnen echter wel extra veiligheidsmaatregelen nodig zijn.

Een aantal onderdelen van het Bouwbesluit is direct gerelateerd aan de bezetting. Dit betreft niet alleen eisen ten aanzien van brandveiligheid, maar ook eisen ten behoeve van de ventilatie. Dit betekent dat het belangrijk is om een goede inschatting te maken van het verwachte gebruik.

2. Controle op basis van status van vluchtroutes
Elk gebouw moet zijn opgedeeld in één of meerdere subbrandcompartimenten. Indien vanuit zo’n subbrandcompartiment slechts één vluchtroute beschikbaar is, dan geldt er een beperking aan het aantal personen dat van deze vluchtroute gebruik moet maken. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in de status van de vluchtroutes. Hoe veiliger de vluchtroute, hoe meer personen ervan gebruik mogen maken. In onderstaande tabel is dit aangegeven, zowel voor nieuwbouwsituaties als voor bestaande bouw.

Aantal personen dat mag zijn aangewezen op één vluchtroute

Nieuwbouw Bestaande bouw
Beschermde (vlucht)route 37 60
Extra beschermde vluchtroute 150 225

De verschillende soorten vluchtroutes zijn als volgt gedefinieerd:

  • beschermde route: buiten het subbrandcompartiment waar de vluchtroute begint gelegen gedeelte van een vluchtroute; Deze route komt alleen voor bij de eisen voor bestaande bouw.
  • beschermde vluchtroute: buiten een subbrandcompartiment gelegen gedeelte van een vluchtroute die uitsluitend voert door een verkeersruimte; Dit betreft in feite een route die voert door een verkeersruimte die minimaal 20 minuten brandwerend is afgescheiden van verblijfsruimten. Bij sommige gebruiksfuncties gelden er tevens strenge eisen aan het brandgedrag van de materialen in deze ruimte
  • extra beschermde vluchtroute: buiten een brandcompartiment gelegen gedeelte van een beschermde vluchtroute; Dit betreft in feite een route die voert door een verkeersruimte die minimaal 60 minuten brandwerend is afgescheiden van verblijfsruimten. Er gelden tevens strenge eisen aan het brandgedrag van de materialen in deze ruimte

Niet alle soorten vluchtroutes zijn voor alle gebruiksfuncties toegestaan. Bij bijvoorbeeld logiesfuncties is één vluchtroute alleen toegestaan indien dit een extra beschermde vluchtroute is. Een beschermde vluchtroute volstaat daar dus niet.

Indien er één vluchtroute beschikbaar is, en deze vluchtroute wordt uitgevoerd als veiligheidsvluchtroute, dan geldt er in principe geen beperking aan het aantal personen dat gebruik moet maken van deze vluchtroute. Wel zal de opvang- en doorstroomcapaciteit van de vluchtroute voldoende moeten zijn voor het aantal personen dat gebruik maakt van de vluchtroute.

3. Controle capaciteit vluchtroutes
Onafhankelijk van het aantal vluchtroutes, geldt voor elk subbrandcompartiment dat de uitgangsbreedte van het subbrandcompartiment voldoende moet zijn voor het verwacht aantal personen. Gedachte hierbij is dat bij brand in het subbrandcompartiment alle aanwezigen binnen 1 minuut een veilige plek moeten kunnen bereiken. Dit kan een plek achter een brandscheiding zijn, of buiten.

Voor de capaciteit van de uitgangen gelden de volgende uitgangspunten (artikel 2.108):

  • 45 personen per meter breedte van een trap voor het overbruggen van een hoogteverschil van meer dan 1 meter en 90 personen per meter vrije breedte bij een hoogteverschil van ten hoogste 1 meter, voor zover de aantrede van de trap ten minste 0,17 m bedraagt;
  • 90 personen per meter vrije breedte van een ruimte;
  • 90 personen per meter vrije breedte van een doorgang, indien zich in de doorgang een dubbele deur of vergelijkbaar beweegbaar constructieonderdeel bevindt met een met een maximale openingshoek van minder dan 135 graden;
  • 110 personen per meter vrije breedte van een doorgang, indien zich in de doorgang een enkele deur of vergelijkbaar beweegbaar constructieonderdeel bevindt met een maximale openingshoek van minder dan 135 graden, en
  • 135 personen per meter vrije breedte van een andere doorgang.

Indien niet rechtstreeks naar buiten kan worden gevlucht vanuit een subbrandcompartiment, is het vaak niet mogelijk om over de volledige route naar buiten deze capaciteit te realiseren. Met name bij trappenhuizen, die een relatief lage doorstroomcapaciteit hebben, is de capaciteit vaak te laag om iedereen direct door te laten lopen. Voor deze situaties maakt de Regeling Bouwbesluit het mogelijk om de opvang- en doorstroomcapaciteit van de vluchtroutes uitgebreider te berekenen. De uitgangspunten van deze berekening zijn als volgt:

  • ieder subbrandcompartiment moet binnen 1 minuut kunnen worden ontruimd.
  • het gehele gebouw moet binnen 15 minuten kunnen worden ontruimd. Indien er sprake is van voorportalen voor de trappenhuizen dan mag dit 20 minuten zijn en bij een veiligheidsvluchtroute is maximaal 30 minuten toegestaan.

De maximale toegestane ontruimingstijd betekent dat het toegestaan is dat er tijdens het vluchten moet worden gewacht. Dit moet dan gebeuren op een veilige plek, achter een brandwerende scheiding. Indien er buiten een trappenhuis moet worden gewacht, geldt er wel een beperking aan de toegestane wachttijd. Deze bedraagt maximaal 3,5 minuten achter een 20 minuten brandwerende scheiding en maximaal 6 minuten achter een 30 minuten brandwerende scheiding.

Voor het toetsen van de opvang- en doorstroomcapaciteit moeten er twee berekeningen worden gemaakt:

  • een berekening van de totale ontruimingstijd te bepalen. Hierbij wordt er geen rekening gehouden met de positie van de brand. Alle vluchtroutes mogen in de berekening worden meegenomen.
  • een scenario afhankelijke berekening. Hierbij wordt een brand verondersteld in een bepaald subbrandcompartiment. Indien op deze bouwlaag buiten een trappenhuis wordt gewacht, moet worden gecontroleerd of de wachttijd hier niet langer wordt dan toegestaan. Op de andere bouwlagen geldt er geen beperking aan de wachttijd, omdat de aanwezige personen hier niet direct worden bedreigd. Wel moet voor elke verdieping afzonderlijk worden bepaald of de wachttijd niet wordt overschreden. Er moet dus met meerdere scenario’s worden gerekend (tenzij er kan worden uitgegaan van een maatgevend scenario).

ACHTERGROND

Tot de introductie van het Bouwbesluit 2012 was er sprake van zogenaamde bezettingsgraadklassen. Deze klassen, variërend van klasse B1 t/m B5 (B1 was de hoogste bezetting en B5 de laagste) legde een koppeling tussen de vloeroppervlakte van een gebouw (zowel de gebruiksoppervlakte van een gebouw als de oppervlakte van verblijfsruimten) en het aantal personen. Elke klasse gaf een bandbreedte aan van een minimale en maximale bezetting. Voor bezettingsgraadklasse B4 gold bijvoorbeeld een minimale gebruiksoppervlakte van 12 m2 per persoon en een maximale gebruiksoppervlakte van 30 m2 per persoon. De te treffen voorzieningen (zoals deurbreedte, hoeveelheid ventilatie) waren vervolgens niet direct gekoppeld aan het aantal aanwezige personen, maar aan de vloeroppervlakte en de bezettingsgraadklasse. Indirect waren deze afgestemd op een soort gemiddelde bezetting (de rekenwaarde) binnen de bandbreedte van de bezettingsgraadklasse.

AANDACHTSPUNTEN

Bij het kiezen van de bezetting is het ook verstandig om naar een mogelijk toekomstig gebruik te kijken. Indien bijvoorbeeld in een kantoorgebouw alleen wordt uitgegaan van een lage bezetting met werkplekken, dan kan het niet meer mogelijk zijn dat er vergaderruimten worden gerealiseerd. Daardoor kan de verhuurbaarheid van het gebouw minder goed zijn.

OVERIGE INFORMATIE

  • Nota van Toelichting bij Bouwbesluit 2012
  • Brandveiligheid, ontwerpen en toetsen
  • Praktijkboek Bouwbesluit 2012