0

Calciumsulfaatgebonden (anhydriet) gietvloer; opbouw en detaillering. - 159

Zicht krijgen op de mogelijkheden van elke gangbare principe-opbouw en de belangsrijkste kenmerken van elke opbouw.

OPLOSSINGSRICHTINGEN

1. Gietvloer direct op draagvloer

De dekvloer kan worden aangebracht op een steenachtige of stalen draagvloer. Deze moet waterdicht zijn. In bestaande bouw kan de dekvloer worden aangebracht direct op een steenachtige ondergrond. Dicht naden tussen vloerplaten af. In NEN 2747 wordt de classificatie en meting van de vlakheid en evenwijdigheid van vloeroppervlakken beschreven. Voor aanvang van het werk moet, aan de hand van de 7 vlakheidsklassen zoals beschreven in NEN 2747, en keuze gemaakt worden voor de gewenste klasse. Voor sterkte en laagdikte: zie Infoblad Calciumsulfaatgebonden (anhydriet) gietvloer; sterkteklasse en laagdikte.

  1. Aansluiting van de gietvloer aan een wand of andere verticale bouwdelen (kolommen, leidingdoorvoeren e.d.). Deze aansluiting is 'koud', dus zonder akoestische scheiding.
  2. Horizontale leiding, aan de draagvloer bevestigd. Boven de leiding moet minstens 15 mm dekking zijn, bij sterkteklasse GD20.
  3. Naden en kieren. Dicht deze zorgvuldig waterdicht af, om weglekken van de specie en lekken in de isolatie te voorkomen.
  4. Verticale leiding.
  5. Aanhechtingslaag, eventueel voorzien van een product dat de aanhechting verbetert.
  6. Dekvloer.
  7. Stalen profiel. Dit beschermt de rand van de dekvloer. Veranker dit in de draagvloer.
  8. Tijdelijke kantplank. Deze voorkomt weglopen van de specie.
  9. Bewegingsvoeg in de draagvloer. Zet deze altijd door in de dekvloer.
  10. Sparing.
2. Gietvloer op tussenlaag

Breng een tussenlaag aan als de dekvloer los moet blijven van de draagvloer. Of doe dit bij een dampgevoelige vloerafwerking op een hydrofiele draagvloer. Of als er door korte bouwtijd weinig droogtijd beschikbaar is. De draagvloer kan bestaan uit steenachtige materialen, staal, houten vloerdelen of houten platen. Een tussenlaag bestaat meestal uit een water- en gasdichte folie met dampremmende eigenschappen. Deze tussenlaag scheidt de dekvloer ook van alle aangrenzende en ingegoten bouwdelen zoals wanden, kolommen, verticale doorvoeren e.d. Voor sterkte en laagdikte: zie Infoblad Calciumsulfaatgebonden (anhydriet) gietvloer; sterkte en laagdikte.

figuur 2: 1.) Dampremmende tussenlaag. Deze scheidt de dekvloer van de draagvloer. 2.) Dampremmende tussenlaag. Deze scheidt de dekvloer van wanden, doorvoeren e.d. 3.) Dekvloer. 4.) Draagvloer. 5.) Naden en kieren. Dicht deze zorgvuldig waterdicht af.

3. Gietvloer als zwevende dekvloer

Door de dekvloer op een isolerende laag te leggen, verbetert de thermische isolatie en/of de akoestische isolatie (vooral contactgeluid). Calciumsulfaatgebonden dekvloeren zijn bij uitstek geschikt voor (ongewapende) zwevende dekvloeren, omdat ze een goede stabiliteit hebben en een hoge buigtreksterkte. Ze hoeven niet te worden verdicht, wat op verend isolatiemateriaal ook bijna niet mogelijk is. Voor sterkte en laagdikte: zie Infoblad Calciumsulfaatgebonden (anhydriet) gietvloer; sterkte en laagdikte.

Figuur 3.

  • Breng op het isolatiemateriaal altijd een waterkerende laag aan. Deze voorkomt weglekken van de specie. Die zou 'contactbruggen' kunnen veroorzaken: een akoestische koppeling tussen dek- en draagvloer.
  • Akoestisch isolatiemateriaal moet een zekere veerkracht hebben (uitgedrukt in de dynamische stijfheid); voor thermische isolatie heeft zo stijf mogelijk materiaal de voorkeur. Zie Infoblad Zwevende dekvloer; detaillering.
  • Breng een dampremmende laag aan tussen isolatiepakket en draagvloer, als het risico bestaat van blijvend of langdurig vochtaanbod van onderaf.
  • Breng tegen alle aansluitende en ingegoten bouwdelen goed indrukbare randstroken van isolatiemateriaal aan. Deze moeten minstens 5 mm dik zijn (als de grootste diagonaal van de dekvloer hoogstens 15 m lang is) of 9 mm (bij grotere vloeroppervlakken). Randstroken moeten minstens zo hoog reiken als de dekvloer inclusief vloerafwerking.
4. Gietvloer met verwarming

Vloerverwarming is comfortabel, zeker in combinatie met koud aanvoelende vloerafwerkingen zoals natuursteen en keramische tegels (zie Infoblad Vloerafwerking van natuursteen of keramische tegels; vloerverwarming). Bij houten vloerafwerking zoals parket is vloerverwarming niet een vanzelfsprekende keuze (zie Informatieblad Houten vloerafwerking; vloerverwarming). De meest voor de hand liggende combinatie met vloerverwarming is een zwevende dekvloer. Dan hoeft niet veel massa te worden opgewarmd, zodat de vloerverwarming relatief snel op temperatuurwisselingen reageert. De isolatielaag beperkt ook het warmteverlies naar beneden. Meestal werkt vloerverwarming met warm water, waarbij de temperatuur van het water onder ongeveer 35 °C blijft. Er zijn verschillende systemen; de verschillen zijn gelegen in de plaats van de leidingen ten opzichte van de dekvloer. Voor sterkte en laagdikte: zie Infoblad Calciumsulfaatgebonden (anhydriet) gietvloer; sterkte en laagdikte.

figuur 4

  • Houd de dekvloer altijd los van aansluitende en ingegoten bouwdelen met een kantstrook. Deze moet minstens 9 mm dik zijn, bij goed indrukbaar materiaal.
  • Zeer grote oppervlakken (400 tot 600 m2) zijn zonder bewegingsvoegen uit te voeren. Voorwaarde is een compacte vorm van de vloervelden (dus min of meer vierkant) en goed indrukbare kantstroken.
  • Verwarmingsleidingen mogen geen bewegingsvoegen in de dekvloer kruisen. Waar aan- en afvoerleidingen van een vloerveld een bewegingsvoeg toch kruisen, moeten die door een mantelbuis van tenminste 200 mm lang worden gevoerd.
5. Gietvloer als holtevloer

Bij een holtevloer wordt de dekvloer aangebracht op een verloren bekisting die op enige hoogte van de draagvloer wordt gesteld met pootjes. Zo ontstaat tussen draagvloer en dekvloer een ruimte voor horizontale kabels en leidingen ten behoeve van de erboven gelegen ruimten. Calciumsulfaatgebonden gietvloeren zijn zeer geschikt om naadloze holtevloeren te maken. Via luikjes, of van luiken voorziene goten (zogenoemde luikentracés) blijven de leidingen bereikbaar. De dekvloer wordt aangebracht als een 'gietvloer op tussenlaag' (zie ook onder 2.). Sparingen voor de aansluitingen op de werkplekken kunnen later worden aangebracht. Voor sterkte en laagdikte: zie Infoblad Calciumsulfaatgebonden (anhydriet) gietvloer; sterkte en laagdikte.

Figuur 5.

6. Gietvloer op funderingslaag

Een calciumsulfaatgebonden gietvloer kan direct op een funderingslaag worden aangebracht. Voorwaarde is dat de grondslag die als ondergrond dient, voldoende draagkracht heeft. Bij toepassing van lichtgewicht fundering is de belastingstoename op de ondergrond gering; samen met een compenserende ontgraving is het zelfs mogelijk de belasting op de ondergrond te verminderen. Doordat er geen draagvloer nodig is, kan de bouwtijd worden verkort. De fundering hoeft niet te worden belast met zwaar materieel, doordat de specie over flinke afstand kan worden verpompt.

  • Voor een dekvloer op schuimbeton is de detaillering zoals bij 'gietvloer direct op draagvloer'. (zie onder 1.)
  • Dekvloer op alle andere funderingslagen heeft een detaillering zoals bij 'gietvloer op tussenlaag'. (zie onder 2.)

Voor sterkte en laagdikte: zie Infoblad Calciumsulfaatgebonden (anhydriet) gietvloer; sterkte en laagdikte.

ACHTERGROND

Een vloer bestaat uit verschillende onderdelen die goed op elkaar moeten worden afgestemd. Bij de keuze van onderdelen moet de ontwerper steeds de gevraagde prestaties (functionele eisen en prestatie-eisen) van de vloer in zijn geheel als uitgangspunt nemen. De kwaliteit van de dekvloer hangt mede af van de draagvloer en vloerafwerking (vloerbedekking).

AANDACHTSPUNTEN

  • Om opdrijven van leidingen tegen te gaan, moeten deze stevig aan de ondergrond worden bevestigd. Verticale leidingdoorvoeren moeten worden voorzien van vochtwerende voorzieningen, om lekkage tijdens het aanbrengen van de specie te voorkomen.
  • Calciumsulfaatgebonden (giet)dekvloeren onderscheiden zich van traditionele cementgebonden dekvloeren door goede arbeidsomstandigheden, een goed beheersbare kwaliteit en goede milieu-eigenschappen.

OVERIGE INFORMATIE