0

Dampremmende lagen of sluitlagen in een gesloten dakbedekkingssysteem - 037

Het zodanig ontwerpen van een dampremmende laag (sluitlaag) dat rekening wordt gehouden met de uitvoeringsomstandigheden.

OPLOSSINGSRICHTINGEN

1. Altijd een dampremmende laag ontwerpen

Altijd een dampremmende laag ontwerpen; daardoor wordt een dakbedekkingsconstructie veiliger! Dit voorkomt het gevaar van overmatige inwendige condensatie - en daarmee vroegtijdige noodzaak tot vervanging van het dak.
Een dampremmende laag is méér dan een materiaallaag tussen onderconstructie en thermische isolatie. Het is een laag die in zowel ontwerp- als uitvoeringsfase verschillende functies heeft, zoals:

  • noodvoorziening (tijdelijke waterkering);
  • luchtdichte afsluiting van de onderconstructie waardoor:
    • de windvastheid van de dakbedekkingsconstructie toeneemt;
    • de brandveiligheid wordt verhoogd;
    • de in het dak gebruikte producten geen stankoverlast geven;
    • de inwendige condensatie wordt beperkt of voorkomen (damprem).

Een goed uitgevoerde dampremmende laag heeft als nadeel dat indringend lekwater niet weg kan. Ontwerp daarom compartimenten om schade te beperken (Figuur A).

Figuur A Door bij een dampremmende laag op vaste plaatsen een drempel te ontwerpen (als begrenzing van twee compartimenten) blijft ingeval van lekkage de schade in het dakbedekkingssysteem beperkt.
Werkwijze:
a. Op de door ontwerper te bepalen plaats een bitumen baan (bijvoorbeeld gebitumeerde polyestermat, VB 260 B 11 of B 14) volledig kleven op de onderconstructie.
b. Een scheidingszone aanbrengen van onbrandbare isolatie, breed circa 250 mm.
c. Deze scheiding afwerken met randstroken tot circa 70 mm op de dakbaan (a).
d. De dampremmende laag waterdicht aansluiten op de eerste aangebrachte strook. Opmerking: De dampremmende laag dient bij de randen en opstanden te worden afgezet met aparte stroken. Deze stroken dienen ook waterdicht aan te sluiten op strook c.
e. De dakisolatie nauw aansluitend op de scheidingsstrook aanbrengen.
f. Over deze zone een strook gesneden uit APP of SBS dakbanen volledig gekleefd aanbrengen (zie c). Deze strook bij randen en opstanden waterdicht aansluiten op de eerste strook van de randafwerking. Opmerking: Afhankelijk van de vorderingen van het werk mag strook f ook in twee arbeidsgangen worden aangebracht, waarbij in het hart van de onderbreking een stuiknaad wordt gemaakt.
g. De eerste laag van het dakbedekkingssysteem stuiken tegen strook f.
h. De toplaag aanbrengen in het gewenste patroon volledig gekleefd op de onderlagen (f en g).

2. Bij ontwerp van een dampremmende laag ook voorzien in een prestatiebeschrijving

Dampremmende lagen of sluitlagen krijgen vanuit het ontwerp vaak onvoldoende aandacht. Het ontwerp dient (ook) te voorzien in een prestatiebeschrijving van alle aansluitingen met deze lagen, die op een project voorkomen. Geef aan hoe men in de uitvoeringsfase bij deze aansluitingen en doorbrekingen te werk moet gaan (Figuur B). Dit geldt vooral voor dakbedekkingsconstructies waarin een dampremmende PE-folie wordt toegepast.

Figuur B Een goede aansluiting bij doorvoeren en onderbrekingen is een voorwaarde tot goed functioneren.
Werkwijze:
a. Standleiding.
b. De dampremmende laag van bitumen of PE aanbrengen en een gat uitsnijden ter grootte van de afvoeropening.
c. Een plakplaat met uitloopstuk (lood, aluminium, kunststof) met dubbele afdichting plaatsen in de standleiding. De plakplaat kleven op de dampremmende laag en bevestigen in de onderconstructie.
d. De plakplaat afwerken met een zelfklevend plakstuk bitumen.

ACHTERGROND

Een dampremmende laag (ook wel sluitlaag genoemd) in een (warm-) dakbedekkings-constructie zorgt ervoor - althans bij onberispelijke uitvoering - ; dat waterdamp uitsluitend door diffusie in de dakbedekkings-constructie kan dringen. In de praktijk blijkt er echter vaak tóch extra waterdampaanbod op te treden door convectie (stroming via perforaties, niet-verkleefde overlappen en aansluitingen). Bij uitvoeringsinspecties blijkt vaak dat de dampremmende laag onvoldoende aandacht heeft gekregen, zowel van de ontwerper, die vaak volstaat met een lijntje op de tekening, als bij de uitvoerende partij.

AANDACHTSPUNTEN

  • Pas bij een PE-folie op ruwe onderconstructies altijd een scheidingslaag (bijvoorbeeld polyestermat) toe.
  • Ontwerp bij doorvoeren en afvoeren ook een plakplaataansluiting voor de dampremmende laag (Figuur B).
  • Denk aan de aansluitingswijze ingeval van een achteraf geplaatste doorvoer.
  • Voorkom beschadigingen tijdens de uitvoering.
  • Een goed uitgevoerde dampremmende laag heeft als nadeel dat indringend lekwater niet weg kan. Ontwerp daarom compartimenten om schade te beperken (Figuur B).
  • Controleer een dampremmende laag op correcte uitvoering van de onderlinge naden en aansluitingen.
  • In sommige constructies zou een dampremmende laag in principe achterwege mogen blijven, bijvoorbeeld op een onderconstructie van geprofileerde stalen dakplaten boven een bedrijfsruimte. Maar als de bedrijfsruimte later een verblijfsruimte wordt, kan er te veel inwendige condensatie gaan optreden.
  • Gebruik dit Informatieblad naast SBR-referentie- en comfortdetails, waarin een dampremmende laag is aangegeven.

OVERIGE INFORMATIE

  • BDA Dakboekje 2000, hoofdstuk Dampremmende lagen en sluitlagen, pagina 87 t/m 100
  • Handboek Daken, hoofdstuk C 3000, Dampremmende en sluitlagen
  • Van den Hout, A.F. 'Dampremmende laag als extra veiligheid': Bouwwereld nr. 14, 10 juli 1992 (Dakdetail 47) en 'Compartimentering van warm-dakconstructies: Bouwwereld nr. 11, 1 juni 1990 (Dakdetail 41)