0

Duurzame Monumentenzorg (DuMo) - 451

Een gebouw waaraan veel belangrijke monumentwaarden zijn te onderkennen, laat maar zeer beperkt ingrepen toe. Een monument waarvan de waarden meer betrekkelijk zijn of waarbij slechts enkele specifieke aspecten, elementen of bouwdelen cultuurhistorisch waardevol zijn, kan meer ingrepen en aanpassingen hebben zonder waardeninflatie. Simpel gesteld bepaalt dus de mate van aanpasbaarheid en veranderbaarheid van het monument hoever we met duurzaamheidsmaatregelen kunnen gaan.

Het DuMo-profiel is de samenstelling van de Du-index en de Mo-coëfficiënt; dat betekent dat het de combinatie is van enerzijds de monumentwaardigheid en anderzijds de duurzaamheid. Doel van het DuMo-profiel is om een aansluiting te krijgen bij de GreenCalc+ systematiek en zodoende ook monumenten te kunnen beoordelen op hun duurzaamheid.

OPLOSSINGRICHTINGEN

De verschillende strategieën voor een duurzame aanpak van monumenten en andere historische gebouwen zijn te onderscheiden in een aantal basisprincipes die uitgangspunt zouden moeten zijn bij iedere ingreep aan, in of bij een monument of een ander historisch gebouw. Daarnaast zijn er zes duurzaamheidsthema’s die, afhankelijk van het object en het project, een rol kunnen spelen bij het doorvoeren van maatregelen; elk van die zes thema’s omvat enkele strategieën. Het strategieënoverzicht voor Duurzame Monumentenzorg ziet er daarmee als volgt uit.

Basisstrategieën
Deze strategieën moeten altijd uitgangspunt zijn voor de aanpak van historische gebouwen. Kern daarvan is dat het historische gebouw in zijn eigenaardigheden goed gekend en doorgrond wordt, zodat het in zijn karakteristieken en (historische) prestatiemogelijkheden wordt gerespecteerd en benut.

Strategie 1: Traditionele prestaties
Strategie 2: Minimale ingrepen
Strategie 3: Reversibiliteit
Strategie 4: Passend gebruik
Strategie 5: Aangepaste comforteisen

Thema: Materiaal
Hier gaat het om zuinige omgang met grondstoffen, zo veel mogelijk gebruik maken van nagroeibare materialen of bulkgrondstoffen, hergebruik van bestaande bouwelementen en oude bouwmaterialen en het verlengen van levensduur van bouwdelen.

Strategie 6: Hergebruik van materialen
Strategie 7: Traditionele of milieubewuste materialen

Thema: Energie
Motto hierbij is: hoe het energiegebruik te beperken. Daarbij gaat het om energiebesparing bij klimatisering (verwarming, koeling en vochtregulatie) en elektriciteitsgebruik en om het voorzien in de resterende energiebehoefte, zo mogelijk uit duurzame bronnen.

Strategie 8: Aangrenzende, onverwarmde ruimten (AOR)
Strategie 9: Nieuwe installaties
Strategie 10: Na-isolatie

Thema: Water
Doel is terughoudend zijn met drinkwatergebruik, indien mogelijk andere waterkwaliteiten benutten, regenwater opvangen en gebruiken of infiltreren.

Strategie 11: Gebruik of infiltratie van regenwater
Strategie 12: Drinkwaterbesparende maatregelen

Thema: Binnenmilieu
Hier gaat het om het benutten van overmaat aan ruimte die historische gebouwen vaak leveren en om het zorgen voor goede, gezonde luchtkwaliteit in het gebouw.

Strategie 13: Uitbuiten van hoge ruimten
Strategie 14: Beperken van schadelijke emissies

Thema: Beheer
Duurzame omgang met het gebouw, al of niet na restauratie en herbestemming, waarbij de rol van het gebouw als biotoop voor planten en dieren en de betrokkenheid en zorgzaamheid van de gebruiker bij en voor het duurzame gebouw van belang zijn.

Strategie 15: Bescherming van planten en dieren
Strategie 16: Gebruikersvoorlichting
Strategie 17: Regelmatig onderhoud

Thema: Ontwerp
Deze strategieën betreffen het planstadium van een initiatief voor duurzame aanpak – consolidatie, restauratie, renovatie, uit- of inbreiding – van het historische gebouw; hoe zijn duurzaamheid en cultuurwaarden van het gebouw bij de beoogde ingreep optimaal op elkaar af te stemmen?

Strategie 18: Interactie Du en Mo
Strategie 19: Afweging van verschillende belangen
Strategie 20: Afstemming restauratiestrategie op DuMo-profiel

Deze 20 strategieën geven concreet inhoud aan het duurzaam in stand houden van monumenten. Maar omdat ieder monument weer anders is, biedt geen enkele strategie oplossingen die het in alle gevallen zullen doen. Standaardoplossingen werken nu eenmaal niet in historische gebouwen; de variatie in typen historische gebouwen naar aard en technische opzet en de verscheidenheid aan duurzaamheids- en herbestemmingsambities zijn zo talrijk en groot dat een kant-en-klare aanpak niet past. De strategieën geven echter belangrijke aandachtspunten en wijzen oplossingsrichtingen aan. Vervolgens levert de afweging van iedere situatie afzonderlijk de in dat geval beste aanpak op. En beste betekent daarin, dat zowel het monument als het milieu met die aanpak gediend zijn.

ACHTERGROND INFORMATIE

Monument- of cultuurwaarden: de Mo-coëfficiënt
In de DuMo-methode wordt de beperking die het monument door zijn status stelt aan het fysiek aanpassen ten behoeve van duurzaamheid gecompenseerd door de aan het monument te onderkennen cultuurwaarden, mits deze ook daadwerkelijk behouden blijven. Deze cultuurwaarden bepalen door hun omvang en betekenis ook de mate van compensatie; zij doen dat via de Mo-coëfficiënt in de berekening (Du x Mo = DuMo). Een aanvaardbare of zelfs goede DuMo-prestatie is hierdoor voor de meeste monumenten mogelijk.

De Du-index, waarmee de duurzaamheidsprestatie in getalvorm wordt uitgedrukt, is bij verschillende monumenten daardoor aan een monumentspecifiek maximum gebonden. Om nu toch een goede DuMo-score in het betreffende monument te kunnen bereiken, wordt de duurzaamheidsprestatie – Du-index – vermenigvuldigd met een factor die groter is naarmate de veranderbaarheid kleiner ofwel de onaanraakbaarheid van het monument groter is. Deze factor is de Mo-coëfficiënt. Hoe hoger de monumentwaarden van het gebouw, hoe onaanraakbaarder het is en hoe groter de Mo-coëfficiënt.

De Mo-coëfficiënt is van belang om te weten hoe zwaar moet worden ingezet op duurzaam bouwen. Een monument met een geringe mate van aanraakbaarheid, waar dus weinig fysieke ingrepen mogelijk zijn, zal een hoge Mo-coëfficiënt krijgen. Een gebouw met een hoge aanraakbaarheid, krijgt een lage Mo-coëfficiënt, waardoor er meer duurzaamheidsmaatregelen genomen moeten worden om een hoge DuMo-score te bereiken. Uitgangspunt is dat de Mo-coëfficiënt vóór de restauratie wordt bepaald – dus vóór men gaat breken, slopen, verbouwen etc., maar liefst ook vóór men zijn DuMo-ambities al een bepaalde koers geeft.

Figuur 1 Watertoren te Hazerswoude uit 1891, in 2002 herbestemd tot kantoor, waarbij gebruik kon worden gemaakt van de in uitstekende staat verkerende materialen – beton, staal, metselwerk – en techniek van het oude werk.

Bepaling van de Mo-coëfficiënt gebeurt in een expertiseronde door een bouw- of architectuurhistoricus. Bij die ronde worden de cultuurwaarden van het monument expliciet gemaakt en wordt hun gewicht bepaald. Het gebouw wordt daartoe in- en uitwendig geïnspecteerd. Daarnaast raadpleegt de bouwhistoricus de voorhanden bouwhistorische informatie over het object.

Aanraakbaarheidscategorie Mo-coëff. Omschrijving Ingreepniveau/-aanraakbaarheid Voorbeeld
A
museaal-documentair
2 - 3 Monumenten waarbij onveranderde instandhouding van de hoofdstructuur tot en met het historische afwerkingsdetail vooropstaat. De functionaliteit is volstrekt dienstbaar aan de historische opzet van het object en zijn onderdelen. Het gebouw bepaalt zelf in hoge mate welke functie het heeft of kan hebben. De karakteristiek van het object is primair museaal-documentair. Ingrijpen staat nagenoeg geheel ten dienste van behoud van cultuurwaarden. Functionele aanpassingen zijn nagenoeg volledig ondergeschikt aan behoud van historische waarden. Publiekstoegankelijkheid en conservering van materie zijn de belangrijkste ingreepgronden. De ingreepwijze is dan maximaal dienstbaar aan cultuurbehoud.
  • St. Hubertus Jachtslot, Hoenderloo *
  • Villa Sonneveld, Rotterdam *
  • Czaar Peterhuisje, Zaandam *
  • Snouck van Loosenhuis, Enkhuizen
  • Huis Trompenburg, ‘s-Graveland
  • Cruquiusgemaal, Cruquius *
  • Veel ruïnes
B
museaal-functioneel
1,5 - 2 Monumenten waarbij instandhouding van de hoofdstructuur tot en met het historische afwerkingsdetail vooropstaat, maar waarbij door hun aard en bestemming voor huisvesting van functies, bepaalde functionele aanpassingen mogelijk zijn. De karakteristiek is museaal-functioneel. Ingrijpen staat ten dienste van behoud van cultuurwaarden. Daarbij zijn functionele aanpassingen onder strikte condities mogelijk. De aan te treffen cultuurwaarden zijn van hoog gehalte, er zijn echter ook elementen/bouwdelen waar relatief ruime ingreepmogelijkheden zijn.
  • Paleis op de Dam, Amsterdam
  • Duitse Ambassade, Den Haag *
  • Kasteel Slangenburg, Doetinchem
  • Mauritshuis, Den Haag
  • Museum Paleis Het Loo, Apeldoorn *
  • Van Nellefabriek, Rotterdam
  • Rijksmuseum, Amsterdam
C
monumentaal-flexibel
1 - 1,5 Monumenten waarbij instandhouding gericht is op behoud van hoofdstructuur, bouwdelen met hun afwerking en op functionele vitaliteit. Zij kennen van nature een flexibel gebruik, hun bestaansgeschiedenis is er een van bouwkundige veranderingen, in- en uitbreidingen die niet steeds bijdroegen aan de cultuurwaarden van het object. Nieuwe aanpassingen zijn ook nu dus mogelijk. De karakteristiek is monumentaal-flexibel. Ingrijpen en aanpassen in heden en verleden kenmerkt het object. De aanpassing is binnen de randvoorwaarde van cultuurbehoud dienstbaar aan de functionele prestatie.

Een C-gebouw kan onderdelen bevatten met een aanraakbaarheidscategorie A of B.
  • St. Vituskerk, Bussum*
  • Arsenaal, Naarden *
  • Het doorsnee woonhuis-monument
  • Vele tot kantoor geworden huizen en gebouwen
  • Herbestemde gashouders, silo’s etc.
  • Veel bouwkundig industrieel erfgoed
X
(a, b of c) met cultureel perspectief
1 - 3 (Nog) niet beschermd gebouwd erfgoed met redelijk tot gaaf bewaarde oorspronkelijke opzet.

De karakteristiek is met cultureel perspectief.
Vrij, maar steeds gericht op behoud waarden.

Ook bij een X-gebouw zijn A-, B of C-aanraakbaarheden te noteren
  • Watertoren, Bussum *
  • Volkshuisvesting ca. 1900 en later
  • Veel industriële objecten
  • Flink deel van bebouwing binnen beschermde stads- en dorpsgezichten

Figuur 2 Het Zaanse Czaar Peterhuisje heeft een stenen ombouw uit 1895 die tot het beschermde monument behoort. De aanraakbaarheidscategorie A geldt dus ook voor deze ombouw. Maar men heeft terecht geoordeeld dat deze ‘jas’ om het zeventiende-eeuwse huisje van Peter de Grote goed warm moet zijn. De grote vensters hebben dan ook ooit dubbel glas gekregen. Daarmee hebben de ramen geen A-status meer maar B of C. Als er nog efficiënter isolatieglas op de markt komt kan dit A-monument daar dan toch mee worden bezet.

AANDACHTSPUNTEN

Het resultaat van het DuMo-instrument is het zogenaamde DuMo-profiel, samengesteld uit een Du-index en een Mo-coëfficiënt. Net als in GreenCalc+ wordt er voor de Du-index een onderscheid gemaakt in de duurzaamheidsthema’s energie, materialen en water. De thema’s binnenmilieu en beheer zijn hieraan toegevoegd om zo veel mogelijk recht te doen aan de bijzondere eigenschappen van monumenten. Deze twee thema’s zijn alleen informatief en hebben geen directe invloed op de Du-index.

Het DuMo-rekeninstrument is net als het rekenmodel GreenCalc+ gebaseerd op de vergelijking met een referentiegebouw. Ten opzichte van een uitgebreide berekening met het rekenmodel GreenCalc+ is de berekening met het DuMo-rekenmodel slechts indicatief. Toch levert dit DuMo-rekenmodel een goed beeld van de potenties die het betreffende pand biedt voor een duurzaam concept.

Figuur 3.

OVERIGE INFORMATIE

Reacties

Nog geen reacties

Reageer

Waardeer dit infoblad