0

Gebalanceerde ventilatie; Algemene aandachtspunten - 001

Het zodanig geïntegreerd ontwerpen van een gebouw met bijbehorende gebalanceerde ventilatie (met warmteterugwinning) en het zodanig uitvoeren van het ventilatiesysteem dat teleurstelling en klachten worden voorkomen.

OPLOSSINGSRICHTINGEN

1. Aandacht voor het kanalenstelsel (ontwerp en uitvoering)

Ontwerp

Gewenst is een zo kort en eenvoudig mogelijk verloop van het kanalenstelsel.

  • Rechthoekige instortkanalen worden vaak toegepast. Deze hebben meestal een afmeting van 80x180/200/240 mm - een maat die past tussen de wapening van betonvloeren. Ook ronde of ovale kanalen met verschillende diameters kunnen worden toegepast.
  • Flexibele slangen moeten zoveel mogelijk vermeden worden.Flexibele slangen om het geluid en trilling tegen te gaan, lengte is afhankelijk van de capaciteit. Maak ze niet langer dan 1,5 meter bji 400 m/h (zie ook het Informatieblad Geluid en trillingen bij gebalanceerde ventilatie tegengaan). Bochten moeten onder een hoek van maximaal 45 graden worden aangebracht. Houd er rekening mee dat de weerstand van een flexibel kanaal ongeveer vijf maal groter is dan die van een vergelijkbaar vast kanaal.
  • Verwijdingen en vernauwingen de verhouding tussen de grootste en kleinste diameter mag ten hoogste 1,5 bedragen.
  • Detaillering geef in de details aan dat de toevoer- en afvoerpijpen van het ventilatiesysteem dampdicht moeten worden geïsoleerd.

Uitvoering

  • Bescherm de ventilatiekanalen tijdens het storten (Figuur A).

    Figuur A. Beschermkap op het ventilatiekanaal. Het staal dient ervoor om opdrijven van het kanaal tijdens de stort te voorkomen.

  • Werk de binnenzijde van de bouwkundige kanalen glad af en vermijd onnodige oneffenheden, zoals baarden.
  • Ontdoe kanalen en hulpstukken nog vóór de montage van verontreinigingen, scherpe kanten en bramen.
  • Montage: Het kanalensysteem met metalen beugels bevestigen; maximale afstand tussen de beugels: 2 m. Geluiddempers en flexibele kanalen dienen strak gemonteerd te worden. Het materiaal van flexibele slangen mag niet naar binnen zijn gevouwen; zie Figuur B.

    Figuur B. Correct en foutief gemonteerd flexibel kanaal.

  • Zorg voor dampdichte thermische isolatie van de toevoer- en afvoerpijpen van het ventilatiesysteem (Figuur C).

    Figuur C. Afvoer van een gebalanceerd ventilatiesysteem.

2. Aandacht voor luchtdichtheid (ontwerp en uitvoering)

Ontwerp

  • Luchtlekkage (en daarmee onnodig energieverlies) treedt gewoonlijk vooral op bij dakaansluiting, dakdoorvoeren (Figuur C) en kozijnaansluitingen - tenzij deze goed luchtdicht zijn.
  • In NEN 2687 worden eisen gesteld aan de luchtdichtheid van woningen. De norm geeft maximale waarden in dm3/s voor een luchtvolumestroom bij 10 pascal (qv10-waarde), afhankelijk van het woningvolume. Bij een gebalanceerd ventilatiesysteem worden hogere eisen gesteld aan de luchtdichtheid van de woning, dan bij een woning met natuurlijke toevoer en mechanische afvoer van ventilatielucht. (Zie het Informatieblad Bepaling invoerwaarde luchtdoorlatendheid voor EPC-berekening.)

Uitvoering

  • Alle verbindingen in het kanalenstelsel luchtdicht afwerken door middel van tape of afdichtingsringen die fabrieksmatig op de hulpstukken zijn aangebracht.
  • Let daarbij ook op de afdichting bij roosters en afzuigventielen.
  • Voor een maatvaste (luchtdichte) aansluiting op de dakdoorvoer is een ellipsvormige afwerkplaat met manchet vereist. Breng deze plaat pas aan na het monteren van de dakdoorvoer (raadpleeg verder het Informatieblad Doorvoeren van hellende daken luchtdicht maken).
3. Aandacht voor speciale kwesties

Het betreft trillingen/geluid, comfort, inregelen, onderhoud en gebruik. Zie daarvoor de andere Informatiebladen over gebalanceerde ventilatie.

ACHTERGROND INFORMATIE

Sinds de verlaging van de energieprestatiecoëfficiënt in januari 2000 worden woningen steeds vaker uitgevoerd met een gebalanceerd ventilatiesysteem met warmteterugwinning (tegenwoordig in de vorm van een tegenstroomwisselaar; met een rendement van ca. 95%). Kostentechnisch is dit een gangbare maatregel om te voldoen aan een energieprestatiecoëfficiënt van 0,8. Voor het goed functioneren van zo'n ventilatiesysteem zijn een aantal ontwerp- en uitvoeringsaspecten van cruciaal belang. Zo dient vanuit het oogpunt van energiebesparing overbodig warmteverlies via luchtlekkage te worden te voorkomen.

AANDACHTSPUNTEN

  • Plaats geen roosters vlakbij een hoek - om vervuiling van de wand te voorkomen.
  • Plaats wandroosters op minimaal 0,3 m vanaf het plafond om vervuiling van het plafond te voorkomen.
  • Zorg voor voldoende ventilatie-openingen tussen vertrekken (spleten onder en boven deuren).
  • Plaats de dakafvoer bij voorkeur dichtbij de nok, tenminste 0,5 m boven het hoogste punt van het dak, en niet in de directe omgeving van een toevoeropening voor ventilatielucht (zie ISSO 62 aanvulling 2008). Dit om menging van toevoerlucht met afvoerlucht of verbrandingsgassen te voorkomen. Om menging van aangevoerde lucht met afgevoerde lucht te beperken, stelt het Bouwbesluit 2003 (art. 3.52 en art. 3.83) eisen aan de verdunningsfactor (f-waarde).

Reacties

Nog geen reacties

Reageer

Waardeer dit infoblad