0

Geluidbelasting op gevels van gebouwen - 384

Het bepalen van de geluidbelasting op gebouwen door weg- en railverkeer of door industrie.

OPLOSSINGRICHTINGEN

1. Geluidgevoelige gebouwen
De Wet geluidhinder kent het begrip ‘geluidgevoelige bestemming’. Dat kan zowel een gebouw als een terrein zijn. Dit infoblad gaat echter uitsluitend over gebouwen.
Voorbeelden van geluidgevoelige gebouwen zijn: woningen, scholen, ziekenhuizen en verzorgingstehuizen. Voorbeelden van niet-geluidgevoelige gebouwen zijn: horecagelegenheden, hotels, woonboten, campings, vakantiewoningen en kantoren. Bij niet-geluidgevoelige gebouwen worden geen eisen gesteld aan de geluidbelasting op de gevel en bij geluidgevoelige gebouwen wel.
2. Wettelijk kader
Om het omgevingslawaai te kunnen bestrijden geeft de Wet geluidhinder een aantal zones aan langs wegen, spoorwegen en rondom industrieterreinen. Deze wettelijke zones zijn zodanig bepaald dat er buiten een zone over het algemeen geen geluidniveaus voorkomen van meer dan de voorkeursgrenswaarde.
De Wet geluidhinder geeft zowel de voorkeurswaarde als de uiterste grenswaarde voor het geluidniveau op de gevels van geluidgevoelige gebouwen. De hoogte van de (voorkeurs)grenswaarde hangt onder meer af van het type lawaai, de functie van het gebouw, de situatie (bestaande bouw of nieuwbouw) en van de ligging (binnen of buiten een stedelijk gebied).
Wanneer er plannen zijn voor het bouwen van geluidgevoelige gebouwen binnen een aangegeven geluidzone, moet worden aangetoond dat de voorkeursgrenswaarde niet wordt overschreden. In het geval de geluidbelasting ligt tussen de voorkeurswaarde en de uiterste grenswaarde moeten maatregelen worden getroffen (zie onder 4. Maatregelen). Wanneer de uiterste grenswaarde wordt overschreden, is bebouwing volgens het voorgestelde plan niet mogelijk.

Onderstaande tabel geeft een voorbeeld van de grenswaarden voor nieuwbouwwoningen in een binnenstedelijk gebied. Voor de overige grenswaarden wordt verwezen naar de Wet geluidhinder.

Type omgevingslawaai Voorkeurs-grenswaarde Uiterste grenswaarde
Wegverkeer 48 dB 63 dB
Railverkeer 55 dB 68 dB
Industrie 50 dB(A) 55 dB(A)
3. Berekeningswijze geluidbelasting
De geluidbelasting door wegverkeer, railverkeer of door industrie moet worden berekend volgens het Reken- en meetvoorschrift geluidhinder 2006. Dit voorschrift kent twee berekeningsmethoden. Voor eenvoudige situaties kan de berekening worden uitgevoerd volgens methode I. Vaak echter is de situatie gecompliceerder en is methode II van toepassing.

Weg- en railverkeer
Voor zowel het wegverkeer als het railverkeer wordt met de voorgeschreven rekenmethode een waarde voor Lden berekend, uitgedrukt in dB. Voor de bepaling van Lden wordt een etmaal verdeeld in drie perioden:
dag 07.00 - 19.00 uur
avond 19.00 - 23.00 uur
nacht 23.00 - 07.00 uur

Mensen vinden omgevingsgeluiden in de nacht en avond hinderlijker dan overdag. Dit feit is verdisconteerd in de berekening: Lden is een soort ‘energetisch’ gemiddelde van de drie perioden. Dit betekent dat elke periode wordt meegewogen.

Industrie
Voor industrielawaai wordt met de voorgeschreven rekenmethode een etmaalwaarde Letmaal berekend, uitgedrukt in dB(A). Bij deze rekenmethode wordt – overeenkomstig de berekeningsmethode voor het weg- en railverkeerslawaai – een etmaal ingedeeld in een dag-, avond- en nachtperiode. Ook hier is in de berekening verdisconteerd dat mensen geluiden uit de omgeving in de nacht en avond het meest hinderlijk ervaren. Bij Letmaal is de meest ongunstige waarde van de drie perioden maatgevend.
4. Maatregelen
Om de geluidbelasting te verminderen, zijn de volgende opties mogelijk:
  • maatregelen bij de bron of bij het overdrachtsgebied;
  • ontheffing;
  • maatregelen bij de ontvanger.
Maatregelen bij bron of overdrachtsgebied
Bronbestrijding heeft de eerste prioriteit, omdat de genomen maatregel dan het meest effectief is. Denk hierbij bijvoorbeeld aan het opstellen van stillere machines bij bedrijven, aan het verlagen van de snelheid van het verkeer of aan het aanbrengen van stiller wegdek.
Maatregelen in het overdrachtsgebied zijn meestal van planologische aard, zoals het aanbrengen van schermen of het afschermen van het lawaai door het plaatsen van geluidongevoelige objecten dicht bij de ‘geluidbron’.

Bronbestrijding heeft de eerste prioriteit, omdat de genomen maatregel dan het meest effectief is. Een voorbeeld is het aanbrengen van een stiller wegdek, zoals zoab.

Ontheffing
Het bevoegd gezag kan op verzoek een hogere waarde dan de voorkeursgrenswaarde vaststellen, wanneer aan de volgende twee voorwaarden is voldaan:
  • de geluidbelasting ligt tussen de voorkeursgrenswaarde en de uiterste grenswaarde (zie onder 3. Wettelijk kader);
  • maatregelen bij de bron of bij het overdrachtsgebied ontmoeten overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, landschappelijke of financiële aard.
Bedenk echter dat een ontheffing altijd eisen bevat waardoor het geluidniveau in de geluidgevoelige ruimten van een gebouw niet méér bedraagt dan het Bouwbesluit aangeeft. Deze eisen kunnen bijvoorbeeld betekenen dat de situering van ruimten (gebouwplattegrond) wordt aangepast of dat voorzieningen aan de gevel moeten worden getroffen. Het uitgangspunt blijft altijd dat in het gebouw een aanvaardbaar leefklimaat ontstaat voor de gebruikers.

Maatregelen bij de ontvanger
Maatregelen bij de bron of het overdrachtsgebied kunnen niet uitvoerbaar of toereikend zijn, waardoor de uiterste grenswaarde wordt overschreden. In dat geval moeten de gevels worden uitgevoerd als zogenaamde ‘dove’ gevels. Gevels van verblijfsruimten mogen dan geen te openen delen (bijvoorbeeld ramen) hebben. Het Bouwbesluit stelt eisen aan het maximale geluidniveau in geluidgevoelige ruimten aan de binnenzijde van gebouwen. Voor woningen en woongebouwen betekent dit een maximaal geluidniveau van 33 dB voor wegverkeers- en railverkeerslawaai en 35 dB(A) voor industrielawaai.

ACHTERGROND INFORMATIE

De overheid stelt eisen aan de geluidbelasting op gevels en daken van woningen en van andere geluidgevoelige gebouwen. Dit betekent dat er vaak extra geluidwerende maatregelen nodig zijn om de gebruikers te beschermen tegen geluid van buiten. De reden is dat (te) hoge geluidniveaus kunnen leiden tot (ernstige) gezondheidsklachten. Om de kans op geluidproblemen zoveel mogelijk te beperken stelt de overheid eisen aan:
  • het maximale geluidniveau op gevels door omgevingslawaai;
  • de minimale geluidwering van gevels (uitgedrukt als GA,k);
  • het maximale geluidniveau in verblijfsgebieden van geluidgevoelige gebouwen.
De planologische akoestiek houdt zich onder meer bezig met het in kaart brengen van de geluidcontouren veroorzaakt door lawaai door bijvoorbeeld wegverkeer, railverkeer of de industrie. Op basis van deze geluidcontouren kan de geluidbelasting op een gevel worden vastgesteld.

AANDACHTSPUNTEN

  • Naast de Wet geluidhinder zijn er nog andere wetten die zich richten op het bestrijden van lawaai. Deze worden in dit infoblad niet behandeld.
  • Per 1 januari 2007 is de Wet geluidhinder gewijzigd en is een nieuwe beoordelingsmaat Lden geïntroduceerd voor weg- en railverkeerslawaai, uitgedrukt in dB (‘den’ betekent: day-evening-night). Deze nieuwe maat kan naast de oude beoordelingsmaat Letmaal, uitgedrukt in dB(A), voorkomen. Voor industrielawaai is de beoordelingsmaat Letmaal, uitgedrukt in dB(A), ongewijzigd gebleven.

OVERIGE INFORMATIE

  • Wet geluidhinder;
  • SBR Infoblad 385 ‘Geluidwering gevels (GA,k)’
  • Reken- en meetvoorschrift geluidhinder 2006.