0

Geluidshinder mechanische ventilatie beperken - 263

Het zodanig ontwerpen en afregelen van een mechanisch ventilatiesysteem dat geluidshinder binnen de eigen woning wordt beperkt.

OPLOSSINGSRICHTINGEN

Vier oplossingen
  1. Kies een ventilator met gelijkstroommotor en laag vermogen.
  2. Breng slangdempers aan.
  3. Regel het systeem goed af.
  4. Plaats de ventilatie-unit in een afgesloten ruimte.

1. Kies ventilator met gelijkstroommotor en laag vermogen
Een ventilator met gelijkstroommotor, in plaats van de gebruikelijke wisselstroommotor, brengt het geluidsniveau terug met 4 tot 5 dB(A) (zie literatuur; project 2 en 4).

Ventilatoren met een zo laag mogelijk elektrisch en/of akoestisch vermogen hebben de voorkeur. Over het algemeen geldt: hoe minder het elektrische vermogen, hoe minder vermogen er in geluid kan worden omgezet.

2. Breng slangdempers aan
Flexibele akoestische slangdempers brengen het geluidsniveau verder terug. Zelfs een gebalanceerd ventilatiesysteem kan daarmee voldoen aan LI;A = 30 dB(A) (zie literatuur, project 5). Slangdempers moeten zo dicht mogelijk bij de ventilator zitten, dus liefst tussen de ventilator en de aansluiting op het ventilatiekanaal.

De slangdempers moeten zowel op de toe- als afvoer naar de woning worden aangebracht. Deze slangen hebben een uitwendige diameter van 250 tot 300 mm. Ze leveren een demping van ongeveer 10 dB(A) per strekkende meter als de binnenzijde is bekleed met 50 mm minerale wol. Voor bijvoorbeeld een systeem met een geluidsniveau van 43 dB(A) is dus minstens 1,3 meter akoestische slang nodig. Slangdempers kunnen bijvoorbeeld worden aangebracht in verlaagde plafonds in onbenoemde ruimten, zoals de overloop.

Hier zijn de flexibele akoestische slangen te kort. Ook het horizontale deel moet geheel als akoestische slang worden uitgevoerd.

Bij houtskeletbouw zijn akoestische slangen gemakkelijk weg te werken in verdiepingsvloeren. Bij betonnen vloeren kan dat in een verlaagd plafond in de overloop.

3. Regel het systeem goed af
Het is onverstandig de ventilator op vol vermogen te zetten en de volumestromen terug te regelen met de ventielen. Zo ontstaan bij de ventielen onnodige stromingsgeluiden. Het geluidsniveau kan dan gemakkelijk 10 tot 15 dB(A) hoger zijn dan LI;A = 30 dB(A).

Het is beter om de ventielen in te stellen op de volumestromen zoals staan aangegeven op de ventielen zelf. Stel vervolgens de ventilator zo in dat deze de gewenste volumestromen levert, op een zo laag mogelijk toerental.

4. Plaats de ventilatie-unit in een afgesloten ruimte
Plaatsing van de ventilator in een technische ruimte vermindert de hinder in verblijfsruimten in de buurt van de ventilatie-unit. Bevestig de ventilator bijvoorbeeld aan wanden zwaarder dan 400 kg/m2, of flexibel aan lichte wanden.

ACHTERGROND

Het Bouwbesluit stelt geen eisen aan het geluid afkomstig van installaties in de eigen woning. Als een apparaat overlast geeft, kunnen de bewoners het zelf uitschakelen, is de redenering. Maar dan moeten zij onvoldoende ventilatie, verwarming, enzovoort, op de koop toe nemen.

In arbitragezaken wordt wel gebruik gemaakt van een algemeen artikel dat stelt dat de onderdelen van de woning geschikt moeten zijn voor het doel waarvoor zij zijn gemaakt. Een apparaat dat te veel geluid maakt, en daardoor niet goed kan worden gebruikt, voldoet daaraan niet. Een voorbeeld van een algemene eis aan geluidsniveau van eigen installaties is reeds opgenomen in de ABC-lijst van woningborg.

Vooral geluid van de mechanische ventilatie leidt regelmatig tot klachten. Om klachten te beperken, kan worden uitgegaan van de eisen uit NEN 1070:1999 ‘Geluidwering in gebouwen - Specificatie en beoordeling van de kwaliteit’ met geluidskwaliteitscijfer k=3. Dit is hetzelfde niveau als het Bouwbesluit aanhoudt voor de lucht- en de contactgeluidisolatie tussen woningen. Dit betekent dat het mechanische ventilatie een geluidsniveau (LI;A ) in een verblijfsruimte van 30 dB(A) niet mag overschrijden.

Mechanische ventilatie met een standaard wisselstroommotor voor de ventilator levert in de keuken en woonkamer waarden van ongeveer 41 tot 43 dB(A). Dit is meer dan 10 dB(A) boven de eis uit NEN 1070:1999 voor k= 3 (zie project 2 en 3).

Bij gebalanceerde ventilatiesystemen met een warmteterugwin-unit (WTW) wordt in de regel nog een extra derde ventilator geplaatst. Zonder extra maatregelen lopen de geluidsniveaus in alle verblijfsruimten dan gemakkelijk op naar 43 tot 48 dB(A).