0

Houten vloerafwerking; vloerverwarming - 154

Het voorkomen van schade door zwellen en krimpen van een houten vloerafwerking (zoals parket), veroorzaakt door vloerverwarming.

OPLOSSINGSRICHTINGEN

1. Materiaalkeuze en opbouw van de vloer

De houten vloerafwerkingen mag hoogstens 18 mm dik zijn. De warmteweerstand van de vloerafwerking zelf mag hoogstens 0,15 (m2.K)/W bedragen. Anders wordt de warmteoverdracht van het oppervlak te laag. Als de vloerverwarming in de dekvloer ligt, kan geen warmte-isolerende tussenvloer worden toegepast. Materialen die contactgeluid isoleren, hebben ook min of meer warmte-isolerende eigenschappen. Vloerverwarming wordt normaliter in een zwevende dekvloer opgenomen.

2. Ligging/bevestinging van verwarmingsleidingen

Figuur 1. Vloeren op vloerverwarming.

A - houten vloerafwerking;
B - parketlijm, (of een dunne niet isolerende tussenlaag bij zwevende vloerafwerking);
C - dekvloer (cement- of calciumsulfaatgebonden);
D - wapenings- ofwel montagenet
E - leidingen voor vloerverwarming. Onderlinge afstand hoogstens 200 mm; tot 300 mm bij een watertemperatuur tot 45 °C. Dekking boven de leidingen minstens 40 mm. Leidingen goed vastzetten met bevestigingen hart-op-hart hoogstens 500 mm;
F - isolatie;
G - draagvloer.

  • Plaats kritische delen (zoals een verdeler) niet in een zwaar belast deel van de vloer.
  • Kruisende leidingen zijn niet toegestaan.
  • Volg de aanbevelingen van de fabrikant op.

Elektrische vloerverwarming
Zwakstroom-elektrische verwarmingen worden gewoonlijk aangebracht in een dikke dekvloer of in microbeton. De warmteaccumulatie daarvan wordt gebruikt om te kunnen profiteren van lagere elektriciteitstarieven gedurende de nacht. Ligging direct en plaatselijk onder de houten vloerafwerking heeft het nadeel van te grote temperatuurverschillen.

3. Vochtgehalte en ouderdom van de ondergrond
  • Een cementgebonden dekvloer moet minstens 28 dagen oud zijn, een calciumsulfaatgebonden dekvloer minstens 14 dagen.
  • Maximaal vochtgehalte van de ondergrond bij aanbrengen van de vloerafwerking: - cementgebonden dekvloer: hoogstens 1,8 % CM (België: hoogstens 2 % CM). - calciumsulfaatgebonden dekvloer: hoogstens 0,3 % CM (België: hoogstens 0,6 % CM). - spaanplaat: 5 tot 12% (massa).
4. Vloerverwarming opstoken

In Nederland ontbreken protocollen. In Duitsland wordt onder meer het volgende gebruikt. Vóór het aanbrengen van de houten vloerafwerking:

  • Het water van de vloerverwarming opwarmen tot 20 °C.
  • Gedurende vijf achtereenvolgende dagen de temperatuur van het water verhogen met telkens 5 °C per dag tot de maximale werktemperatuur van 45 °C.
  • Deze temperatuur vijf dagen vasthouden.
  • De temperatuur van het water van de vloerverwarming verlagen met 5 °C per dag tot 20 °C.
  • Bovenstaande cyclus éénmaal herhalen.
5. Aanbrengen van de vloerafwerking
  • De houten delen moeten gedurende 3 tot 7 dagen acclimatiseren onder de gebruikelijke omstandigheden van de ruimte of omgeving waar ze komen te liggen. Tijdens dit acclimatiseren mag de temperatuur niet lager zijn dan 10 °C en niet hoger dan 20 °C. De relatieve luchtvochtigheid moet tussen 45% en 60% liggen.
  • Schakel de vloerverwarming uit tijdens het aanbrengen van de houten vloerafwerking (en het eventuele voorstrijkmiddel en/of de eventuele egalisatielaag).
  • Gebruik een dispersielijm die volgens de fabrikant geschikt is voor vloerverwarming, of een polyurethaanlijm.
6. Na het aanbrengen van de houten vloerafwerking
  • Drie tot zeven dagen wachten na het aanbrengen van de houten vloerafwerking.
  • Daarna de temperatuur van het water opvoeren volgens de eerste twee punten van oplossingsrichting 4 tot de maximale watertemperatuur van 45 °C.
  • De temperatuur van de vloer mag hoogstens 20 °C bedragen.
  • Tijdens het stookseizoen de temperatuur van de vloer en het water constant houden en geen nachtverlaging toepassen.
  • Schommelingen in de temperatuur zo klein mogelijk houden en in elk geval zeer langzaam laten optreden.

ACHTERGROND

Bij afgifte van vocht neemt het volume van hout af (krimpen), bij opname van vocht neemt het volume toe (zwellen). Bij krimp ontstaan naden tussen de parketdelen. Bij uitzetting kan de vloer bol gaan staan. Zie ook het SBR-Infoblad 150 Werking van houten vloerafwerking tegengaan. Het houtvochtgehalte stelt zich bij een constante luchtvochtigheid in. Vloerverwarming veroorzaakt een temperatuurstijging in het hout, waardoor dit wordt 'gedroogd' en dus krimpt. Bij uitschakeling van de verwarming wordt het hout weer vochtiger en zwelt het.

AANDACHTSPUNTEN

  • Vloerverwarming is bij een houten vloerafwerking minder vanzelfsprekend dan bijvoorbeeld bij natuursteen of keramische tegels. De voors en tegens moeten goed worden afgewogen.
  • Dankzij de lage warmtegeleidingcoëfficiënt van hout voelt een houten vloerafwerking zonder vloerverwarming niet koud aan bij het belopen met blote voeten.
  • De temperatuur van de verwarming moet gedurende het stookseizoen constant blijven om krimp en zwelling van het hout, en daardoor scheuren, te voorkomen. Snelle en/of grote wisselingen van de temperatuur zijn niet aanvaardbaar. Daardoor kan vloerverwarming onder een houten vloerafwerking alleen dienen als 'basiswarming'. Om variaties in de warmtevraag op te vangen zijn extra voorzieningen zoals radiatoren nodig.
  • Houd de temperatuur van het hout zo constant mogelijk. Er mogen op een houten vloerafwerking met vloerverwarming geen losse tapijten worden gelegd. Ook kasten die tot onderaan gesloten zijn, hebben een isolerende werking, waardoor het hout van de vloer extra wordt opgewarmd.

OVERIGE INFORMATIE


Meer informatie over vloerverwarming:

Reacties

Nog geen reacties

Reageer

Waardeer dit infoblad