0

Koudebruggen; inventarisatie van kritische plaatsen - 064

Er oog voor krijgen op welke plaatsen in de constructie en in welke situaties gewoonlijk gemakkelijk koudebruggen ontstaan.

OPLOSSINGSRICHTINGEN

1. Inventarisatie

Een inventarisatie van de plaatsen en situaties waarin koudebruggen kunnen ontstaan.

a. Plaatsen waar de isolatie wordt doorbroken

  1. Funderingen (vooral ter plaatse van de uitwendige hoeken);
  2. Aansluiting tussen woningen en ongeïsoleerde bergruimten of trappenhuizen;
  3. Metselwerkondersteuningen;
  4. Balkons en galerijen;
  5. Dakranden

Figuur A Koudebrug gevormd door een betonnen binnen-buitenlatei.

b. Plaatsen met een lage warmteweerstand
Ter plaatse van kozijnen is de warmteweerstand doorgaans lager dan die van dichte gevelvlakken. In de aansluiting van kozijn en gevel ontstaan vaak koudebruggen.

c. Hoeken
Hoeken zijn kritisch, omdat het afkoelende buitenoppervlak van de hoeken groter is dan het binnenoppervlak (Figuur B).

Figuur B Hoeken – met name wanneer er kasten in de hoek zijn geplaatst – zijn kritisch.

d. Bouwwerken met een hoge binnenklimaatklasse
De kans op koudebruggen hangt samen met de vochtproductie in een gebouw. Voor het vaststellen van de vereiste f-factor is het van belang de binnenklimaatklasse te bepalen (Tabel C). Deze klasse duidt de gemiddelde dampdruk aan in een gebouw.

Tabel C De binnenklimaatklasse van gebouwen.

Binnenklimaat-
klasse
Gemiddelde dampdruk binnen (Pi) per jaar
in Pascal
Soort gebouw/ bouwwerk
I Geringe vochtproductie 1030 ≤ Pi < 1080 Opslagruimten
II Matige vochtproductie 1080 ≤ Pi < 1320 Kantoorgebouwen, winkels
(zonder luchtbevochtiging
in de winter)
III Normale vochtproductie 1320 ≤ Pi < 1430 Woningen, scholen,
bejaardentehuizen en
gebouwen met geringe
luchtbevochtiging in de
winter
IV Hoge vochtproductie Pi ≥ 1430 Wasserijen, zwembaden,
zuivelfabrieken

ACHTERGROND

Een koudebrug is een plek in de buitenschil waar de warmtestroom naar buiten beduidend groter is dan in de aangrenzende gedeelten er omheen. Op deze koude plaatsen zal eerder condensatie optreden. Daardoor kunnen schimmel- en vochtproblemen ontstaan.
Het optreden van condensatie hangt af van de dauwpuntstemperatuur.
Om oppervlaktecondensatie te voorkomen wordt in het Bouwbesluit artikel 3.22 een eis gesteld aan de zogeheten binnenoppervlaktetemperatuurfactor, kortweg f-factor. Deze eis voor een woonfunctie is f ≥ 0,65 en voor andere functies zoals bijeenkomst, cel, gezondheidszorg, industrie, kantoor, logies, onderwijs en sport f ≥ 0,50. Dit betekent dat de binnen-oppervlakte-temperatuur van deze gebouwen voor deze functies respectievelijk minstens 11,7 °C en 9 °C bedraagt bij een binnentemperatuur van 18 °C en een buitentemperatuur van 0 °C.

Dit moet worden bereikt door de constructie in voldoende mate te isoleren. Volledig isoleren is echter niet altijd mogelijk, omdat de isolatielagen soms door constructieve elementen doorbroken moeten worden. Voorbeelden hiervan zijn betonnen aanstortnokken en stalen oplegschoenen.

AANDACHTSPUNTEN

  • Koudebruggen zijn in principe op twee manieren te verhelpen:
    1) inpakken van de koudebrug met isolatiemateriaal;
    2) verlaging van de relatieve vochtigheid door ventilatie.
    De laatste methode geeft echter onzekere resultaten. De effectiviteit van de ventilatie-voorzieningen hangt namelijk samen met het gedrag van de bewoners of gebouwgebruikers en is moeilijk voorspelbaar. Isolatie van koudebruggen geniet dus de voorkeur.
  • Utiliteitsgebouwen met binnen een hoge relatieve vochtigheid zoals zwembaden, wasserijen en zuivelbedrijven behoren tot klimaatklasse IV (Pi ≥ 1430 Pa) maar behoeven slechts te voldoen aan de eis f ≥ 0,50. Het is raadzaam voor zulke gebouwen een hogere f-factor te hanteren. In de SBR-publicatie Schimmels de baas wordt in die situaties een f-factor van 0,73 aanbevolen.
  • Besteed in kritische situaties aandacht aan de schimmelgevoeligheid van het afwerkmateriaal. Pleisters, behang en muurverven zijn schimmelgevoelig. Met name de cellulose-bestanddelen in deze afwerklagen vormen een voedingsbodem voor schimmels.
  • De SBR-Referentiedetails Woningbouw zijn beoordeeld op de eis voor gebouwen met een woonfunctie (f ≥ 0,65). De SBR-Referentiedetails Utiliteitsbouw zijn beoordeeld op de eis voor gebouwen met een kantoorfunctie. De behaalde factor is per detail aangegeven.

Reacties

Nog geen reacties

Reageer

Waardeer dit infoblad