0

Luchtdicht bouwen; klasse 2 en 3 - 030

Het zodanig ontwerpen van luchtdichte details, dat rekening wordt gehouden met uitvoering, materiaaleigenschappen en het gebruik van het gebouw.

OPLOSSINGSRICHTINGEN

Luchtdichtheidsklassen
Luchtdicht bouwen begint bij goed ontworpen details. Door zorgvuldig te ontwerpen kunnen luchtlekken grotendeels vermeden worden. In dit infoblad zijn aandachtspunten voor de bouwtechnisch ontwerper opgenomen. In de praktijk gaat het ontwerpen van luchtdichte details niet altijd goed! Relatief grote luchtlekken in de praktijk zijn:
  • kierdichting van ramen en deuren;
  • aansluiting tussen kozijnen en gevels;
  • aansluitingen van daken op gevels en bouwmuren;
  • aansluitingen met de begane grondvloer;
  • daknokken;
  • dakdoorvoeren;
  • brievenbussen;
  • hoekaansluitingen, onderlinge aansluitingen.

Op basis van het programma van eisen (PvE) wordt een energieconcept bepaald. Met dit concept moeten de uitgangspunten met betrekking tot energiebesparing in relatie tot een gezond en comfortabel binnenklimaat worden gerealiseerd. Uit dit concept volgen de warmteweerstanden (Rc-waarden), warmtedoorgangscoëfficiënten (U-waarden), de lijnvormige warmteverliezen (Ψ-waarden), de luchtdichtheid (qv10-waarde per m2), het ventilatiesysteem en het verwarmingssysteem voor ruimteverwarming en warmtapwater. Deze basisgegevens zijn van belang voor een goed doordacht (integraal) ontwerp. Uit dit concept volgt dus de vereiste luchtdichtheidsklasse. Voor de luchtdichtheid worden sinds 2008 drie klassen onderscheiden, te weten:

  • klasse 1; basis;
  • klasse 2; goed;
  • klasse 3; uitstekend.

1. Maatregelen voor klasse 1, basis
In alle details moeten één of meer luchtdichtingen worden aangegeven. De correcte plaats van de luchtdichting is per aansluiting verschillend. Goede voorbeelden zijn de SBR-Referentiedetails. De uitgangspunten voor de plaats van de luchtdichting zijn:

  • Geef de luchtdichting in een aanslag aan.
  • Geef de luchtdichting in één vlak aan.
  • Geef de luchtdichting zover mogelijk naar binnen aan (binnenzijde isolatievlak).

Verder is het van belang de materialen te benoemen in de details waarmee de luchtdichting wordt gerealiseerd. Houd daarbij rekening met de maximaal toelaatbare vervorming (MTV).

Afdichting aansluiting gevel aan begane grondvloer EPDM rubberband. Foto: DHV.

2. Maatregelen voor klasse 2, goed (extra t.o.v. klasse 1)

  • Goed knevelende 2- en 3 puntssluitingen.
  • Manchetten (of pasta-achtige dichtingen) ter plaatse van de dak- en geveldoorvoeren.
  • Nastelbaar hang- en sluitwerk.
  • Waar mogelijk luchtdichtingen prefabriceren.

Op de bouwplaats zijn verder nodig:

  • Specifieke instructies met betrekking tot het aanbrengen van afdichtingen voor de bouwplaatsmedewerkers.
  • (Extra) kwaliteitscontrole op de bouwplaats.
  • Gerichte controle (met een opblaasproef) kort voor de oplevering van de eerste woningen.

3. Maatregelen voor klasse 3, uitstekend (extra t.o.v. klasse 2)
De hierna genoemde aandachtspunten zijn weer extra, ten opzichte van klasse goed.

  • Ga voor zekerheid: probeer risico’s op luchtlekken te verkleinen. Controleer detail voor detail.
  • Eenzijdige afgeschuinde haakschoten H&S-werk. Eventueel zelfstellende sluitkommen.
  • Waar mogelijk de naden/kieren afplakken (zoveel mogelijk aan binnenzijde). Uiteraard zijn er meerdere dichtingen mogelijk echter afplakken geeft over het algemeen meer zekerheid en is achteraf goed controleerbaar.
  • Dubbele rondgaande luchtdichtingen in de draaiende delen of een gelijkwaardigheidsverklaring voor een enkele dichting.
  • Bij beglazing rondgaande dichting toepassen (of gelijkwaardigheidsverklaring)
  • Scharnieren waarbij de binnendichting niet wordt doorbroken.
  • Kabel- en leidingdoorvoeren (buitenlichtpunten en buitenkranen): prefab manchetten gebruiken, afplakken en bij elektriciteitspijpen ook in de pijp afkitten of dichtingsdoppen gebruiken.
  • Overlappen en aansluitingen van de dampremmende laag (folie) afplakken.
  • Geen doorbrekingen dampremmende folie, gebruik zonodig een voorzetwand voor de elektra- en waterleidingen (een installatiewand).
  • Vulling in / afdichting van kanalen van kanaalplaatvloeren.
  • Gerichte controle van de aangebrachte luchtdichtingen (tijdens gevel- en daksluiting) en controlemetingen (blowerdoor-proef, eventueel in combinatie met infraroodmetingen).

Dampremmende folie aan binnenzijde van de constructie afgetaped bij aansluiting, doorvoeren en reparaties. Foto: DHV.

Ontwerpaspecten per bouwdeel
Vloeren

  • Voorkom een luchtstroom tussen de kruipruimte en de luchtspouw in de gevel. Dicht de naden tussen de begane grondvloer en de bovenzijde van de fundering af.
  • Voorkom grote luchtlekken ter plaatse van paselementen.
  • Pas prefab meterkastvloeren en kruipluiken toe.
  • Zorg voor flexibele afdichtingen tussen (stand)leidingen en de vloer.
  • Bij zwaardere eisen (bij klasse 3 verplicht en bij klasse 2 aanbevolen) ook de kanalen van de kanaalplaatvloer afdichten.

Gevels

  • Geef in verband met het correct aanbrengen van de luchtdichting voldoende (afhankelijk van de toe te passen materialen) tolerantie aan tussen spouwlat en binnenspouwblad (niet van toepassing bij vooraf geplaatste kozijnen in HSB-elementen).
  • Schrijf (met name bij gebalanceerde ventilatie) goed knevelende 2- en 3-puntssluitingen voor.
  • Geef de afdichting in een aanslag en in één vlak (zover mogelijk naar binnen) aan, zodat het mogelijk verschuiven tijdens de montage en onderbroken afdichtingen worden voorkomen.
  • Gebruik goed afsluitende brievenbussen..Bij luchtdichtheidsklasse 3 geen standaard brievenbus toepassen.
  • Zorg voor een montage-/uitvoeringsvolgorde waarbij het mogelijk is de aanwezigheid van de luchtdichting na plaatsing te kunnen controleren.

Dakconstructie

  • Breng ook hier de afdichting in een aanslag (bij de dakvoet) en in één vlak, zover mogelijk naar binnen aanbrengen.
  • Zorg voor goede rondgaande dichtingen; let hierbij met name op de aansluiting van de dichting bij de dakvoet op de dichtingen tussen de dakplaat. Dit geldt ook voor de dichting ter plaatse van de nok en bouwmuur.
  • Pas bij voorkeur prefab aangebrachte afdichtingen toe.
  • Voorzie dakdoorvoeren bij voorkeur van afdekplaat.
  • Gebruik bij luchtdichtheidsklasse 2 en 3 bij voorkeur manchetten.

De ontwerper moet in de detaillering en de keuze van het dichtingsmateriaal rekening houden met de volgende aspecten:

  • Totale lengte van de aansluiting.
  • Vormverandering van het bouwelement (krimp).
  • Plaats van het dichtingsmateriaal in het aansluitdetail.
  • Maatvoeringskwaliteit (noodzakelijke toleranties).
  • De vormverandering van het bouwelement als gevolg van onder andere drogingskrimp
  • Keuze van het dichtingsmateriaal in relatie tot de gebouwdelen, rekening houdend met kruip, thermische bewegingen en optredende belastingen.

Krimpen van bouwelementen / kierdichting
In de bouwmaterialen van een woning is bij de oplevering zeer veel water aanwezig. Dit water zal gaan verdampen, zodat de omvang van de materialen afneemt. Wanneer de betreffende naaddichting deze krimp niet kan verwerken, zal er een scheur, en dus een luchtlek, ontstaan. Het is dus van belang om als ontwerper voldoende dilataties aan te geven en deze te vullen met voldoende flexibel materiaal.

Plaats van de dichting
De plaats van de dichting is van groot belang en dient dus door de ontwerper op een logische plaats te worden aangegeven. Enkele aanbevelingen:

  • Dichting zo dicht mogelijk aan het binnenoppervlak (warme zijde).
  • Hoe verder de dichting naar buiten komt hoe moeilijker deze in één vlak is aan te sluiten en hoe eerder inwendige condensatie kan optreden.
  • Dichting bij voorkeur in een aanslag.
  • Comprimering in dezelfde richting als de bevestigingsrichting.
  • Afdichting in één vlak.
  • Rekening houdend met werkvolgorde/bereikbaarheid
  • Na plaatsing zo veel mogelijk controleerbaar.

Maatvoeringskwaliteit (toleranties)
De toleranties van de diverse bouwsystemen zijn zeer verschillend. In het algemeen kan worden gesteld dat de toleranties bij gietbouw en grote-elementenbouw (prefab betoncasco’s) kleiner worden gekozen dan bij stapelbouw.
Als de aannemer een maatvoeringsplan maakt, wordt het uitvoeringsproces nauwlettend gevolgd. De afwijkingen kunnen dan worden geregistreerd en geëvalueerd en zo nodig wordt het proces bijgesteld. Als de werkwijze van de aannemer bekend is, kunnen de toleranties daarop worden aangepast. De toleranties zijn van groot belang indien met dichtingsbanden wordt gewerkt. Materialen zoals purschuim vullen de naad volledig en kunnen onregelmatigheden opvangen. De afmetingen van de dichtingsbanden moeten daarentegen heel bewust worden gekozen, omdat het essentieel is dat de aansluiting over de gehele breedte volledig wordt gedicht (let onder andere op voldoende compressie van compressieband).

Kruip, thermische bewegingen en belastingen
Kruip is de vervorming van een (beton)constructie gedurende de eerste jaren dat deze constructie wordt belast. Door vloeren met een lichte toog te stellen, wordt voorkomen dat het na een aantal jaren lijkt of de vloer doorhangt. Voor deze toog wordt, voor een vloer van 6,0 meter overspanning, 15 tot 25 mm aangehouden. Afhankelijk van de werkmethodiek zakt na de stort de vloer, ten gevolge van deze kruip, ongeveer 2 tot 5 mm door. Bij de afdichtingsmaterialen moet rekening worden gehouden met deze vervorming. Hetzelfde geldt voor de vervormingen door thermische bewegingen (door temperatuurverschillen) en belastingen.

Bij afdichtingsmaterialen dient dus rekening gehouden te worden met:

  • Kruip
  • Vervorming door thermische bewegingen
  • Zetting
  • Bereikbaarheid
  • Oneffenheid/ruwheid/vlakheid
  • Evenwijdigheid/verlopen van voegvlakken
  • Hechting
  • Duurzaamheid.

ACHTERGROND

De luchtdoorlatendheid van scheidingsconstructies is van grote invloed op de (andere) bouwfysische prestaties (geluidisolatie, waterdichtheid, vocht, en dergelijke) van een gebouw en het wooncomfort. Luchtdicht bouwen vraagt om een uitgekiend ontwerp en bovendien een zeer zorgvuldige uitvoering. De luchtdoorlatendheid kan in de ontwerpfase slechts globaal worden berekend. Pas na de realisatie van het gebouw zijn exacte metingen mogelijk, en die zullen uitwijzen of het gebouw aan het Bouwbesluit of aan de private eisen voldoet. De verlangde luchtdichtheid is in de praktijk slechts haalbaar indien ontwerpers en uitvoerders strikt de hand houden aan bepaalde instructies.

AANDACHTSPUNTEN

Ontwerpaspecten bepalen het uiteindelijk functioneren, ofwel de prestaties van het gebouw. Te denken valt hier aan de thermische prestaties, de hygrische prestaties, de waterdichtheid en regenwerendheid, de geluidswerendheid, de brandveiligheid, de duurzaamheid en luchtdoorlatendheid. Het werken op basis van principe- en voorbeelddetails, zoals de SBR-Referentiedetails, waarvan de bouwfysische prestaties bekend zijn, is zeker aan te bevelen.