0

Meldingsplicht (informatieplicht) Bouwstoffenbesluit - 373

Welke bewijsmiddelen zijn nodig voor de meldingsplicht volgens het Bouwstoffenbesluit. 'Meldingsplicht' wordt ook wel aangeduid met 'informatieplicht'.

OPLOSSINGRICHTINGEN

Stoffen die onder meldingsplicht vallen
Bij toepassing in of op de bodem moeten de volgende stoffen worden gemeld:
  • grond van categorie 1;
  • bouwstoffen van categorie 2;
  • grond van categorie 2;
  • AVI-bodem-as van de bijzondere categorie.
Bij toepassing in of op de bodem hoeven schone grond en bouwstoffen van categorie 1 niet te worden gemeld. Bij bouwstoffen van categorie 1 mag het bevoegd gezag in het algemeen wel tot vijf jaar na toepassing de bewijsmiddelen opvragen, waaruit blijkt dat de bouwstoffen inderdaad van categorie 1 waren. Voor schone grond geldt een termijn van slechts één jaar. Het is niet verplicht, maar dus wel verstandig, deze bewijsmiddelen te bewaren. Als bewijsmiddelen niet (meer) voorhanden zijn, moet op een andere wijze alsnog de kwaliteit aangetoond worden. Bijvoorbeeld via destructief onderzoek.

Bij toepassing in het oppervlaktewater moeten de volgende stoffen worden gemeld:
  • schone grond;
  • bouwstoffen van categorie 1;
  • grond van categorie 1.
Voor toepassing in het oppervlaktewater van bouwstoffen van categorie 2, grond van categorie 2, en bouwstoffen van de bijzondere categorie is een vergunning nodig in het kader van de Wet Verontreiniging Oppervlaktewateren (WVO). Daarom hoeft voor die stoffen geen melding te worden gedaan voor het Bouwstoffenbesluit.
Soorten bewijsmiddelen
Bij een melding moet een bewijsmiddel worden ingediend. Dit moet aantonen dat de bouwstof die wordt gebruikt in de specifieke, uiteindelijke toepassing voldoet aan de eisen uit het Bouwstoffenbesluit. Het Bouwstoffenbesluit onderscheidt drie soorten bewijsmiddelen.
  • Erkende kwaliteitsverklaring. Dit is een erkend bewijsmiddel. Het is een schriftelijke verklaring waaruit blijkt dat het bouwproduct of de bouwstof voldoet aan de wettelijke eisen (de samenstellings- en immissiewaarden [noot] van het Bouwstoffenbesluit). Het bouwproduct of de bouwstof moet worden toegepast op de manier zoals in de verklaring is aangegeven.
  • Partijkeuring. Dit is een erkend bewijsmiddel. Het is een keuringsrapport dat specifiek betrekking heeft op de partij bouwstof die in het werk zal worden toegepast. Een partijkeuring moet worden uitgevoerd volgens regels die in het Bouwstoffenbesluit zijn opgenomen.
  • Andere (of 'overige') bewijsmiddelen. Soms is er geen kwaliteitsverklaring beschikbaar en is ook een partijkeurig niet uitgevoerd. Dan kan natuurlijk alsnog een partijkeuring worden uitgevoerd. Maar ook een ander soort bewijs kan worden geaccepteerd, mits dit voldoet aan twee criteria. Ten eerste moet een willekeurige partij van de bouwstof een partijkeuring hebben met een positief resultaat. Ten tweede moet de toe te passen partij bouwstof een relatie hebben met de geteste partij; uit deze relatie volgt dat beide partijen dezelfde kwaliteit hebben.
Erkende kwaliteitsverklaringen en partijkeuringen bieden de meeste zekerheid. Daarom hebben deze de voorkeur boven andere bewijsmiddelen. Een partijkeuring heeft als nadeel dat deze relatief duur is ten opzichte van een erkende kwaliteitsverklaring.

[noot: 'immissie' betekent letterlijk 'invoering', ofwel verplaatsing van schadelijke stoffen naar de bodem. Dit moet niet worden verward met de term 'emissie' dat letterlijk 'afgifte' betekent; daarbij gaat het om verplaatsing van schadelijke stoffen vanuit de verontreinigde bouwstof aan de omgeving]

Het bevoegde gezag bepaalt of de gegevens voldoende aantonen wat de kwaliteit van de bouwstof is. Wanneer het bevoegde gezag van mening is dat dit onvoldoende is aangetoond, kan het om een aanvulling vragen. Is bijvoorbeeld de relatie tussen de gekeurde partij en de toegepaste partij niet duidelijk, dan kan het gezag eisen dat de gebruiker van de bouwstof deze relatie verduidelijkt.
Eigenaar/opdrachtgever verantwoordelijk
De meldingsplicht ligt bij de eigenaar/opdrachtgever van een (bouw)werk. Omdat deze doorgaans een aannemer inhuurt, zal hij de aannemer de gegevens vragen voor de meldingsplicht. De uitvoerder vraagt de gegevens weer op bij de fabrikant/leverancier. Die zal uiteindelijk dus in de meeste gevallen de bewijsmiddelen leveren voor het voldoen aan de meldingsplicht. De melding met bewijsmiddelen moet worden ingediend bij het bevoegde gezag. Meestal is dit de gemeente, maar het kan bijvoorbeeld ook de provincie zijn.
Tijdstip van melden
Een melding voor het Bouwstoffenbesluit kan meestal tegelijk worden gedaan met een vergunningaanvraag of melding in het kader van de Woningwet, de Wet op de Ruimtelijke Ordening of de Wet milieubeheer. Bij een project waarvoor verschillende vergunningen vereist zijn, hoeft de melding van de gebruikte bouwstoffen maar één keer te gebeuren. Daarvoor geldt een volgorde:
  1. bij bouwvergunning;
  2. bij milieuvergunning;
  3. bij milieumelding;
  4. bij aanlegvergunning.
Wanneer bijvoorbeeld voor een project een bouwvergunning én een milieumelding zijn vereist, dan wordt de BSB-melding gedaan bij de aanvraag om bouwvergunning. Wanneer geen bouwvergunning en milieuvergunning zijn vereist, maar wel een milieumelding én een aanlegvergunning, dan wordt de melding gedaan bij de milieumelding. Wanneer tijdens de aanvraag of melding nog niet bekend is welke stof zal worden toegepast, of als sommige gegevens nog ontbreken, dan moeten de gegevens een bepaalde termijn voor het toepassen van die stof worden verstrekt. De termijn is afhankelijk van de toegepaste bouwstof. De termijnen zijn te vinden in artikel 11 van het Bouwstoffenbesluit.

ACHTERGROND INFORMATIE

Het Bouwstoffenbesluit heet voluit het ‘Bouwstoffenbesluit bodem en oppervlaktewaterenbescherming’. Het doel daarvan is milieu-hygiënische randvoorwaarden te stellen voor het gebruik van bouwstoffen in de bodem, op de bodem en in het oppervlaktewater. Het besluit stelt beperkingen aan de toepassing van bouwstoffen, zodat er niet te veel schadelijke stoffen in het milieu komen. Het Bouwstoffenbesluit is gebaseerd op de Wet bodembescherming (Wbb) en de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (Wvo). De regels uit het Bouwstoffenbesluit zijn op grond van deze twee wetten rechtstreeks werkende regels.

AANDACHTSPUNTEN

  • In 2008 wordt het Bouwstoffenbesluit in twee fasen vervangen door het Besluit bodemkwaliteit (zie SBR-Infoblad 371 ‘Besluit bodemkwaliteit: verschillen met Bouwstoffenbesluit’).

OVERIGE INFORMATIE

  • VROM Brief, kenmerk BWL/2001098415, titel: ‘Bouwstoffenbesluit: het gebruik van ‘overige bewijsmiddelen’ in het bijzonder bij toepassingen met grond’, http://www.vrom.nl/get.asp?file=Docs/bodem/Circ_OB_210901.pdf.
  • VROM dossier Bouwstoffenbesluit, http://www.vrom.nl/bouwstoffenbesluit
  • Uitvoeringsregeling Bouwstoffenbesluit. Te vinden via www.wetten.overheid.nl.
  • VROM publicatie ‘Het Bouwstoffenbesluit’. Uitgegeven door het ministerie van VROM, te vinden op www.vrom.nl/bouwstoffenbesluit onder ‘publicaties’.
  • VROM publicatie ‘Bewijsmiddelen bij het bouwstoffenbesluit’. Uitgegeven door het ministerie van VROM, te vinden op www.vrom.nl/bouwstoffenbesluit onder ‘publicaties’.
  • SBR-Infoblad 370 ‘Erkende kwaliteitsverklaringen bij bouwproducten en bouwstoffen’.
  • SBR-Infoblad 371 ‘Besluit bodemkwaliteit: verschillen met bouwstoffenbesluit’.
  • SBR-Infoblad 372 ‘Eisen Bouwstoffenbesluit’.

Reacties

ron op 1 april 2014

Vraag, een VROM melding wie moet die doen, de huurder de verhuurder, of de onderhuurder.

delete

Erwin Vega op 2 april 2014

De eigenaar, dat is uiteindelijk de verhuurder. De verhuurder kan de administratieve afhandeling laten uitvoeren door de onderverhuurder, maar de verhuurder blijft verantwoordelijk.

delete

Reageer

Waardeer dit infoblad