0

Sparingen en kruipluik luchtdicht maken - 031

Het zodanig ontwerpen en uitvoeren van sparingen voor kruipluik en leidingen, dat de vereiste luchtdichtheid van de begane grondvloer gegarandeerd is.

Figuur A. Diverse luchtlekker in de begane grondvloer.

OPLOSSINGSRICHTINGEN

1. Sparingen afstemmen op meterkast
Om te voldoen aan de vereiste luchtdichtheid, wordt aanbevolen om luchtdichte meterkastbodems toe te passen. Bepaal vooraf nauwkeurig de plaats en afmeting van de benodigde sparingen. Plaats en afmeting van de sparingen moeten corresponderen met de indeling van de meterkast. Bij voorkeur een prefab geïsoleerde meterkastbodem toepassen (figuur B). Met betrekking tot de meterkastbodem moet worden gelet op de onderstaande aandachtspunten:
  • Bodem moet gemaakt zijn van een vormvast en rotvrij materiaal.
  • Gebruik een geïsoleerde bodem.
  • Breng een luchtdichting aan tussen begane grondvloer en meterkastbodem. Vaak is dat een PUR-dichting vanwege de oneffenheid van de vloer. Voor luchtdichtheidsklasse 3 moet de naad worden afgeplakt.
  • Controleer vóór het plaatsen van het aanbrengen van de dekvloer de luchtdichting.
  • Mantelbuizen in de meterkast zijn dicht te zetten met semi-gesloten cellenband of een rubber (manchet).
  • Controleer voor oplevering of alle dichtingen aanwezig zijn, ook van eventueel later aangebrachte voorzieningen.

Figuur B. Prefab geïsoleerde meterkastvloer.

2. Sparingen in het werk aanbrengen
Voor de luchtdichtheid heeft het de voorkeur om de sparingen in het werk te zagen of te boren in plaats van deze vooraf in te storten. Zo kan immers de sparing zonder al te veel tolerantie exact op de juiste plaats worden geboord of gezaagd. Zie figuur C en D. Ter plaatse van de doorvoeren wordt daarom gemakkelijk te boren/zagen materiaal in de vloer opgenomen (bijvoorbeeld cellenbeton). Overigens moet ook vanuit de arboregels stof op de bouwplaats zoveel mogelijk worden voorkomen en moet er nat worden geboord of gezaagd.
Zorg voor circa 20 mm ruimte rondom de door te voeren leiding. Bij dunne leidingdoorvoeren is een kleinere ruimte mogelijk. Dicht na het aanbrengen van de leidingen de sparing af met purschuim en breng vervolgens de dekvloer aan. De sparing vullen met minerale wol geeft onvoldoende dichting.

Figuur C. Goed: Geboorde sparing.

Figuur D. Fout: Sparing is te groot, deze is zo niet goed af te dichten.

3. Sparingen goed dichtmaken
De sparingen moeten na het aanbrengen van de leidingen - doch vóór het aanbrengen van de cementdekvloer - worden dichtgemaakt met bijvoorbeeld pur-schuim (minerale wol dicht onvoldoende!). Voor een goede luchtdichtheid kan een pvc-mantelbuis als instortbuis, in combinatie met rubberen afdichtingsringen worden gebruikt (Figuur E).
Eventueel kan als alternatief voor purschuim en de pvc-mantelbuis met rubberen afdichtingsringen een pvc-instortbuis met een pvc-kraag worden toegepast. Deze instortbuis wordt in het beton ingestort. De opgelijmde kraag in het midden van de buis, in combinatie met een rubberen afdichtingsplug, zorgt voor een vrijwel luchtdichte afsluiting. Het is ook mogelijk om de mantelbuizen in het leidingsysteem op te nemen, waardoor de (relatief dure) afdichtingspluggen kunnen vervallen.

Figuur E. Instortbuis met rubberen afdichtingsringen.

4. Kruipluik goed sluitend ontwerpen en uitvoeren
Om te voldoen aan de vereiste luchtdichtheid, wordt aanbevolen om luchtdichte kruipluiken toe te passen. Bepaal vooraf nauwkeurig de plaats en afmeting van de benodigde sparing. Met betrekking tot de kruipluiken moet worden gelet op de onderstaande aandachtspunten:
  • Het kruipluik moet gemaakt zijn van een vormvast en rotvrij materiaal.
  • Pas geen duimgat toe, maar een prefab aangebrachte verzonken luikring.
  • Gebruik een geïsoleerd luik.
  • Breng het kruipluik aan op een thermisch verzinkt oplegprofiel en zorg dat het luik is voorzien van een prefab aangebrachte schuimband met een gesloten celstructuur (of celrubber).
  • Breng een luchtdichting aan tussen begane grondvloer en luikrand. Vaak wordt een PUR-dichting gebruikt vanwege de oneffenheid van de vloer. Voor luchtdichtheidsklasse 3 moet de naad worden afgeplakt.
  • Controleer vóór het aanbrengen van de dekvloer de luchtdichting.
  • Controleer vóór het plaatsen van het kruipluik het band. Let hierbij met name op de hoekaansluitingen. Reinig de oplegging en herstel of vervang het band bij beschadiging.
5. Dichting tussen begane grondvloer en funderingsbalk
Voorkom een luchtstroom tussen kruipruimte en gevelspouw door de naad tussen onderzijde begane grondvloer en bovenzijde funderingsbalk zorgvuldig af te dichten (Figuur F).

Figuur F: SBR-detail 101.0.1.01:Aansluiting hsb-element op begane grondvloer.

ACHTERGROND

In het Bouwbesluit onder het beoordelingsaspect 3.5 (wering van vocht van buiten) wordt in artikel 3.21 lid 4 een eis gesteld aan de luchtdichtheid van de begane grondvloer. De begane grondvloer heeft een volgens NEN 2690 bepaalde, specifieke luchtvolumestroom van ten hoogste 20.10-6 m³ /(m².s) (of qv;1 ≤ 0,02 dm³/s per m²). Deze eis is meestal zwaarder dan de eis in beoordelingsaspect 5.1 (energiezuinigheid, nieuwbouw). Het doel van beoordelingsaspect 3.5 is te voorkomen dat door het doordringen van lucht vanuit de kruipruimte de relatieve luchtvochtigheid in de woning op een te hoog niveau komt te liggen. Hierdoor zou al snel oppervlaktecondensatie op constructie-onderdelen ontstaan en schimmelgroei worden bevorderd, wat uit gezondheidsoogpunt ongewenst is. Daarnaast voorkomt een luchtdichte begane grondvloer, dat ongezonde of stank veroorzakende gassen, die zich kunnen ophopen in de kruipruimte, in de woning terechtkomen.
De bepalingsmethode voor deze eis is dus vastgelegd in NEN 2690 ‘Luchtdoorlatendheid van gebouwen; meetmethode kruipruimte’. De methode om de luchtdoorlatendheid van de begane grondvloer te bepalen, is vergelijkbaar met de methode van de totale woning (NEN 2686). Een verschil tussen beide methoden is echter dat bij de meting van de totale woning het drukverschil tussen binnen (de woning) en buiten wordt genomen, terwijl bij de meting van de begane grondvloer het verschil tussen de woning en de kruipruimte wordt bepaald. De door het Bouwbesluit verlangde luchtdichtheid is in de praktijk slechts haalbaar indien ontwerpers en uitvoerders strikt de hand houden aan bepaalde instructies.

AANDACHTSPUNTEN

  • Een goede alternatieve manier om het gestelde probleem - radicaal - op te lossen is: kruipruimteloos bouwen.
  • Algemeen geldt dat voor luchtdichtheidsklasse 3 (Passiefhuis-niveau) de volgende aandachtspunten in acht moeten worden genomen:
    • waar mogelijk de naden / kieren afplakken;
    • waar mogelijk luchtdichtingen prefabriceren;
    • bij kabeldoorvoeren / leidingdoorvoeren prefab manchetten gebruiken en afplakken;
    • gerichte controle van de aangebrachte luchtdichtingen en controlemetingen.

Reacties

Nog geen reacties

Reageer

Waardeer dit infoblad