0

Veilig invoeren aansluitleidingen van nutsvoorzieningen - 395

Aan welke eisen moeten de bouwkundige voorzieningen voor aansluiting van nutsvoorzieningen voldoen?

OPLOSSINGRICHTINGEN

Uitgangspunt voor de oplossingsrichtingen is de kwaliteit van de oplossing. In sommige situaties betekent dat een hogere kwaliteit dan het Bouwbesluit verlangt.

Principe
Op verzoek van een gebouweigenaar legt de beheerder van een distributienet een aansluitleiding aan tot het aansluitpunt in de meterkast van de woning.

Figuur 1 aansluiting distributienet.

Daarvoor moet de eigenaar een bouwkundige voorziening treffen die het mogelijk maakt de buitenwand van het gebouw te passeren. Dit is het invoerpunt. Vervolgens moet de leiding in de meterkast uitkomen, waarvoor er een mantelbuis moet zijn. De mantelbuis heeft een haakse bocht (direct naar de meterkast) of is recht en leidt dan naar de meterkast via een invoerput onder de meterkast. De gebouweigenaar moet voor de mantelbuis zorgen. De sterkte van de mantelbuis en de bevestiging aan vloer en wanden moeten net als andere bouwconstructies voldoen aan sterkte-eisen.

Wettelijke eisen
Het gebouw moet voldoen aan het Bouwbesluit, dat eist dat in een woning de aansluitpunten voor elektriciteit, gas en drinkwater in de voorgeschreven meterruimte liggen. De meterruimte moet voldoen aan NEN 2768:1998 inclusief wijzigingsblad A1:2001. In de Regeling Bouwbesluit 2003 staan in artikelen 1.3 en 1.6 eisen voor de bouwkundige voorzieningen voor de invoering van aansluitleidingen. De netbeheerder stelt eisen aan de sterkte van het invoerpunt om te voorkomen dat de aansluitleiding als gevolg van grondzakking kan worden losgetrokken of afscheurt. Op de leiding door de starre fundering en de zakkende omgeving ontstaan grote dwars- en trekkrachten. Er zijn situaties bekend dat als gevolg van deze trekkrachten de aansluitleidingen uit de meterkast zijn getrokken. Voor water en elektriciteit kan dat risico acceptabel zijn, maar voor gasleidingen leidt dit direct tot gevaarlijke situaties.

Figuur 2 Krachtenspel ter plaatse van het invoerpunt.

Bouwkundige oplossingen
De trekkracht kan worden opgenomen door de leidingen op het punt waarop ze de fundering in worden gevoerd te fixeren. Dat betekent dat de trekkrachten die het gevolg zijn van de zakkende grond op die plaats worden overgebracht op de fundering. Het risico van het lostrekken of kapot trekken van de leiding is daarmee tot nul gereduceerd.
Een flexibele lus in de aansluitleiding kan de krachten op het invoerpunt ingeval van zakking van de grond beperken. Om in geval van breuk van de aansluitleiding buiten het gebouw te voorkomen dat gas naar binnen kan stromen, moeten alle aansluitingen gasbelemmerend (nagenoeg gasdicht) worden uitgevoerd.
De mantelbuis wordt doorgaans niet zelf ingestort, maar wordt door een ingestorte doorvoerbuis geleid. De ruimte tussen de doorvoerbuis en de mantelbuis moet worden afgedicht met injectiemortel of met een passende, verlijmde vulbus.

Figuur 3 Mantelbuis met passende vulbus in ingestorte doorvoerbuis.

In bepaalde gevallen, zoals bij renovatie, moet een gat in de funderingsbalk worden geboord. Daarvoor is een speciale doorvoerbuis met gevelpassage in de handel. De ruimte tussen de doorvoerbuis en de funderingsbalk en tussen de doorvoerbuis en de mantelbuis moeten gasbelemmerend worden afgedicht. Eventueel kan de doorvoerbuis achterwege blijven als de ruimte tussen de mantelbuis en de funderingsbalk wordt afgedicht met mortel.

Figuur 4 Mantelbuis in geboord gat zonder doorvoerbuis.

Aansluitleiding
Het is de taak van de netbeheerders om te voorkomen dat de belasting vanuit de zakkende ondergrond te groot wordt. Daarvoor is door de nutsbedrijven in samenwerking met een fabrikant van leidingsystemen een invoerleidingsysteem ontwikkeld en getest dat een bodemdaling van bijna een meter kan overbruggen.

Figuur 5 Flexibele invoerleidingsysteem (HSF).

ACHTERGROND INFORMATIE

Volgens informatie van drie grote netbeheerders in Nederland, Essent Netwerk, Eneco NetBeheer en Continuon Netbeheer, voldoet ongeveer de helft van de bouwkundige voorzieningen voor aansluiting van nutsvoorzieningen niet aan de eisen. Bovendien vormt zakkende grond in toenemende mate een risicofactor voor de aansluiting. Het handhaven van de eisen is noodzaak om ook in de nabije toekomst de veiligheid te kunnen borgen. De verantwoordelijkheid voor het distributienet ligt bij de netbeheerders. Die leidingen lopen tot in de woning. De binneninstallatie begint immers pas in de meterkast. De verantwoordelijkheid voor de binneninstallatie ligt bij de eigenaar van het gebouw. Om een veilige aansluiting mogelijk te maken stellen de netbeheerders eisen aan de bouwkundige voorzieningen voor de invoerleiding. De netbeheerders zijn echter wettelijk beperkt in hun mogelijkheden om eisen te stellen. De gebouweigenaar of de bouwer heeft aan de eisen voldaan als de bouwkundige voorzieningen voldoen aan het Bouwbesluit 2003. Die eisen aan leidingdoorvoeren en mantelbuizen zijn opgenomen in de Regeling Bouwbesluit 2003 en via NEN 2000 terug te vinden in de hoofdstukken 8 en 9 van de NEN 2768:1998 ‘Meterkasten en bijbehorende bouwkundige voorzieningen voor leidingaanleg in woningen’. Een belangrijke voorwaarde voor het aansluiten van woningen op de distributienetwerken is de veiligheid van de aansluiting. De netbeheerder beoordeelt dat aan de hand van de Gaswet. In gebieden met zakkende grond, zoals bijna de gehele Randstad, Noord Holland en grote delen van Overijssel en Friesland, bestaat het risico dat er schade ontstaat ter plaatse van de aansluiting van met name de gasleiding.

AANDACHTSPUNTEN

  • Vooroverleg. Het is aan te bevelen om tijdig met de netbeheerder te overleggen alvorens het ontwerp van de bouwkundige voorzieningen voor de invoering van de aansluitleidingen definitief wordt vastgesteld.
  • Woningen en woongebouwen. De hier gegeven oplossingen zijn bedoeld voor op palen gefundeerde grondgebonden woningen en woongebouwen met maximaal vier woonlagen.
  • NEN 2768:1998. Het Bouwbesluit verwijst naar de ‘oude’ meterkastnorm. Inmiddels is er een nieuwe NEN 2768:2005. Zolang de in het Bouwbesluit NEN 2768:2005 niet wordt aangewezen blijft NEN 2768:1998 ook van kracht.
  • Gaswet. Vanuit de Gaswet worden niet direct normen aangewezen. In de Ministeriële Regeling onder de Gaswet staat echter dat de netbeheerder moet aangeven volgens welke normen het werkt. In de praktijk is dat vaak de NEN 2768:2005.
  • Constructieve veiligheid. De doorvoering veroorzaakt een verzwakking van de funderingsbalk, vooral wanneer doorvoeringen van verschillende aansluitleidingen bij elkaar liggen.
  • Gasbelemmerend. Een 100 procent gasdichte aansluiting is niet of nauwelijks realiseerbaar. Daarom wordt gesproken van ‘gasbelemmerend’. De gasvolume stroom is dan voldoende laag.

OVERIGE INFORMATIE

  • ISSO/SBR publicatie ‘Veilig invoeren van aansluitleidingen van nutsvoorzieningen’ (Uitgave ISSO/SBR, artikelnummer 810.08, mei 2008, ISBN 978-90-5367-478-9)
  • IWUN vouwbladen
  • www.aansluitingen.nl
  • NEN 2768:1998 met wijzigingsblad A1:2001, deze wordt van uit BB 2003 gebruikt, maar er is ook NEN 2768:2005
  • Bouwbesluit 2003 met Regeling Bouwbesluit 2003 (www.rijksoverheid.nl/)
  • Gaswet (juni 2000, www.overheid.nl)
  • www.sbr.nl
  • www.isso.nl

Reacties

jl huijsmans op 2 augustus 2017

Mogen gas, water,en elektra onder de funderingbalk doorlopen

delete

aldo.dejong@sbrcurnet.nl op 7 augustus 2017

Nutsaansluitingen moeten ook bij evt. bodemdaling blijven functioneren, dus vastmaken aan de fundering is noodzakelijk. Verder moeten nutsleidingen elk op een specifieke diepte worden ingevoerd. Informeer verder bij uw netbeheerder of de nutsbedrijven in uw regio over de gehanteerde eisen.

delete

Reageer

Waardeer dit infoblad