0

Veilig vluchten uit een woning - 247

Welke eisen worden er gesteld aan het vluchten uit een woning?

OPLOSSINGSRICHTINGEN

Van toepassing zijnde voorschriften

Voor het vluchten uit een woning zijn de volgende artikelen uit het Bouwbesluit 2012 van toepassing: In welke ruimten moeten rookmelders worden aangebracht?
  • artikel 2.102 (vluchtroutes nieuwbouw)
  • artikel 2.112 (vluchtroutes, bestaande bouw)
  • artikel 6.21 (rookmelders)

Vluchtroutes

Artikel 2.102 en 2.112 stellen dat vanaf elke voor personen bestemde gedeelte van een vloer binnen een woning naar het aansluitend terrein moet kunnen worden gevlucht. Vanaf daar moet vervolgens naar de openbare weg kunnen worden gevlucht.

Het begrip ‘voor personen bestemd gedeelte van een vloer’ betekent dat de eis geldt vanuit elke ruimte waar op reguliere basis iemand aanwezig kan zijn. Een vliering die alleen dient voor opslag van spullen valt hier dus niet onder, maar een hobbyzolder bijvoorbeeld weer wel.

Er geldt een beperking aan de loopafstand die mag worden afgelegd tot de uitgang van de woning. Hierin wordt onderscheid gemaakt tussen de eisen voor nieuwbouw en voor bestande bouw. Er gelden de volgende eisen:

  • Nieuwbouw: de gecorrigeerde loopafstand mag niet groter zijn dan 30 m
  • Bestaande bouw: de loopafstand mag niet groter zijn dan 45 m.

Belangrijk verschil is dat bij nieuwbouw wordt uitgegaan van het begrip “gecorrigeerde loopafstand” en bij bestaande bouw van het begrip “loopafstand”. Deze begrippen zijn als volgt gedefinieerd:

  • Loopafstand: afstand, gemeten langs een denkbeeldige, kortst realiseerbare lijn tussen twee punten, waarover op een afstand van ten minste 0,3 m van constructieonderdelen kan worden gelopen en waarbij de loopafstand over een trap samenvalt met de klimlijn;
  • Gecorrigeerde loopafstand: loopafstand waarbij constructieonderdelen die geen onderdeel uitmaken van de bouwconstructie buiten beschouwing worden gelaten, waarbij de loopafstand voor zover deze door een gebruiksgebied voert met 1,5 wordt vermenigvuldigd;

Kortgezegd is de loopafstand dus de werkelijke loopafstand vanaf een punt binnen de woning naar de uitgang, terwijl bij de gecorrigeerde loopafstand wordt gecorrigeerd voor een mogelijke nadere indeling van de gebruiksgebieden. In de praktijk is de gecorrigeerde loopafstand vaak net iets langer dan de loopafstand omdat bijvoorbeeld in een slaapkamer rekening moet worden gehouden met een vermenigvuldigingsfactor 1,5. Indien ook door de woonkamer wordt gevlucht, moet ook daar rekening worden gehouden met de factor 1,5 (zie figuur 1).

Figuur 1 gecorrigeerde loopafstand binnen een woning. Deze mag niet langer zijn dan 30 m.

Bij het bepalen van de (gecorrigeerde)loopafstand hoeft niet per se de loopafstand naar de woningvoordeur aangehouden te worden. Indien de woning beschikt over meerdere buitendeuren (bijvoorbeeld een tuindeur), dan mag ook de route via deze andere deur worden beschouwd. Voorwaarde hierbij is wel dat ook via deze deur naar het aansluitend terrein kan worden gevlucht en vervolgens naar de openbare weg. Het is dus niet toegestaan dat naar een afgesloten binnentuin wordt gevlucht.

In tegenstelling tot andere gebruiksfuncties, is het bij woonfuncties niet verplicht dat een deur waardoor wordt gevlucht zonder sleutel te openen is. Een woningvoordeur hoeft dus niet voorzien te zijn van een knopcilinder aan de binnenzijde. Uiteraard is het wel verstandig dat de bewoner ervoor zorgt dat in geval van brand de deur snel te openen is. Dit betreft echter de eigen verantwoordelijkheid van de bewoner.

Rookmelders
In artikel 6.21 is vastgelegd dat alle ruimten die worden gepasseerd na het verlaten van een verblijfsruimte van een woning, moeten zijn voorzien van een rookmelder. Deze eis is van toepassing op alle nieuw te bouwen woningen en in geval van functiewijziging. In bestaande woningen zijn rookmelders dus niet verplicht.

Rookmelders waarschuwen bij de eerste ontwikkeling van rook door middel van een indringend signaal. Daardoor worden bijvoorbeeld slapende bewoners bij de eerste rookverschijnselen gewekt. In dat stadium van de brand is de vluchtroute nog bruikbaar en kan de woning nog veilig worden verlaten.

De rookmelder moet dus in het algemeen geplaatst worden op de overloop en/of in de gang. Maar als de vluchtroute bijvoorbeeld ook via de woonkamer loopt, moet ook in de woonkamer een rookmelder aangebracht worden.

Bij een ‘woonfunctie voor kamergewijze verhuur’ is de eis voor het toepassen van rookmelders afhankelijk van het wel of niet aanwezig zijn van een indeling in besschermde subbrandcompartimenten. Indien elke wooneenheid wordt uitgevoerd als beschermd subbrandcompariment (30 minuten brandwerend uitgevoerd), dan kan worden volstaan met rookmelders in de ruimten waardoor wordt gevlucht vanuit een verblijfsruimte (vergelijkbaar met een normale woning). Indien de wooneenheden niet worden uitgevoerd als beschermd subbrandcompartiment, dan moeten aanvullend alle verblijfsruimten in de woonfunctie worden voorzien van rookmelders (artikel 6.21 lid 2 en 3). Deze rookmelders moeten dan ook onderling doorgekoppeld zijn, zodat bij een brandmelding alle bewoners direct gewaarschuwd worden.

Voor sommige woonfuncties kan een brandmeldinstallatie noodzakelijk zijn. Dit betreft woonfuncties waarin zorg wordt verleend. In bijlage I van het Bouwbesluit is aangegeven wat voor soorten woonfuncties dit betreft en welke omvang van de brandmeldsintallatie dan vereist is. Indien een brandmeldinstallatie verplicht is, dan is het niet meer noodzakelijk om ook rookmelders aan te brengen in de woning. Deze functie wordt dan overgenomen door de brandmeldinstallatie.

De rookmelders moeten voldoen aan en zijn geplaatst volgens de primaire inrichtingseisen als bedoeld in de NEN 2555. Dit betekent onder meer dat de rookmelders moeten zijn aangesloten op de elektrische installatie. Daarnaast moet de rookmelder zijn voorzien van een batterij. Hiermee wordt gegarandeerd dat de rookmelder werkt, onafhankelijk van de elektriciteitsvoorzienig.

Vanuit het Bouwbesluit en de primaire inrichtingseisen van de NEN 2555 volgt niet direct voor waar de rookmelders in een ruimte moeten worden geplaatst en ook niet dat in een hoge, grote of lange ruimte meer dan één rookmelder moet worden geplaatst. De NEN 2555 geeft echter wel richtlijnen hiervoor. Dit deel van de norm is niet aangewezen vanuit het Bouwbesluit maar uiteraard mag men deze richtlijnen wel toepassen. Hier volgen enkele richtlijnen uit deze norm:

  • Op elke verdieping of bouwlaag moet in de ruimten waardoor een verkeersroute voert een rookmelder worden aangebracht.
  • Rookmelder bij voorkeur aan het plafond situeren (en dus niet aan de wand).
  • Indien toch gekozen wordt voor situering aan de wand, de rookmelder tussen 0,1 en 0,3 meter onder het plafond situeren.
  • Bij voorkeur in het midden van de ruimte situeren.
  • Maximale bewakingsoppervlakte per rookmelder: 80 m2.
  • Grootste afstand tussen rookmelder en een willekeurig punt van het plafond niet groter dan 6,7 meter (of 7,5 meter wanneer de ruimte smaller is dan 3 meter).
  • Niet plaatsen op minder dan 50 cm van de zijmuur en hoeken van een vertrek (tenzij de ruimte smaller is dan 1,0 meter); en niet direct onder de nok. Daar is nauwelijks luchtcirculatie waardoor eventuele rook pas heel laat doordringt.
  • Niet plaatsen boven verwarmingstoestellen en radiatoren of in de nabijheid van openingen van luchtverversingskanalen. Door de luchtstromingen kunnen de rookdeeltjes de rookmelder niet bereiken.
  • Niet plaatsen in of vlakbij de toegangsdeur van de badkamer of de keuken. De gewone rookmelder kan stoom, vocht en dampen van bakken en braden niet onderscheiden van rookdeeltjes. Dit kan vals alarm tot gevolg hebben.

ACHTERGRONDINFORMATIE


Een brand in een woning kan zich snel ontwikkelen. Uit praktijktests is gebleken dat de moderne inrichting veel brandbaarder is dan de inrichting van enkele decennia geleden. De veelvuldige toepassing van kunststoffen en schuimen is hier onder meer de oorzaak van. Hoe de brand zich precies ontwikkelt is afhankelijk van diverse factoren. Indien bijvoorbeeld deuren binnen een woning open staan, zal een brand zich vaak sneller ontwikkelen en kan rook zich ook snel verspreiden door de woning. Verder is ook het aantal ramen en deuren van de woning hierbij een bepalende factor. Vanwege de snelle brandontwikkeling is het voor de overlevingskans van de bewoners essentieel dat zij in geval van brand snel gewaarschuwd worden en dat binnen een beperkte loopafstand de woning kan worden verlaten. Dit is de achterliggende gedachte van de eisen van het Bouwbesluit.

AANDACHTSPUNTEN

  • Voor bestaande woningen zijn rookmelders niet verplicht. Ook hier is echter sprake van een snelle brandontwikkeling en is het dus verstandig om ook hier rookmelders aan te brengen.
  • Om ervoor te zorgen dat bij activering van een rookmelder overal een voldoende hoog geluidsignaal wordt gerealiseerd (minimaal 75 dB(A) in een slaapkamer, minimaal 65 dB(A) in andere ruimten), kan het noodzakelijk zijn dat de rookmelders onderling gekoppeld worden. Hierdoor wordt iemand op zolder ook gewaarschuwd bij een brand op de begane grond.