0

Veiligheid op platte daken bij kortdurende werkzaamheden - 282

Het treffen van voorzieningen op platte daken om kortdurende werkzaamheden veilig te kunnen uitvoeren.

OPLOSSINGSRICHTINGEN

Algemeen

Bij de keuze van de veiligheidsvoorzieningen voor platte daken zijn de volgende punten van belang.

  1. Risico-inventarisatie en risico-evaluatie.
  2. Toegang tot het platte dak.
  3. Waarschuwingssignaleringen.
  4. Veilige zone.
  5. Onveilige zone.
  6. Valbeveiligingssystemen.

1. Risico-inventarisatie en risico-evaluatie
Het doel van de inventarisatie en evaluatie is om te bepalen hoe de risico's bij het uitvoeren van kortdurende werkzaamheden op bestaande en nieuw te bouwen platte daken zijn te beperken. Aan de hand van een inspectie worden de risico’s geïnventariseerd en beoordeeld met betrekking tot het:

  • betreden van het dak;
  • uitvoeren van kortstondige werkzaamheden op het dak;
  • belopen van het dak.

Na de inventarisatie worden de risico’s geëvalueerd. Hieruit is te bepalen welke voorzieningen moeten worden getroffen om de risico’s te beperken, zoals permanente bereikbaarheidsvoorzieningen, mobiele of permanente beveiligingssystemen, het afbakenen van een risicogebied of het aangeven van veiligheidszones.

2. Toegang tot het platte dak
Toegang tot een plat dak kan op drie verschillende manieren worden verkregen, namelijk via een:

  • dakluik of dakopbouw;
  • kooiladder;
  • staande ladder.

Dakluik of dakopbouw
De toegang tot het platte dak via een dakluik of een opbouw op het dak heeft de voorkeur. Een belangrijk aandachtspunt is om het luik of de opbouw te positioneren in de veilige zone van het dak. Dat wil zeggen op ten minste 4 meter vanaf de dakrand.

Kooiladder
Een kooiladder wordt over het algemeen toegepast bij een hoogteverschil van minimaal 3 meter én wanneer de ladder meer dan incidenteel moet worden beklommen. Andere redenen om voor een kooiladder te kiezen zijn:

  • de ladder bevindt zich naast een gebied met een grote valhoogte;
  • bij incidenteel gebruik is een staande ladder geen optie, bijvoorbeeld vanwege de lengte en/of het gewicht.

Staande ladder
Platte daken tot 10 meter hoogte mogen in beginsel met een staande ladder worden beklommen. De ladder moet ten minste 1 meter boven de dakrand uitsteken. Daarnaast moet deze in de juiste helling (65-75°) worden geplaatst op een daarvoor ingerichte voorziening (met ladderstopper). De toegang tot het dak kan via een aanduidingsbord worden aangegeven. De plaats van de ladder moet worden afgestemd op de looproutes op het dak. De dakrand moet een permanente voorziening hebben die verhindert dat de ladder kan wegschuiven. Een voorbeeld van zo'n voorziening zijn twee beugels waar de ladder tussen past.

3. Waarschuwingssignaleringen
Op plaatsen waar zich gevaren kunnen voordoen, eist het Arbobesluit dat er veiligheidssignaleringen worden aangebracht, bijvoorbeeld in de vorm van waarschuwings- en gebodsborden (zie figuur).

4. Veilige zone
De veilige zone bevindt zich op minimaal 4 meter vanaf de dakrand. Werkzaamheden die in deze zone plaatsvinden mogen zonder valbeveiliging worden uitgevoerd. De veilige zone moet dan wel duidelijk zijn gemarkeerd. Dat kan een tegelpad zijn of een duurzaam aangebrachte belijning. Zowel langs de looproute als in het veilige werkgebied moet met borden voor het valgevaar worden gewaarschuwd.

5. Onveilige zone
De onveilige zone is het gebied van 4 meter langs de dakrand. Dit gebied kan worden beperkt tot 2 meter indien zowel het werkgebied als de weg er naar toe zijn afgezet. Er moet dan een fysieke afzetting op 2 meter van en evenwijdig aan de dakrand aanwezig zijn. Een voorbeeld van zo'n afzetting is een aantal paaltjes dat met elkaar is verbonden door een ketting, een kabel of een doorgaande buis. Ook moeten er altijd waarschuwingsborden of pictogrammen aanwezig zijn. De afzetting hoeft niet te worden verankerd aan de dakconstructie en mag uitsluitend met een valbeveiligingssysteem worden gepasseerd, omdat dan de onveilige zone wordt betreden.
Samengevat betekent dit voor de breedte van de onveilige zone naast de dakrand:

  • minimaal 4 meter, indien er uitsluitend een markering aanwezig is;
  • minimaal 2 meter, indien er een afzetting aanwezig is.

6. Valbeveiligingssystemen
Wanneer er sprake is van frequente en/of langdurige werkzaamheden op het platte dak, dan moet een permanente veiligheidsvoorziening aanwezig zijn. Bij incidentele werkzaamheden mag gebruik worden gemaakt van één van de drie volgende individuele beveiligingssystemen:

  • individuele dakankers;
  • een los op het dak staande, van ballast voorziene afzetting op ongeveer 2 meter van de dakrand;
  • integraal rail- of kabelsysteem, opgenomen in de dak- of gevelconstructie.

Individuele dakankers
Individuele dakankers, ook wel dakborgpunten genoemd, bieden de minste veiligheid. Het is geen gebruiksvriendelijk systeem, met name wanneer er een geheel dakvlak mee moet worden bestreken. Een nadeel is dat de dakwerker zijn gordel steeds moet 'overpikken' op een volgend anker of met meerdere lijnen moet werken. Een ander nadeel is de mogelijke pendulewerking (slingeren langs de gevel), wanneer de dakwerker vanaf het anker niet loodrecht naar de dakrand loopt, maar schuin. Hij heeft dan te veel leeflijn achter zich, zodat een val mogelijk is. Om pendulewerking te beperken, wordt geadviseerd om individuele dakankers maximaal 5,5 meter vanaf de dakrand te plaatsen. Bij een hoek van 30° bedraagt de maximale overlengte in de leeflijn dan ongeveer 0,85 meter. In dat geval is de onderlinge tussenafstand van de dakankers ongeveer 6,35 meter. De risicovolle plekken zijn de hoeken van het dak. Ook hier is een maximale overlengte van 0,85 meter toegestaan. Hiervoor moet een extra (vast) anker op ruim 2 meter afstand van de beide gevellijnen aanwezig zijn.

Losse afzetting
Een losse afzetting op 2 meter afstand van de dakrand is geschikt voor een veiligheids- of heupgordel. De losse afzetting bestaat uit paaltjes of beugels (al dan niet gecombineerd met ballastblokken) die onderling zijn verbonden met een doorgaande buis. De veiligheidsgordel fungeert als gebiedsbegrenzer. Hierdoor wordt voorkomen dat de dakwerker verder dan de dakrand komt en van de dakrand valt. De afstand van de doorgaande buis tot de dakrand en de lengte van de veiligheidsgordel moeten goed op elkaar worden afgestemd (zie de brochure Valgevaar op platte daken).

Integraal rail- of kabelsysteem
Aan een integraal dakbeveiligingssysteem met rails of kabels is een loopwagen te koppelen die de bevestigingsbeugels kan passeren. De dakwerker moet dan een harnas dragen met een gordel en kan zo – zonder de gordel steeds opnieuw te hoeven bevestigen – langs de dakrand in de onveilige zone lopen. Dit systeem geeft de meeste bewegingsvrijheid.

Voor de verschillende valbeveiligingssystemen, klimmateriaal en andere hulpmiddelen gelden de van toepassing zijnde normen.

ACHTERGROND

Bij het ontwerp van een nieuw gebouw met een plat dak wordt over het algemeen nog onvoldoende rekening gehouden met het veilig uitvoeren van onderhoud (kortdurende werkzaamheden) óf met het belopen van het dak tijdens het beheer. Het gaat dan om het uitvoeren van bijvoorbeeld de volgende werkzaamheden:

  • kleine reparaties;
  • reinigend onderhoud;
  • regulier onderhoud aan installaties op het dak;
  • inspecties.

In het geval van bestaande gebouwen zijn bij het ontwerp meestal geen veiligheidsvoorzieningen getroffen. Het belangrijkste risico bij het uitvoeren van onderhoud of inspecties op platte daken is het van een hoogte vallen bij het:

  • betreden van het dak;
  • werken ter plaatse van dakranden en sparingen;
  • belopen van het dak (struikelen of uitglijden).

Voor het veilig werken op platte daken zijn met name het Arbobesluit en de Arbobeleidsregel 3.16 (voorkomen van valgevaar) van toepassing. Het Arbobesluit zegt dat valgevaar moet worden voorkomen. Bij kortdurende werkzaamheden kan een individueel beveiligingssysteem worden gekozen in de vorm van veiligheidsgordels en lijn- of railsystemen.

AANDACHTSPUNTEN

  • Maak voor elk plat dak een risico-inventarisatie en een risico-evaluatie.
  • Ontwerp een veilige toegang tot het platte dak.
  • Positioneer de toegang tot het dak in de veilige zone (dat is elk gebied dat op meer dan 4 meter afstand van de dakrand ligt).
  • Positioneer installaties en dergelijke in de veilige zone.
  • Gebruik een individueel beveiligingssysteem, afgestemd op de frequentie waarop het platte dak wordt betreden.

OVERIGE INFORMATIE

  • Valgevaar op platte daken, brochure Aboma + Keboma, Ede 2003
  • BDA Dakboekje 2004
  • A-blag Platte daken
  • Veilige daken in de beheersfase, cursusboek BDA Dak- en Gevelopleidingen 2004
  • Arbowet
  • Arbobesluit
  • Arboregeling