0

Ventilatievoorzieningen voor een meterruimte in een woning - 305

Aan de hand van het Bouwbesluit vaststellen welke eisen er gelden voor de ventilatiecapaciteit die is vereist voor een meterruimte in een woning. Hoe moet deze capaciteit vervolgens worden bepaald?

OPLOSSINGSRICHTINGEN

Vijf stappen

Om dit probleem op te lossen moeten vijf stappen worden gezet, die zijn onder te verdelen in twee fasen.

Fase A. Opzoeken van de toepasselijke voorschriften (stap 1 t/m 4)

  1. Relevante afdeling (van het Bouwbesluit) opzoeken.
  2. Relevante paragraaf (van de afdeling) selecteren.
  3. Aan de hand van de tabellen in de paragrafen de relevante voorschriften selecteren.
  4. Aan de hand van de voorschriften de van toepassing zijnde bepalingsmethode selecteren.

Fase B. Toepassing van de voorschriften (stap 5)

  1. Aan de hand van de van toepassing zijnde bepalingsmethode de vereiste ventilatiecapaciteit van de meterruimte bepalen en welke voorzieningen daarvoor nodig zijn.


Fase A. Opzoeken van de toepasselijke voorschriften (stap 1 t/m 4)

1. Relevante afdeling (van het Bouwbesluit) opzoeken
De voorschriften voor de ventilatie van een meterruimte zijn gegeven in afdeling 3.12: ‘Luchtverversing van overige ruimten’.

2. Relevante paragrafen (van de afdelingen) selecteren
Beantwoordt de vraag of het gaat om nieuwbouw dan wel bestaande bouw. In het vervolg zal worden ingegaan op de voorschriften die gelden voor nieuw te bouwen bouwwerken. Een bouwwerk geen gebouw zijnde wordt verder buiten beschouwing gelaten.

Afdeling 3.12: ‘Luchtverversing van overige ruimten’ is onderverdeeld in twee paragrafen: paragraaf 3.12.1 bevat de nieuwbouwvoorschriften; paragraaf 3.12.2 bevat de voorschriften voor bestaande bouw. In het vervolg wordt uitgegaan van paragraaf 3.12.1.

3. Aan de hand van de tabellen in de paragrafen de relevante voorschriften selecteren
Paragraaf 3.12.1 (nieuwbouw) van afdeling 3.12: ‘Luchtverversing van overige ruimten’ bevat de artikelen 3.67 t/m 3.73. Artikel 3.68, eerste lid, bevat de aanwezigheidseis voor een ventilatievoorziening. De vereiste capaciteit is voorgeschreven in artikel 3.69, tweede lid, van Bouwbesluit 2003.

Artikel 3.68, eerste lid, luidt als volgt:

‘Een meterruimte voor een voorziening voor gas heeft een voorziening voor luchtverversing, bestaande uit een component voor toevoer van verse lucht en een component voor afvoer van binnenlucht.’

Uit de tekst van artikel 3.68, eerste lid, is af te leiden dat de eis alleen geldt voor een meterruimte voor een voorziening voor gas. Nabij een aansluiting van een gasmeter kan namelijk onverhoopt enige gaslekkage optreden. Het is daarom nodig dat meterruimten met gasvoorzieningen worden geventileerd om ontploffingsgevaar te voorkomen.
Als in de woning geen voorziening voor gas aanwezig is, hoeft de meterruimte niet te worden geventileerd. Dit kan het geval zijn als stadsverwarming wordt toegepast.

4. Aan de hand van de voorschriften de van toepassing zijnde bepalingsmethode selecteren

Artikel 3.69, tweede lid, luidt als volgt:

‘Een voorziening voor luchtverversing van een meterruimte voor een voorziening voor gas heeft een volgens NEN 1087 bepaalde capaciteit van ten minste 2 dm3/s per m3 netto-inhoud van de meterruimte, met een minimum van 2 dm3/s.’

Bij de voorgeschreven ventilatiecapaciteit wordt eventueel aanwezig gas in voldoende mate verdund, zodat de kans op explosie in voldoende mate wordt beperkt.

Fase B. Toepassing van de voorschriften (stap 5)

Nu de voorschriften (artikel 3.69 en NEN 1087) in vier stappen zijn gevonden, moeten deze voorschriften worden toegepast om te bepalen hoe de ventilatiecapaciteit is te bepalen. Welke voorzieningen moeten verder worden toegepast?

5. Aan de hand van de van toepassing zijnde bepalingsmethode de vereiste ventilatiecapaciteit van de meterruimte bepalen en welke voorzieningen daarvoor nodig zijn.

Relevante voorschriften uit NEN 1087

Bij een meterruimte is sprake van een ventilatievoorziening waarbij de verse lucht uit een aangrenzende ruimte wordt betrokken (bijvoorbeeld vanuit de verkeersruimte voor de meterkast). Daarnaast wordt de binnenlucht naar die aangrenzende ruimte afgevoerd (naar de verkeersruimte voor de meterkast). De bepalingsmethode voor de capaciteit voor deze situatie is opgenomen in paragraaf 5.2 van NEN 1087.

Volgens § 5.2.4 van NEN 1087:2001 ‘Ventilatie van gebouwen - Bepalingsmethoden voor nieuwbouw’ wordt de capaciteit bepaald met de volgende formule:

qv = A x v x 1000

waarin:

  • qv: is de getalswaarde van de luchtvolumestroom in dm3/s; dit is de vereiste ventilatiecapaciteit volgens artikel 3.69, tweede lid, van Bouwbesluit 2003;
  • A: is de getalswaarde van de oppervlakte van de kleinste netto doorlaat in m2 van de toe- of afvoeropening; deze oppervlakte is veelal de onbekende in de formule;
  • v: is de getalswaarde van de luchtsnelheid in de opening in m/s; voor meterruimten moet een luchtsnelheid van 0,25 m/s worden aangehouden.

Voorbeeldberekening
Bij wijze van voorbeeld wordt een berekening van de vereiste ventilatiecapaciteit opgesteld voor een gebruikelijke meterkast in een woning (zie figuur 1).

Figuur 1.

Gegevens:

  • Oppervlakte = 0,31 x 0,75 = 0,24 m2
  • Hoogte = 2,6 meter
  • Inhoud = 0,24 x 2,6 = 0,63 m3

Berekening ventilatiecapaciteit
Volgens artikel 3.69, tweede lid, is de vereiste ventilatiecapaciteit voor een meterruimte minimaal 2 dm3/s per m3 inhoud, met een minimum van 2 dm3/s. De inhoud van de meterruimte is 0,63 m3. Dit betekent dat de minimale ventilatiecapaciteit qv = 0,63 x 2 = 1,26 dm3/s. In dit geval moet dus het minimum van qv = 2 dm3/s worden aangehouden.

Berekening benodigde ventilatieopening
De netto-doorlaat van de ventilatieopening (A) in cm² is te berekenen door qv in dm³/s in de volgende formule in te vullen:

  • qv = A x v x 1.000
  • A = qv/(v x 1.000)
  • qv = 2 dm3/s
  • v = 0,25.

A = 2/(0,25 x 1.000) = 0,008 m2 (= 80 cm2).

Zowel de toevoeropening als de afvoeropening moet een minimale oppervlakte van 80 cm2 hebben.

Voor meterruimten in woningen geldt NEN 2768 ‘Meterruimten en bijbehorende bouwkundige voorzieningen voor nutsvoorzieningen in een woonfunctie’. In afdeling 5.4: ‘ventilatie’ van genoemde norm is het volgende vermeld:

‘De meterkast moet worden geventileerd. Daarbij moet minimaal van de voorgeschreven ventilatiecapa-citeit worden uitgegaan. ….De minimaal vereiste ventilatiecapaciteit voor een meterkast is in het Bouw-besluit neergelegd. Bij toepassing van spleetvormige ventilatieopeningen van ten minste 0,01 m2, aan zowel de onder- als bovenkant van de meterkastzijde waarin zich de deur bevindt, wordt geacht aan dit minimumvoorschrift te zijn voldaan. Het staat partijen vrij om bij overeenkomst uit te gaan van een gro-tere ventilatiecapaciteit.’

Wordt de in NEN 2768 aangegeven ventilatie-opening van 0,01 m2 (= 100 cm2) vergeleken met de hiervoor uitgevoerde berekening, dan kan worden gesteld dat dit voor standaard-meterkasten in de woningbouw een veilig uitgangspunt is.

Eisen aan ventilatie-openingen
In afdeling 3.12 en NEN 1087 zijn een aantal voorwaarden opgenomen waaraan deze ventilatie-openingen moeten voldoen:

Paragraaf 5.2.2 van NEN 1087

  • Het hoogteverschil tussen de toe- en afvoeropening moet ten minste 1,8 meter bedragen. Indien zowel aan de bovenzijde als aan de onderzijde van de meterkastdeur een spleet wordt aangebracht, wordt hieraan voldaan.
  • Er mogen zich geen interne weerstanden, zoals gaas, in de openingen bevinden. Bij toepassing van een spleet onder en boven de deur is hiervan geen sprake.
  • De spleetbreedte van een dergelijke opening moet ten minste 6 mm bedragen. Gezien de vereiste ventilatiecapaciteit van 80 cm2 moet de breedte van de spleet bij een deurbreedte van 73 cm reeds groter zijn (80/70 = 1,2 cm; = 12 mm).

Afdeling 3.12 van Bouwbesluit 2003

  • De opening mag niet afsluitbaar zijn (artikel 3.70, eerste lid). Dit betekent dat toepassing van een afsluitbaar rooster in bijvoorbeeld een paneel boven de meterkastdeur niet is toegestaan.
  • Het is volgens Bouwbesluit 2003 toegestaan dat de toevoer en afvoer van de ventilatielucht plaatsvindt via een aangrenzende besloten ruimte (artikel 3.73).

ACHTERGROND

In de praktijk wordt de ventilatie van een meterkast gerealiseerd door middel van een spleet aan de bovenzijde en onderzijde van de deur van de meterkast. Formeel moet door middel van een berekening worden aangetoond dat de ventilatiecapaciteit voldoet aan de minimumeisen van Bouwbesluit 2003. Dit gebeurt in de praktijk echter zelden. Bouwbesluit 2003 geeft namelijk voorschriften voor de ventilatie van meterruimten, zoals een meterkast in een woning. Deze capaciteit moet worden bepaald volgens NEN 1087. Dit informatieblad geeft inzicht in de bepalingsmethode en de noodzakelijke voorzieningen.

AANDACHTSPUNTEN

In de NPR 1088 (Nederlandse Praktijk Richtlijn): ‘Ventilatie van woningen en woongebouwen – Aanwijzingen voor en voorbeelden van de uitvoering van ventilatievoorzieningen’ is in paragraaf A.11 een voorbeeld opgenomen van een berekening van de ventilatiecapaciteit van een meterruimte met een inhoud van 4,3m3 (oppervlakte 1,8 m2). Ter vergelijking: de oppervlakte van een ventilatie-opening van de meterruimte met dergelijke afmetingen moet 344 cm2 zijn. Dit betekent dat in die meterruimte zowel een opening aan de onderkant als aan de bovenkant van ten minste 344 cm2 moet worden aangebracht.

OVERIGE INFORMATIE

Reacties

R. Franken op 17 maart 2012

Graag zou ik aandacht hebben voor mijn oplossingen die ik biedt m.b.t. bekabeling in de meterruimte. Kan ik dit doen middels een infoblad, en aan welke voorwaarden moet ik voldoen? Hartelijke groet, Robin Franken 0681025263

delete

Herman Vlutters op 8 mei 2014

De door u genoemde ventilatie opening aan de onderzijde (onder de dorpel) wordt in de praktijk vaak/gemakkelijk geblokkeerd door vloerbedekking. Bewoners realiseren zich niet dat deze opening een veiligheidsmaatregel is. Het advies om de ventilatie zo te realiseren kan daarom in de praktijk tot onveilige situaties aanleiding geven. Er zijn heel wat meterkast branden in ons land !!!

delete

Reageer

Waardeer dit infoblad