0

Ventilatievoorzieningen voor gemeenschappelijke verkeers-ruimte in woongebouw - 304

Aan de hand van het Bouwbesluit vaststellen welke eisen er gelden voor de ventilatiecapaciteit, die is vereist voor een gemeenschappelijke verkeersruimte van een woongebouw. Hoe wordt deze capaciteit vervolgens bepaald?

OPLOSSINGSRICHTINGEN

Om dit probleem op te lossen moeten vijf stappen worden gezet. Deze zijn onder te verdelen in twee fasen.

Fase A. Opzoeken van de toepasselijke voorschriften (stap 1 t/m 4)
1. Relevante afdeling (van het Bouwbesluit) opzoeken.
2. Relevante paragraaf (van de afdeling) selecteren.
3. Aan de hand van de tabellen in de paragrafen de relevante voorschriften selecteren.
4. Aan de hand van de voorschriften de van toepassing zijnde bepalingsmethode selecteren.

Fase B. Toepassing van de voorschriften (stap 5)
5. Aan de hand van de van toepassing zijnde bepalingsmethode de vereiste ventilatiecapaciteit van een gemeenschappelijke verkeersruimte in een woongebouw bepalen.

Fase A. Opzoeken van de toepasselijke voorschriften (stap 1 t/m 4)

1. Relevante afdeling (van het Bouwbesluit) opzoeken
De voorschriften voor de ventilatie van een gemeenschappelijke verkeersruimte in een woongebouw zijn gegeven in afdeling 3.12: ‘Luchtverversing van overige ruimten’.

2. Relevante paragrafen (van de afdelingen) selecteren
Beantwoordt de vraag of het gaat om nieuwbouw dan wel bestaande bouw. In het vervolg wordt ingegaan op de voorschriften die gelden voor nieuw te bouwen bouwwerken. Een bouwwerk geen gebouw zijnde wordt verder buiten beschouwing gelaten.

Afdeling 3.12: ‘Luchtverversing van overige ruimten’ is onderverdeeld in twee paragrafen: paragraaf 3.12.1 bevat de nieuwbouwvoorschriften; paragraaf 3.12.2 bevat de voorschriften voor bestaande bouw. In het vervolg wordt uitgegaan van paragraaf 3.12.1.

3. Aan de hand van de tabellen in de paragrafen de relevante voorschriften selecteren
Paragraaf 3.12.1 (nieuwbouw) van afdeling 3.12: ‘Luchtverversing van overige ruimten’ bevat de artikelen 3.67 t/m 3.73. Artikel 3.68, vijfde lid, bevat de aanwezigheids-eis voor een ventilatievoorziening. De vereiste capaciteit is voorgeschreven in artikel 3.69, eerste lid, van Bouwbesluit 2003.

Artikel 3.68, vijfde lid, luidt als volgt:

‘Een gemeenschappelijke verkeersruimte heeft een voorziening voor luchtverversing, bestaande uit een component voor toevoer van verse lucht en een component voor afvoer van binnenlucht.’

4. Aan de hand van de voorschriften de van toepassing zijnde bepalingsmethode selecteren

Artikel 3.69, eerste lid, luidt als volgt:

‘Een voorziening voor luchtverversing van een besloten gemeenschappelijke verkeersruimte heeft een volgens NEN 1087 bepaalde capaciteit van ten minste 0,7 dm3/s per m2 vrije vloeroppervlakte van de ge-meenschappelijke verkeersruimte, gemeten over de ten minste vereiste breedte van die ruimte.’

In de gemeenschappelijke verkeersruimte van een woongebouw kan zich verontreinigde lucht ophopen en kunnen onaangename geuren blijven hangen, afkomstig uit de woningen. Met de eis aan de ventilatiecapaciteit wordt beoogd dat de door de mens veroorzaakte verontreiniging en verhitting van de lucht op een aanvaardbaar peil wordt gehouden.


Fase B. Toepassing van de voorschriften (stap 5)

Nu de voorschriften (artikel 3.69 en NEN 1087) in vier stappen zijn gevonden, moeten deze voorschriften worden toegepast om te zien hoe de ventilatiecapaciteit is te bepalen. Welke voorzieningen moeten verder worden toegepast?

5. Aan de hand van de van toepassing zijnde bepalingsmethode de vereiste ventilatiecapaciteit van een gemeenschappelijke verkeersruimte in een woongebouw bepalen

Relevante voorschriften uit NEN 1087

De toevoer van verse lucht naar een gemeenschappelijke verkeersruimte moet volgens artikel 3.73, tweede lid, rechtstreeks van buiten plaatsvinden. De afvoer van binnenlucht vanuit een gemeenschappelijke verkeersruimte moet volgens artikel 3.73, tweede lid, rechtstreeks naar buiten plaatsvinden. Een opening voor de voorziening voor luchtverversing voor een gemeenschappelijke verkeersruimte mag volgens artikel 3.70, eerste lid, niet afsluitbaar zijn.

Paragraaf 5.3 van NEN 1087 ‘Ventilatie van gebouwen - Bepalingsmethoden voor nieuwbouw’ bevat de bepalingsmethode voor de nominale capaciteit van een voorziening voor luchtverversing. Deze bestaat uit één of meer niet afsluitbare componenten voor de toevoer van verse lucht van buiten en voor de afvoer van binnenlucht rechtstreeks naar buiten.
Volgens <&#167> 5.3.4 van NEN 1087:2001 wordt de capaciteit bepaald met de volgende formule:

qv = Anetto x v x 1000

waarin:

  • qv: getalswaarde van de luchtvolumestroom in dm3/s; dit is de vereiste ventilatiecapaciteit volgens artikel 3.69, eerste lid, van Bouwbesluit 2003;
  • Anetto: netto-oppervlakte van de opening; deze oppervlakte is veelal de onbekende parameter in de formule;
  • v: de getalswaarde van de luchtsnelheid in de opening in m/s;
    o bij openingen in twee gevels of in een gevel en het dak geldt: v = 2,5 m/s;
    o bij openingen in slechts één gevel geldt: v = 0,625 m/s.

Voorbeeldberekening
Bij wijze van voorbeeld wordt een berekening van de vereiste ventilatiecapaciteit opgesteld voor twee gemeenschappelijke verkeersruimten.

Begane grond

Verdieping

Gegevens:

  • Oppervlakte begane grond: 30 m2.
  • Oppervlakte verdieping: 25 m2.
  • Ventilatievoorzieningen kunnen worden aangebracht in slechts één gevel. Dit betekent dat een luchtsnelheid van 0,625 m/s moet worden aangehouden.
  • De lifthal van de begane grond en de verdieping staan niet in open verbinding met elkaar. De ventilatiecapaciteit wordt per lifthal bepaald.

Berekening ventilatiecapaciteit
Volgens artikel 3.69, eerste lid, is de vereiste ventilatiecapaciteit voor een gemeenschappelijke verkeersruimte minimaal 0,7 dm3/m2 per seconde. Dit betekent de volgende ventilatiecapaciteiten:

  • Begane grond: 30 x 0,7 = 21 dm3/s
  • Verdieping: 25 x 0,7 = 17,5 dm3/s.

Opmerking: volgens artikel 3.69, eerste lid, van Bouwbesluit 2003 geldt de vereiste ventilatiecapaciteit van 0,7 dm3/s per m2 vrije vloeroppervlakte van de gemeenschappelijke verkeersruimte, gemeten over de ten minste vereiste breedte van die ruimte. De ten minste vereiste breedte van een gemeenschappelijke verkeersruimte van een woongebouw is volgens artikel 4.12, tweede lid, 1,2 meter. Dit betekent dat bij de bepaling van de vereiste ventilatiecapaciteit voor de lifthallen formeel niet de vloeroppervlakte van de gehele ruimte in rekening hoeft te worden gebracht. In dit voorbeeld is als praktisch uitgangspunt echter de volledige vloeroppervlakte van de gemeenschappelijke verkeersruimten in rekening gebracht.

Berekening benodigde ventilatieopening
De netto-doorlaat van de ventilatieopening kan worden berekend door de formule in te vullen:

  • qv = Anetto x v x 1.000
  • Anetto = qv/(v x 1.000)
  • qv = 0,7 dm3/s
  • v = 0,625 m/s

Begane grond: Anetto = 21/(0,625 x 1.000) = 0,0336 m2 (= 336 cm2)
Verdieping: Anetto = 17,5/(0,625 x 1.000) = 0,028 m2 (= 280 cm2)

Begane grond

Verdieping

Eisen aan ventilatie-openingen
In afdeling 3.12 en NEN 1087 zijn een aantal voorwaarden opgenomen waaraan deze ventilatie-openingen moeten voldoen:

Paragraaf 5.3.2 van NEN 1087

  • De beoogde ventilatiecomponenten bestaan uit niet-afsluitbare openingen (vereist volgens artikel 3.70, eerste lid van Bouwbesluit 2003). Dit betekent dat geen regelbare ventilatieroosters, zoals bij woningen, kunnen worden toegepast.
  • Van de voorziening voor luchtverversing mogen geen overstroomcomponenten (doorgaans spleten onder deuren) deel uitmaken. Bij een corridor met ventilatievoorzieningen op beide uiteinden, mag dus in het midden geen deur met een spleet onder die deur worden toegepast. Dit maakt in veel gevallen natuurlijke ventilatie onmogelijk en moet mechanische ventilatie worden toegepast.
  • De ventilatievoorzieningen moeten minimaal 2 meter van de perceelsgrens, respectievelijk het hart van het openbare gebied worden aangebracht (loodrecht op de gevel gemeten).

Afdeling 3.12 van Bouwbesluit 2003

  • De toevoer van verse lucht naar een gemeenschappelijke verkeersruimte moet volgens artikel 3.73, tweede lid, rechtstreeks van buiten plaatsvinden.
  • De afvoer van binnenlucht vanuit een gemeenschappelijke verkeersruimte moet volgens artikel 3.73, tweede lid, rechtstreeks naar buiten plaatsvinden.
  • Een opening voor de voorziening voor luchtverversing voor een gemeenschappelijke verkeersruimte mag volgens artikel 3.70, eerste lid, niet afsluitbaar zijn.

ACHTERGROND

Ventilatie van een gemeenschappelijke verkeersruimte in een woongebouw wordt in de praktijk nogal eens vergeten. Hoewel de ventilatie-eisen voor een gemeenschappelijke verkeersruimte in Bouwbesluit 2003 relatief laag zijn, moeten ventilatievoorzieningen worden toegepast om aan de eisen te voldoen. Deze ventilatiecapaciteit moet worden bepaald volgens NEN 1087. Dit informatieblad geeft inzicht in de bepalingsmethode en de noodzakelijke voorzieningen.

AANDACHTSPUNTEN

  • In de voorbeelden moet een gedeelte van de gevel brandwerend worden uitgevoerd. Als hierin een ventilatievoorziening wordt aangebracht, moet deze ook brandwerend zijn.
  • Gemeenschappelijke verkeersruimten die geen directe buitengevel hebben en dus inpandig zijn gelegen, zijn veel lastiger te ventileren. Natuurlijke ventilatie is veelal niet mogelijk, omdat de ventilatielucht rechtstreeks van buiten moet komen en er geen overstroomvoorzieningen mogen worden gepasseerd. In dat geval zal moeten worden gedacht aan mechanische ventilatie.
  • De eisen gelden ook voor een niet-besloten gemeenschappelijke verkeersruimte van een woongebouw (bijvoorbeeld een galerij). De openingen in zo’n galerij zijn echter zo groot dat zonder meer aan de vereiste ventilatiecapaciteit wordt voldaan.

OVERIGE INFORMATIE

  • Nota van toelichting bij Bouwbesluit 2003
  • Overveld, dr. ir. M. van, ‘Praktijkboek Bouwbesluit 2003’, Ministerie van VROM
  • NEN 1087 ‘Ventilatie van gebouwen - Bepalingsmethoden voor nieuwbouw’
  • NPR 1088 ‘Ventilatie van woningen en woongebouwen - Aanwijzingen voor en voorbeelden van de uitvoering van ventilatievoorzieningen’
  • NEN 2768 ‘Meterruimten en bijbehorende bouwkundige voorzieningen voor nutsvoorzieningen in een woonfunctie’