0

Verbouwing van een gevel; geluidsisolatie en ventilatie - 328

Aan de hand van het Bouwbesluit vaststellen welke eisen voor de geluidswering en ventilatie gelden bij de renovatie van een gevel.

OPLOSSINGSRICHTINGEN

Vijf stappen

Foto: Duco Ventilation & Sun Control.

Om dit probleem op te lossen moeten vijf stappen worden gezet, die weer zijn onder te verdelen in twee fasen.

Fase A. Opzoeken van de toepasselijke voorschriften (stap 1 t/m 4)

  1. Bepaal de relevante afdeling van het Bouwbesluit.
  2. Bepaal de relevante paragrafen.
  3. Bepaal de relevante gebruiksfunctie.
  4. Bepaal met de tabel in de paragrafen de relevante voorschriften.

Fase B. Toepassing van de voorschriften (stap 5)

  1. Aan de hand van twee voorbeeldsituaties worden de voorschriften uitgelegd.

Fase A. Opzoeken van de toepasselijke voorschriften (stap 1)

1. Bepaal de relevante afdeling van het Bouwbesluit
De voorschriften voor de geluidswering van de gevel staan in afdeling 3.1 ‘Bescherming tegen geluid van buiten’ van Bouwbesluit 2003. De voorschriften voor de ventilatie staan in afdeling 3.10 ‘Luchtverversing van een verblijfsgebied, verblijfsruimte, toiletruimte en badruimte’ van Bouwbesluit 2003.

2. Bepaal de relevante paragrafen
Afdeling 3.1 ‘Bescherming tegen geluid van buiten’ bevat alleen eisen voor nieuwbouw. Deze afdeling is niet onderverdeeld in paragrafen.

Afdeling 3.10: ‘Luchtverversing van een verblijfsgebied, verblijfsruimte, toiletruimte en badruimte’ bestaat uit paragraaf 3.10.1 ‘nieuwbouw’ en paragraaf 3.10.2 ‘bestaande bouw’. Op beide paragrafen wordt hierna ingegaan.

3. Bepaal de relevante gebruiksfunctie
Bij de uitwerking van de probleemstelling wordt uitgegaan van een ‘woonfunctie’.

4. Bepaal met de tabel in de paragrafen de relevante voorschriften
Tabel 3.1 van afdeling 3.1 bevat de artikelen 3.2 t/m 3.5. Artikel 3.2 betreft ‘industrie-, weg- of railverkeerslawaai’, artikel 3.3 betreft ‘luchtverkeerslawaai’, artikel 3.4 geeft specifieke eisen voor een verbouw-situatie en artikel 3.5 geeft specifieke eisen voor tijdelijke bouwwerken.

Tabel 3.46.1 van paragraaf 3.10.1 bevat de artikelen 3.47 t/m 3.53. Dit zijn de nieuwbouweisen voor de ventilatie. Hierin zijn geen specifieke voorschriften gegeven voor een verbouwing.

Tabel 3.46.2 van paragraaf 3.10.2 bevat de artikelen 3.55 t/m 3.59. Dit zijn de eisen voor de ventilatie van bestaande bouwwerken.

Fase B. Toepassing van de voorschriften (stap 2)

5. Aan de hand van twee voorbeeldsituaties worden de voorschriften uitgelegd

Voorbeeld 1

Omschrijving situatie
In een bestaande gevel (ongeïsoleerde spouwmuurconstructie, enkel glas) van een verblijfsruimte worden ventilatieroosters aangebracht. De bestaande ventilatievoorziening van de verblijfsruimte (een beweegbaar raam) voldoet aan de eisen voor bestaande bouwwerken van Bouwbesluit 2003 en blijft gehandhaafd.

Uitwerking
Aangezien de bestaande ventilatievoorziening van de verblijfsruimte voldoende is, zijn de nieuwe ventilatieroosters niet nodig om te voldoen aan de ventilatie-eisen van Bouwbesluit 2003. In dat geval gelden er volgens Bouwbesluit 2003 geen eisen voor de ventilatie of geluidswering van het rooster. Het is in dat geval toegestaan om een ventilatierooster toe te passen dat niet regelbaar is als bedoeld in artikel 3.50 van Bouwbesluit 2003.
De bestaande ventilatievoorziening voor een verblijfsruimte van een woning is voldoende als is voldaan aan artikel 3.56, eerste en tweede lid. Dit betekent dat de capaciteit van de voorziening (zowel toe- als afvoer) ten minste 0,7 dm3/s per m2 vloeroppervlakte van de desbetreffende ruimte moet zijn. Hierbij geldt voor een verblijfsruimte een ondergrens van 7,0 dm3/s en voor een verblijfsruimte met een keuken een ondergrens van 21,0 dm3/s.

Foto: Duco Ventilation & Sun Control.

Geluidsbelaste gevel
Een uitzondering vormt de situatie dat het gaat om een geluidsbelaste gevel waarvoor specifieke geluidswerende voorzieningen zijn aangebracht. In dat geval mag het aanbrengen van de roosters er niet toe leiden dat de geluidswering van de gevel (het geheel aan aanwezige constructies, te weten, metselwerk, glas en roosters) verslechtert. Aan de hand van het Bouwbesluit kan dit als volgt worden uitgelegd.
De gevel heeft een verandering ondergaan; er zijn ventilatieroosters aangebracht. De voorschriften voor geluidsisolatie zijn niet gegeven op het objectniveau ‘bouwdeel of scheidingsconstructie’, maar op het objectniveau ‘ruimte’. Dit heeft tot gevolg dat het al of niet op ruimteniveau voldoen aan de nieuwbouweisen tot twee verschillende situaties leidt. Beide situaties worden hierna beschreven.

Situatie 1
De eerste situatie is dat de karakteristieke geluidswering van de gevel voldoet aan de eisen die voor nieuwbouw gelden. Volgens artikel 3.2, eerste lid, van Bouwbesluit 2003 moet de karakteristieke geluidswering van de gevel bij wegverkeerslawaai minimaal gelijk zijn aan de geluidsbelasting op de gevel minus 35 dB(A). Is de geluidsbelasting bijvoorbeeld 65 dB(A), dan moet de karakteristieke geluidswering van de gevel minimaal 65 – 35 = 30 dB(A) bedragen. De nieuw aangebrachte ventilatievoorzieningen mogen nu echter in gesloten toestand worden beproefd. De ventilatievoorziening die voldeed aan de voorschriften voor bestaande bouw (te openen ramen) is immers gehandhaafd. De kans dat als gevolg van het aanbrengen van een ventilatievoorziening niet meer aan de nieuwbouwvoorschriften wordt voldaan is dan ook klein. Ontstaat daardoor toch een strijdigheid dan kunnen burgemeester en wethouders op basis van artikel 3.4, eerste lid, eventueel ontheffing verlenen tot een karakteristieke geluidswering die maximaal 10 dB(A) lager ligt. In dit geval dus tot een niveau dat niet lager is dan 20 dB(A).

Burgemeester en wethouders kunnen alleen ontheffing verlenen als ze van mening zijn dat in redelijkheid niet aan de nieuwbouwvoorschriften kan worden voldaan en het nieuwbouwniveau zoveel mogelijk is benaderd. Voor het verbouwen van een bouwwerk gelden immers in beginsel de nieuwbouwvoorschriften. De aan burgemeester en wethouders toegekende bevoegdheid tot het verlenen van ontheffing betekent dat burgemeester en wethouders, afhankelijk van de situatie ter plaatse, het niveau kunnen bepalen waaraan het verbouwde moet voldoen. Dat niveau zal moeten liggen tussen het niveau dat voor de nieuwbouw geldt en het niveau tot waar de ontheffing maximaal mag worden verleend. Zoals aangegeven zal dit in de praktijk erop neerkomen dat de bestaande geluidswering door het aanbrengen van de roosters niet verslechterd.
Het voorgaande is ook van toepassing op een situatie waarbij bestaande roosters worden vervangen door roosters die een lagere demping hebben. Suskasten mogen dan dus niet worden vervangen door gewone roosters.

Situatie 2
De tweede situatie is dat de karakteristieke geluidswering van de gevel niet voldoet aan de eisen die voor nieuwbouw gelden. In dat geval zal met het alleen aanbrengen van ventilatieroosters niet alsnog aan de nieuwbouweisen kunnen worden voldaan. Gelet op het bepaalde in artikel 4 van de Woningwet blijven de nieuwbouwvoorschriften dan buiten toepassing.

Conclusie
Bij het aanbrengen van een ventilatierooster in een verblijfsruimte die voldoet aan de ventilatie-eisen voor bestaande bouw van Bouwbesluit 2003 (door de aanwezigheid van bijvoorbeeld klepramen of bestaande ventilatieroosters), behoeft het ventilatierooster niet aan de nieuwbouw-eisen voor ventilatie van Bouwbesluit 2003 te voldoen. Is echter sprake van een geluidsbelasting op de gevel, dan mag het aanbrengen van de ‘nieuwe’ ventilatieroosters er niet toe leiden dat een gevel waarvan de geluidswering voldoet aan de nieuwbouweisen, na het aanbrengen van de roosters daaraan (gemeten in gesloten toestand) niet meer voldoet. Eventueel kan hiervan ontheffing worden verleend

Voorbeeld 2

Omschrijving situatie
Een bestaande gevel (ongeïsoleerde spouwmuurconstructie, enkel glas) van een verblijfsruimte wordt gerenoveerd. Hierbij worden de ramen met enkele beglazing vervangen door ramen met dubbele beglazing. Tevens worden ventilatieroosters aangebracht.

Uitwerking
Aangezien de ramen volledig worden vervangen moeten ze aan de nieuwbouwvoorschriften voldoen. Met het aanbrengen van nieuwe ramen met geluidswerend glas kan aan de nieuwbouweisen worden voldaan. Burgemeester en wethouders kunnen hiervan ontheffing verlenen als zij van mening zijn dat in redelijkheid niet aan de nieuwbouwvoorschriften kan worden voldaan. Zoals in voorbeeld 1 al is aangegeven moet het nieuwbouwniveau zoveel mogelijk worden benaderd. Het niveau dat in Bouwbesluit 2003 voor een verbouwing is aangegeven, mag niet wordt onderschreden. Dit is voor ventilatie het niveau voor bestaande bouw.
Voor geluidswering mag de ontheffing alleen worden verleend als de geluidswering niet meer dan 10 dB lager is dan op grond van de nieuwbouwvoorschriften zou zijn vereist.

Dat de nieuwe ventilatieroosters moeten voldoen aan de nieuwbouwvoorschriften betekent dat de ventilatieroosters een voldoende capaciteit moeten hebben en zodanig moeten worden geplaatst dat geen tochthinder ontstaat. In het Bouwbesluit is dat aangeduid als ‘thermisch comfort’. Hieraan wordt geacht te worden voldaan als de roosters op minimaal 1,8 meter boven de vloer worden geplaatst. Tevens moeten deze ventilatieroosters regelbaar zijn als bedoeld in artikel 3.50, eerste lid, van Bouwbesluit 2003 (zie ook ‘aandachtspunten’).
Is de verblijfsruimte tevens aan te merken als verblijfsgebied dan moet een ventilatiecapaciteit op verblijfsgebiedniveau aanwezig zijn. Dit moet sowieso als de ramen (en buitendeuren) van een heel verblijfsgebied worden vervangen.

Conclusie
Bij het volledig vervangen van de ramen van een verblijfsruimte moeten de ventilatieroosters voldoen aan de nieuwbouw-eisen voor ventilatie van Bouwbesluit 2003. Is sprake van een geluidsbelasting op de gevel, dan kan eventueel ontheffing worden verleend als de geluidswering niet meer dan 10 dB lager is dan op grond van de nieuwbouwvoorschriften zou zijn vereist.

ACHTERGROND

Toepassing van de voorschriften voor geluidswering en ventilatie bij een renovatie blijkt in de praktijk vaak lastig. Dit is met name het geval bij de renovatie van een gevel. Vaak blijft daarin de bestaande metselwerkgevel gehandhaafd, terwijl de kozijnen en het glas vervangen worden. Ook het aanbrengen van ventilatieroosters is dan meestal aan de orde. De gerenoveerde gevel bestaat uiteindelijk dus uit bestaande onderdelen en nieuwe onderdelen. Moet deze gerenoveerde gevel nu voldoen aan de eisen voor bestaande bouwwerken, nieuwe bouwwerken of beide?

Bouwbesluit 2003 spreekt bij een renovatie van een gevel over het ‘gedeeltelijk vernieuwen of veranderen of het vergroten van een bouwwerk’ (verbouwing). Elke verandering aan een bouwwerk moet in beginsel aan de nieuwbouwvoorschriften voldoen. Maar bij een verbouwing kan er volgens Bouwbesluit 2003 ontheffing worden verleend. In dit informatieblad worden de onderdelen ‘geluidswering’ en ‘ventilatie’ bij de renovatie van een gevel nader belicht.

AANDACHTSPUNTEN

  • Een ventilatierooster moet door de gebruiker ‘regelbaar’ zijn in het gebied van 0 tot 25 procent van de vereiste capaciteit. Verder mag de voorziening in de nulstand niet meer doorlaten dan 10 procent van de capaciteit. De fijnregeling moet volgens NEN 1087, naast de nulstand, ten minste twee instelstanden hebben die onderling ten minste 10 procent van de capaciteit verschillen. De luchtvolumestroom door een zelfregelende voorziening mag over het drukverschil van 1 Pa tot 25 Pa niet meer dan 20 procent van de nominale capaciteit (wordt opgegeven door de leverancier) verschillen.
  • Naast de twee voorbeelden die in dit infoblad worden gegeven, is het ook denkbaar dat de ventilatievoorziening in de gevel blijft gehandhaafd, maar dat de oppervlakte van de achterliggende verblijfsruimte wordt vergroot. In dat geval zal moeten worden nagegaan of de aanwezige ventilatievoorzieningen nog toereikend zijn voor deze vergrote verblijfsruimte. Voor de bepaling van de vereiste capaciteit zal in beginsel moeten worden uitgegaan van de nieuwbouwvoorschriften. Dat is minimaal 0,9 dm3/s per m2 vloeroppervlakte; er is immers sprake van een nieuw stukje ‘verblijfsgebied/verblijfsruimte’. Kan hieraan met de bestaande ventilatievoorzieningen niet worden voldaan, dan kunnen burgemeester en wethouders ontheffing verlenen tot het niveau voor bestaande bouw (minimaal 0,7 dm3/s per m2 vloeroppervlakte). Is de bestaande ventilatievoorziening ook ontoereikend voor de oppervlakte van de vergrote verblijfsruimte (dus uitgaande van de eisen voor bestaande bouw) dan moeten aanvullende ventilatievoorzieningen worden toegepast. In het geval van een ‘uitbouw’ kan dit het aanbrengen van nieuwe ventilatieroosters zijn. Deze roosters moeten dan voldoen aan de nieuwbouw-voorschriften (zie voorbeeld 1).