0

Voegen van metselwerk; meetmethode voeghardheid - 044

Het eenduidig vaststellen van de hardheid van voegwerk. De meetmethode voeghardheid maakt het mogelijk kwalitatieve criteria aan te leggen voor verschillende soorten voegwerk en deze achteraf te controleren op het bereikte resultaat. Voor het meten van de voeghardheid wordt gebruik gemaakt van de voeghardheidsmeter.

OPLOSSINGSRICHTINGEN

1. Voeghardheidsmeter

De voeghardheid wordt gemeten met de Pendelhammer PM van Schmidt (Figuur A). Het instrument is uitgerust met een slagstift die met een pendelbeweging op het oppervlak van de mortel slaat. De afstand, die na terugslag van de stift wordt afgelegd, kan worden afgelezen op een schaal. Hoe harder de voeg is, des te groter de terugslag.

Figuur A De voeghardheidsmeter.

Gebruik

a. De voeghardheidsmeter is niet bruikbaar bij voegen smaller dan 8 mm, diepliggende voegen en voegen met een niet-verticaal oppervlak zoals schaduwvoegen. Als bij diepliggende voegen niet op de lintvoegen kan worden gemeten, lukt dat soms nog wel bij de stootvoegen.
b. In principe dient de meter '0' aan te wijzen als de meetstift tegen het voegoppervlak rust. Bij afwijkingen tot en met +5 of -5 schaaldelen is een correctie van de meetuitkomst mogelijk door de afwijking op te tellen bij, respectievelijk af te trekken van de meetuitkomst. Gebruik bij een grotere plusafwijking een vulplaatje onder de zool van het apparaat. Bij een grotere minafwijking kan niet worden gemeten.
c. Houdt de zool van de voeghardheidsmeter verticaal. Druk de meter stevig tegen de ondergrond. De meter mag tijdens de val van de meetstift niet bewegen.
d. Zorg ervoor dat de meetstift het voegoppervlak vol raakt. Een kleine cirkelvormige witte afdruk moet dan zichtbaar zijn. Wordt het voegoppervlak niet goed geraakt, dan levert dit meestal een te lage meetwaarde op. Laat de meetstift nooit vaker dan éénmaal op dezelfde plek vallen.
e. Laat de meetkop vrij vanuit zijn startpositie vallen. De meetwaarde wordt vastgehouden tot de meetkop weer in zijn startpositie wordt gezet.
2. Meetmethode voeghardheid
a. Er worden voor de bepaling van de voeghardheid alleen metingen uitgevoerd op lintvoegen.
b. Maatgevend is de mediaan, dat is de middelste getalwaarde van negen individuele metingen. De vier hoogste en de vier laagste waarden worden dus buiten beschouwing gelaten.
c. Meet ten minste éénmaal op iedere voorkomende geveloriëntering. Het aantal meetplaatsen (meetvlakken) hangt af van aard en omvang van het project.
project < 100 m2 2 meetvlakken
project 100 - 500 m2 6 meetvlakken
project 500 - 1000 m2 10 meetvlakken
project 1000 - 5000 m2 20 meetvlakken
project 5000 - 10.000 m2 30 meetvlakken
project > 10.000 m2 35 meetvlakken
d. Een meetvlak is 1 x 1 m2. Voer per meetvlak negen metingen uit (Figuur B, links).
e. Neem voor een meting het midden van een stukje lintvoeg tussen een onder- en een bovenliggende stootvoeg (Figuur B, midden).
f. De meetstift dient de voeg zoveel mogelijk in het midden te raken op een vlak stuk voeg. Metingen waarbij een steen wordt geraakt, zijn ongeldig
g. Noteer bij elke serie van negen geldige metingen de zogeheten nulwaarde. Dat is het aantal schaaldelen dat de meter aangeeft wanneer de meetstift tegen het voegoppervlak rust. Bepaal de nulwaarde op vijf plaatsen binnen het meetvlak (Figuur B, rechts). Noteer de gemiddelde waarde. Bij een nulwaarde tot en met +5 of -5 schaaldelen kan de meetwaarde hiermee worden gecorrigeerd. Bij een hogere nulwaarde dan +5 moet een vulplaatje worden gebruikt. Bij een lagere nulwaarde dan -5 kan niet worden gemeten.
i. Bij een ouderdom van het voegwerk van veertien dagen moet de volgende voeghardheid worden gemeten:
  • Bij een zand-cementmortel ten minste 70% van de onderwaarde van de vereiste voeghardheidsklasse.
  • Bij een bastaardmortel tenminste 60% van de onderwaarde van de vereiste voeghardheidsklasse.
  • Bij een kalkhoudende mortel tenminste 50% van de onderwaarde van de vereiste voeghardheidsklasse.
  • Bij voegmortels waaraan een polymeer (hechtemulsie) is toegevoegd, mag de gemeten voeghardheid ongeveer vijf punten lager uitvallen dan bij een vergelijkbare voegmortel zonder hechtmiddel. Men mag ook vijf punten bij de meetwaarde optellen.

De vereiste voeghardheidsklasse is te vinden in Tabel A van het SBR-Infoblad 043: Voegen van metselwerk, kwaliteitsbeheersing. De vereiste onder- en bovenwaarden zijn aldaar eveneens te vinden in Tabel C behoudens uitzonderingen (zie punt 1a).

Figuur B Meetpunten in het meetvlak.

ACHTERGROND

Nederland is een van de weinige landen waar de metselmortel doorgaans niet direct wordt afgewerkt (doorstrijkwerk), maar het metselwerk achteraf wordt gevoegd. Duurzaam voegwerk vereist een goed evenwicht tussen esthetische keuze en technische kwaliteit. Voeghardheid is een zeer bruikbare maatstaf voor de technische kwaliteit van voegen.
De hardheid van voegwerk kan achteraf worden vastgesteld. Hoewel de hardheid van de voeg niet het enige kwaliteitscriterium is, is zij wel van doorslaggevend belang voor de technische kwaliteit van het voegwerk. De hardheid van de voeg zegt namelijk ook iets over de hechtsterkte van de gebruikte mortel en de mate waarin vocht en vuil kunnen inwerken op het voegwerk.

AANDACHTSPUNTEN

  • De voeghardheidsmethode vervangt niet geheel de oude methode van krassen, steken en prikken.
  • In aanvulling op de voeghardheidsmethode kan door het steken met een dun mesblad worden vastgesteld of er voldoende verdichting van de voegspecie is op of nabij het grensvlak voeg/steen.
  • Door gladstrijken en/of gedeeltelijke carbonatie van een kalkvoeg kan slechts de oppervlakte hard zijn. Prikken met een priem geeft een indruk of er zich onder deze harde laag van de voeg een laag met geringe samenhang bevindt.

Reacties

Nog geen reacties

Reageer

Waardeer dit infoblad