0

Welke eisen gelden voor de warmteweerstand van geïsoleerde paneelconstructies? - 246

Aan de hand van het Bouwbesluit bepalen welke eisen worden gesteld aan de warmteweerstand van geïsoleerde paneelconstructies.

OPLOSSINGSRICHTINGEN

Vijf stappen in twee fasen

Ter oplossing van dit probleem dienen in twee fasen vijf stappen te worden gezet.

Instructief voorbeeld
Het probleem zal worden opgelost aan de hand van een paneelconstructie die wordt toegepast in een grondgebonden nieuw te bouwen permanente eengezinswoning. Ter oplossing van het probleem dienen de volgende stappen te worden gezet:
Fase A. Opzoeken van de toepasselijke voorschriften (stap 1 t/m 4)

  1. De relevante afdeling (van het Bouwbesluit) opzoeken;
  2. De relevante paragraaf (van de afdeling(en)) selecteren;
  3. Aan de hand van de tabel in de paragraaf een relevante gebruiksfunctie selecteren;
  4. Aan de hand van de tabel in de paragraaf de relevante voorschriften selecteren.

Fase B. Toepassing van de voorschriften (stap 5)

  1. Aan de hand van de geselecteerde voorschriften (stap 4) vaststellen welke eisen worden gesteld aan de warmteweerstand van geïsoleerde paneelconstructies.

Fase A. Opzoeken van de toepasselijke voorschriften (stap 1 t/m 4)

  1. De relevante afdeling (van het Bouwbesluit) opzoeken
    De voorschriften met betrekking tot ‘warmteweerstand’ zijn gegeven in afdeling 5.1 van het Bouwbesluit: ‘Thermische isolatie’.
  2. De relevante paragraaf (van de afdeling) selecteren
    Beantwoord de vraag of het gaat om nieuwbouw dan wel bestaande bouw. Het voorbeeld betreft een nieuw te bouwen woning. Afdeling 5.1 is overigens niet onderverdeeld in paragrafen; dit betekent dat er geen voorschriften zijn gegeven voor bestaande bouwwerken. In het vervolg zal dan ook alleen worden ingegaan op nieuwbouwvoorschriften.
  3. Aan de hand van de tabel in de paragraaf een relevante gebruiksfunctie selecteren
    Het voorbeeld betreft een ‘grondgebonden eengezinswoning’. Hiervoor gelden volgens tabel 5.1 de voorschriften die zijn gegeven bij een ‘andere woonfunctie’ (d.w.z. alle woonfuncties, behalve een woonfunctie van een woonwagen).
  4. Aan de hand van de tabel in de paragraaf de relevante voorschriften selecteren
    Voor een ‘andere woonfunctie’ zijn de volgende artikelleden relevant: - artikel 5.2 lid 1 t/m 3; zie toelichting - artikel 5.3 lid 1; zie toelichting - artikel 5.5 lid 1; zie toelichting

Toelichting Artikel 5.2 lid 1 t/m 3

Artikel 5.2 lid 1 Een uitwendige scheidingsconstructie van een verblijfsgebied, een toiletruimte of een badruimte, heeft een volgens NEN 1068 bepaalde warmteweerstand van ten minste 2,5 m2.K/W.

Toelichting
De verblijfsgebieden, de toiletruimten en de badruimten moeten binnen de thermische schil van een gebruiksfunctie liggen. Het is toegestaan om de grens te leggen ter plaatse van een inwendige scheidingsconstructie (bijvoorbeeld tussen een verblijfsgebied en een verkeersruimte); het is echter gebruikelijk de thermische schil op een logische plaats te leggen rondom de gehele gebruiksfunctie.

Artikel 5.2 lid 2 Een constructie die de scheiding vormt tussen een verblijfsgebied, een toiletruimte of een badruimte en een kruipruimte, met inbegrip van de op die constructie aansluitende delen van andere constructies, voorzover die delen van invloed zijn op de warmteweerstand, heeft een volgens NEN 1068 bepaalde warmteweerstand van ten minste 2,5 m2.K/W.

Toelichting
Dit voorschrift heeft, in afwijking van artikel 5.1, specifiek betrekking op de thermische schil tussen een gebruiksfunctie en de kruipruimte.

Artikel 5.2 lid 3 Een inwendige scheidingsconstructie die de scheiding vormt tussen een verblijfsgebied, een toiletruimte of een badruimte, en een ruimte die niet wordt verwarmd of die wordt verwarmd voor uitsluitend een ander doel dan het verblijven van mensen, heeft een volgens NEN 1068 bepaalde warmteweerstand van ten minste 2,5 m2.K/W.

Toelichting
Alle ruimten die niet binnen een thermische schil liggen zijn niet-verwarmde ruimten. Een garage is bijvoorbeeld een permanent sterk geventileerde ruimte en kan nooit een verwarmde gebruiksfunctie zijn. Derhalve geldt dit artikellid bijvoorbeeld voor de inwendige scheidingsconstructie tussen een woonfunctie en een garage. Wordt de thermische schil gelegd om een onverwarmde (niet sterk geventileerde) gebruiksfunctie waarvoor geen Rc-waarde is voorgeschreven (bijvoorbeeld een aangrenzende bergruimte) dan moet de thermische schil geacht worden te liggen op de inwendige scheidingsconstructie tussen beide gebruiksfuncties. In dat geval mag de equivalente warmteweerstand van die scheidingsconstructie worden bepaald waarbij de bergruimte als positief effect in rekening mag worden gebracht. Deze theorie valt verder buiten de reikwijdte van dit Infoblad.

Toelichting Artikel 5.3 lid 1
In afwijking van artikel 5.2 hebben ramen, deuren, kozijnen en daarmee gelijk te stellen constructieonderdelen, gelegen in een scheidingsconstructie als bedoeld in dat artikel, een volgens NEN 1068 bepaalde warmtedoorgangscoëfficiënt van ten hoogste 4,2 W/(m2.K).

Toelichting
De warmteweerstand van ramen en deuren kan niet voldoen aan de in artikel 5.2 gestelde eis. Dit geldt bijvoorbeeld ook voor in kozijnen opgenomen borstweringen (panelen). Deze panelen worden aangemerkt als met ramen en deuren gelijk te stellen constructieonderdelen. Op grond van dit artikel mag daarom voor dit soort constructieonderdelen worden volstaan met een lagere isolatiewaarde. Op deze wijze kunnen binnen de gangbare afmetingen van kozijnstijlen borstweringen worden toegepast die niet voldoen aan artikel 5.2.

Toelichting Artikel 5.5 lid 1
Artikel 5.2, eerste tot en met derde lid, en artikel 5.3 zijn niet van toepassing voor een deel van de totale oppervlakte aan scheidingsconstructies, dat overeenkomt met ten hoogste 2 % van de gebruiksoppervlakte van de gebruiksfunctie.

Toelichting
Uit praktisch oogpunt is het noodzakelijk dat gedeelten van de uitwendige scheidingsconstructie niet geïsoleerd behoeven te zijn. Dit geldt bijvoorbeeld voor ventilatieroosters, leidingdoorvoeren en brievenbussen.

Fase B. Toepassing van de voorschriften (stap 5)
Nu de voorschriften (artikel 5.2 lid 1 t/m 3; artikel 5.3 lid 1 en artikel 5.5 lid 1) in vier stappen zijn gevonden, moeten deze voorschriften worden toegepast. Als volgt:
5. Aan de hand van de geselecteerde voorschriften (stap 4) vaststellen welke eisen worden gesteld aan de warmteweerstand van geïsoleerde paneelconstructies

Uit de geselecteerde artikelleden blijkt dat de eis voor de warmteweerstand waaraan een geïsoleerde paneelconstructie moet voldoen afhankelijk is van een aantal factoren:

  1. in welke gebruiksfunctie de paneelconstructie wordt toegepast;
  2. of de paneelconstructie is gelegen in de thermische schil;
  3. of de paneelconstructie kan worden aangemerkt als een met een raam, deur of kozijn gelijk te stellen constructieonderdeel;
  4. of voor de geïsoleerde paneelconstructie in de EP(energieprestatie)-berekening een hogere warmteweerstand nodig is, dan minimaal volgens de betreffende artikelen is vereist.

Ad. 1: In welke gebruiksfunctie de paneelconstructie wordt toegepast
Wordt een geïsoleerde paneelconstructie toegepast in een scheidingsconstructie van een gebruiksfunctie waarvoor volgens tabel 5.1 (zie stap 3) geen voorschriften zijn aangewezen; dan gelden in beginsel geen eisen aan de warmteweerstand van de betreffende constructie. Dit geldt bijvoorbeeld voor de uitwendige scheidingsconstructie (gevels en dak) van een overige gebruiksfunctie zoals een bergruimte of een garage. Wordt een geïsoleerde paneelconstructie toegepast in een scheidingsconstructie van een gebruiksfunctie waarvoor volgens tabel 5.1 (zie stap 3) voorschriften zijn aangewezen; dan geldt voor deze constructie in beginsel een Rc-waarde van minimaal 2,5 m2.K/W. Zie verder ook ad. 3.

Ad. 2: Of de paneelconstructie is gelegen in de thermische schil
Het is mogelijk dat in een bepaalde situatie constructie-onderdelen van een gebruiksfunctie buiten de thermische schil liggen. Dit is bijvoorbeeld het geval bij een onverwarmd portaal voor een woningtoegangsdeur. In dat geval ligt de thermische schil tussen de woning en het portaal; voor een eventueel toegepaste geïsoleerde paneelconstructie in de gevel van het portaal gelden dan in beginsel geen eisen.

Ad. 3: Of de paneelconstructie kan worden aangemerkt als een met een raam, deur of kozijn gelijk te stellen constructie-onderdeel
In het Bouwbesluit en NEN 1068 wordt geen definitie gegeven voor ‘een met een raam, deur of kozijn gelijk te stellen constructie-onderdeel’. In de toelichting bij artikel 5.3 wordt echter duidelijk aangegeven dat dit artikel bijvoorbeeld geldt voor in kozijnen opgenomen borstweringen (paneel als een geïsoleerd deel binnen het vlak van het kozijn). Dergelijke panelen behoeven niet te voldoen aan de volgens artikel 5.2 vereiste Rc-waarde van 2,5 m2.K/W; voor dergelijke panelen mag worden volstaan met een warmtedoorgangscoëfficiënt (U-waarde) van maximaal 4,2 W/(m2.K) (of Rc = 0,07 m2.K/W). Voor paneelconstructies die niet binnen het vlak van een kozijn zijn gelegen maar dienen als gevelconstructie, geldt deze uitzondering niet. Dergelijke panelen moeten wel voldoen aan de volgens artikel 5.2 vereiste Rc-waarde van 2,5 m2.K/W. Zie verder de aandachtspunten voor het verschil tussen een Rc-waarde en een U-waarde.

Ad. 4: Of voor de geïsoleerde paneelconstructie in de EP-berekening een hogere warmteweerstand is vereist dan minimaal volgens de betreffende artikelen is vereist
Kan op basis van artikel 5.1 of artikel 5.3 voor een geïsoleerde paneelconstructie worden volstaan met resp. een Rc-waarde van minimaal 2,5 m2.K/W of een U-waarde van maximaal 4,2 W/(m2.K); het is mogelijk dat, om te voldoen aan de EP-eis volgens afdeling 5.3 van het Bouwbesluit 2003, een hogere (Rc-) resp. lagere (U-) waarde moet worden toegepast. Als dat het geval is, moet deze hogere (Rc-) resp. lagere (U-) waarde worden aangehouden.

ACHTERGROND

De eisen met betrekking tot thermische isolatie zijn opgenomen in hoofdstuk 5: 'energiezuinigheid'. Deze eisen worden gegeven om het gebruik van fossiele brandstof te beperken. Daarbij is het belangrijkste doel het beperken van de CO2-emissie. De voorschriften met betrekking tot de thermische isolatie zijn onderdeel van hoofdstuk 5 en hebben als specifieke doelstelling: 'het beperken van warmteverlies door overdracht of geleiding'. Voor bestaande bouw stelt het Bouwbesluit geen eisen aan de thermische isolatie.

AANDACHTSPUNTEN

  • Voor ramen, kozijnen, deuren en daarmee gelijk te stellen constructie-onderdelen worden in het Bouwbesluit eisen gesteld aan de U-waarde (warmtedoorgangscoëfficiënt); voor overige constructie-onderdelen geldt een eis aan de Rc-waarde (warmteweerstand). De Rc-waarde is de reciproke-waarde van de U-waarde, verminderd met de overgangsweerstanden:
    Een overgangsweerstand is een weerstand die moet worden overbrugd als een bepaalde warmtestroom van bijvoorbeeld de binnenlucht overgaat op een uitwendige scheidingsconstructie (Rsi) en van daaruit overgaat naar de buitenlucht (Rse).
  • De Rc-waarde en U-waarde als voornoemd moeten worden bepaald volgens NEN 1068:2001. Hierin kan onderscheid worden gemaakt in een numerieke bepalingsmethode en een handrekenmethode. De numerieke bepalingsmethode (computerberekening) is opgenomen in NEN 1068 (hoofdstuk 11). Deze is het nauwkeurigst. Het opstellen van een dergelijke berekening kost (ondanks het gebruik van een computer) ten opzichte van de handrekenmethode veel tijd. De handrekenmethode is een vereenvoudigde rekenmethode die is opgenomen in de NPR 2068:2002. Deze methode is conservatiever dan de numerieke methode in NEN 1068. Over het algemeen zal de numerieke methode worden gebruikt voor attesten of referentiedetails; de handrekenmethode is een methode die veelal projectmatig zal worden toegepast; zie hiervoor het volgende aandachtspunt.
  • Een paneelconstructie is een zogeheten ‘samengestelde constructie’. In een dergelijke constructie bevinden zich meer dan twee materialen, bijvoorbeeld hout (stijl- en regelwerk) en isolatiemateriaal. In de NPR 2068:2002 is aangegeven dat dergelijke constructies uit meer dan één sectie bestaan. Voor de berekening van een paneelconstructie als gevelelement (Rc-waarde minimaal 2,5 m2.K/W) is in paragraaf 7.2 van NPR 2068:2002 een handrekenmethode gegeven. Voor de bepaling van de U-waarde van een kozijn met paneel is in paragraaf 7.4 een handrekenmethode gegeven.