0

Zwevende dekvloer: constructieve schade voorkomen - 116

Het zodanig ontwerpen van een cementgebonden of calciumsulfaatgebonden zwevende dekvloer, dat de kans op hinderlijke scheurvorming minimaal is.

OPLOSSINGSRICHTINGEN

1. Spreid de belastingen; reken met de werkelijk optredende punt- en lijnlasten

Ontwerp de dekvloer op werkelijk optredende belastingen. De grootste spanningen ontstaan onder punt- en lijnlasten (zware scheidingswanden, volle boekenkast, aquarium of vleugel op zwenkwielen), vooral langs de randen van de vloer. NB: Berekening volgens NEN 6702 is niet bedoeld voor dekvloeren. In deze norm werkt een puntlast bijvoorbeeld op een oppervlak van 0,5 x 0,5 m, terwijl de last in de praktijk bijvoorbeeld op 50 x 50 mm werkt.

2. Kies een verende laag die niet teveel vervormt

De vervorming van de verende laag hangt af van:

  • spreiding van de belasting (die weer afhangt van de dikte van de dekvloer);
  • dikte van de verende laag;
  • stijfheid en sterkte van de verende laag.

Vraag de leverancier om gegevens over (langeduur-)sterkte en stijfheid, en maak daarmee een constructieve berekening. Vuistregel: de verende laag mag niet meer vervormen dan 10 mm; in combinatie met vloerverwarming niet meer dan 5 mm.

Let op: de constructieve en akoestische eisen zijn strijdig. Voor een goede contactgeluidisolatie moet de verende laag voldoende slap zijn, maar om scheuren te voorkomen voldoende stijf.

3. Maak de dekvloer voldoende sterk

Calciumsulfaatgebonden dekvloer
Deze haalt zonder verdichten de sterkte-eis, zelfs op slap (akoestisch) isolatiemateriaal. De sterkteklassen GD20 en GD30 zijn het meest gangbaar voor zwevende dekvloeren.

Cementgebonden dekvloer
Op tamelijk slap (akoestisch) isolatiemateriaal is een hoge druksterkte niet te bereiken. Doordat de ondergrond meeveert, is de specie namelijk niet voldoende te verdichten. Leidingen of wapening in de dekvloer maken verdichten nog moeilijker. Sterkteklasse D20 is weinig realistisch: op hard isolatiemateriaal is nog wel een feitelijke druksterkte van 9 N/mm2 haalbaar (overeenkomend met 'D15'), op slap isolatiemateriaal blijft de druksterkte beperkt tot enkele N/mm2. Verdichten op slap isolatiemateriaal gaat beter als daarop eerst een dunne, harde plaat isolatie wordt aangebracht. Gietvloeren hebben op slap isolatiemateriaal de voorkeur.

Kifbeton op zwaluwstaartplaten
Hiermee is een hogere sterkte haalbaar dan bij een traditionele cementgebonden dekvloer: B15, wat overeenkomt met D30.

Wapenen of niet?
Zogenoemde 'krimpwapening' heeft constructief geen nut. Een grotere dikte is te verkiezen boven wapenen (zie oplossingsrichting 4). Constructieve wapening kan zin hebben in dekvloeren vanaf ongeveer 60 mm dik. Het beperkt de doorgroei van scheuren. Wapening moet als regel bovenin de dekvloer liggen. Wapening moet worden berekend door de constructeur. Op slap isolatiemateriaal is verdichten niet of nauwelijks mogelijk, zodat de wapening onvoldoende hecht. Wapening is nuttig waar leidingen van een vloerverwarming samenkomen, en in de binnenhoek van een L-vormige plattegrond. In het laatste geval is een bewegingsvoeg een veiliger maatregel. Wapening is nodig bij cementgebonden dekvloeren, waarbij over de hoogte een temperatuurverschil optreedt van meer dan 20 oC. De kans daarop is groot als de watertemperatuur van de vloerverwarming hoger is dan ongeveer 40 oC.

4. Maak de dekvloer voldoende dik

Voor nauwkeurige bepaling van de dikte is berekening door een constructeur nodig. Voor de woningbouw geeft de tabel voor bijna alle gevallen goede resultaten.

Tabel. Minimale dikte van de dekvloer in mm

sterkteklasse zonder vloerverwarming met vloerverwarming
vervorming =< 5 mm vervorming >5 en =< 10 mm vervorming =< 5 mm vervorming >5 en =< 10 mm
D15
D 20**
70
60
75
65
75
70
80
75
GD 20
GD 30
35
30
40
35
55
45
*
*
* isolatiemateriaal te slap
** kwaliteit in de praktijk moeilijk haalbaar, zie oplossingsrichting 3 - cementgebonden dekvloer

Uitgangspunten bij de tabel

  • Maatgevend is een puntbelasting van 1,5 kN op een hoek van de dekvloer, op een oppervlak van 40 mm x 40 mm. Houd ook bij kleinere belastingen de aangegeven dikten aan.
  • Geen vloerverwarming, of vloerverwarming die aan de volgende eisen voldoet: middellijn van de leidingen ten hoogste 20 mm, afstand tussen de leidingen minstens driemaal de middellijn, dekking op de leidingen minstens 25 mm, leidingen niet hoger dan halverwege de dikte van de dekvloer (voorkeur), of door de onderzijde van dekvloer, of tegen de onderzijde van de dekvloer. Eventueel een montagenet aanbrengen.
  • Akoestisch isolatiemateriaal. Voor (stijver) thermisch isolatiemateriaal zijn de opgegeven dikten aan de veilige kant.
  • Gebruik van gecertificeerde mortels. De buigtreksterkte (in N/mm2) moet voor een cementgebonden dekvloer D15 gemiddeld minstens 1,0 zijn, met een 5%-ondergrens van 0,6; bij D20 gemiddeld minstens 1,5 met een 5%-ondergrens van 1,0; bij calciumsulfaatgebonden dekvloeren volgens CUR-Aanbeveling 62.
  • In deze tabel is geen rekening gehouden met het krulprobleem (het opkrullen van de randen van een cementgebonden dekvloer door droging van bovenaf). Remedie: 10 mm extra dikte.
  • Vuistregel bij zwaluwstaartplaat: de zwaluwstaart-hoogte (ofwel diepte van de cannelure) voor de helft in rekening brengen bij de dikte.
5. Zorg voor een goede detaillering en zorgvuldige uitvoering
  • Deze onderwerpen worden nader toegelicht in Infobladen 118 Zwevende dekvloer: detaillering en 119 Zwevende dekvloer: uitvoering .

ACHTERGROND

Een zwevende dekvloer kan voor verschillende problemen een oplossing bieden:

  • verbetering van de geluidsisolatie;
  • thermische isolatie, meestal in combinatie met vloerverwarming;
  • constructieve scheiding. Een zwevende dekvloer voorkomt dat scheuren uit de draagvloer zich doorzetten in de dekvloer en in de vloerafwerking met bijvoorbeeld natuursteen of keramische tegels.

Door de verende ondersteuning kan in een zwevende dekvloer buiging ontstaan. Dat veroorzaakt spanningen. De buigtreksterkte is dan belangrijk; de druksterkte is meestal wel voldoende.
De grootste spanningen ontstaan onder punt- en lijnlasten. Bij gelijkmatig verdeelde belastingen zakt de dekvloer in zijn geheel en vervormt deze dus niet, zodat er ook geen spanningen ontstaan.
Er zijn goede methoden om een elastisch ondersteunde dekvloer te berekenen, maar de gegevens voor zo'n berekening (zoals stijfheid, sterkte, zowel van dekvloer als van verende laag) ontbreken.

AANDACHTSPUNTEN

  • Behalve 'natte' zwevende dekvloeren bestaan ook 'droge' oplossingen. Met als voordelen:
    - ze zijn minder gevoelig voor schade door onjuiste materiaalkeuze, detaillering en uitvoering;
    - er komt geen vocht in de woning;
    - ze hebben een laag gewicht en een kleine opbouwhoogte. Dat maakt ze bij uitstek geschikt voor renovatie;
    - de dekvloer kan direct na aanbrengen in gebruik worden genomen;
    - de akoestische kwaliteit is minder gevoelig voor uitvoeringsfouten.
  • Belangrijkste nadeel: de geluidsisolatie verbetert in de meeste gevallen minder dan bij een 'nat' systeem.

OVERIGE INFORMATIE

  • Zwevende dekvloeren, SBR 485.05
  • TC 189, deel 8.1, Isolatieproducten. WTCB
  • Infoblad 117: Geluidisolatie verbeteren met een zwevende dekvloer
  • Infoblad 118: Zwevende dekvloer: detaillering
  • Infoblad 251: Zwevende dekvloeren
  • Infoblad 259: Beoordeling verbetering van contactgeluidisolatie

Reacties

Nog geen reacties

Reageer

Waardeer dit infoblad