0

Zwevende dekvloer: detaillering - 118

Het zodanig detailleren van een zwevende dekvloer dat deze de beoogde prestaties waarmaakt.

OPLOSSINGSRICHTINGEN

1. Dek het isolatiemateriaal af met folie

Folie voorkomt starre koppelingen tussen dek- en draagvloer. Ook vermindert het de wrijving tussen de lagen zodat horizontale vervormingen minder worden belemmerd.
Folie is bijvoorbeeld polyetheen van minstens 0,2 mm dik. De foliebanen moeten elkaar minstens 80 mm overlappen en met tape worden afgeplakt. De folie moet worden opgezet tegen de wanden, of: de speciale 'flap' van de kantstrook moet op de folie worden vastgezet.

Bij een dekvloer op zwaluwstaartplaten is folie niet noodzakelijk als de platen in elkaar worden geschoven.

Bij blijvende en langdurige vochtaanvoer vanuit de dragende constructie is ook onder het isolatiemateriaal folie nodig. Deze folie moet zeer dampdicht zijn om condensatie in de constructie te voorkomen. Bijvoorbeeld aluminiumfolie; de naden goed afgeplakken.

2. Houd de dekvloer rondom vrij met kantstroken

Kantstroken moeten van veerkrachtig materiaal zijn zoals minerale wol, polyetheenfoam of geëlastificeerd EPS. Gebruik bij houten draagvloeren geen kunststoffen vanwege de brandwerendheid. Kant-en-klare kantstroken met een plakstrook hebben de voorkeur. Zet foam (onder de dekvloer) niet doorgaand tegen de wand op, omdat een haakse bocht niet is te maken. Dit geldt ook voor de hoeken.

De benodigde dikte van de kantstrook kan worden berekend of geschat met de volgende vuistregels:

  • voor cementgebonden dekvloeren: 1 tot 2 mm dikte per m1 breedte van het vertrek, met een minimum van 10 mm;
  • voor calciumsulfaatgebonden dekvloeren: 3 mm dikte per 10 m1 vloervelddiagonaal, met een richtwaarde van 8 mm. Dit geldt alleen als de temperatuur bij het aanbrengen van de vloer niet teveel verschilt van de temperatuur in de gebruiksfase.
    Raadpleeg de tabel onder oplossingsrichting 3.

Bevestig kantstroken bij voorkeur zelfklevend. Ze moeten goed aansluiten tegen het isolatiemateriaal en (in hoeken) tegen elkaar. De kantstroken met folie beschermen tegen indringing door de specie.

Vermijd akoestische 'kortsluitingen' aan de randen met het opgaand werk, bijvoorbeeld door plinten, tegelvloeren, parket lijm- of specielagen. De naad alleen bij natte cellen dichten met (elastisch blijvende) kit.

3. Breng waar nodig dilataties aan

Velddilataties (ten onrechte ook wel 'krimpvoegen' genoemd) zijn sneden die de dekvloer opdelen in velden van beperkte grootte, meestal met een rechthoekige vorm. Een beperkt aantal dilataties kan nodig zijn om de dekvloer in horizontale richting vrij te kunnen laten vervormen. Anderzijds vormen dilataties verzwakkingen in de dekvloer, die zo veel mogelijk moeten worden vermeden. Breng daarom niet meer velddilataties aan dan strikt noodzakelijk. De noodzaak en positie van velddilataties moeten per project worden afgewogen; tabel 15 geeft indicaties voor de maximale veldgrootte.

Een velddilatatie hoeft niet te worden doorgezet in het isolatiemateriaal. Wel moet een velddilatatie de gehele dikte van de dekvloer doorsnijden; bij harde vloerafwerkingen moet deze in de afwerking worden doorgezet. Een pasklare en goede detaillering van velddilataties in zwevende dekvloeren is nog niet voorhanden.

Kruisingen van velddilataties met verwarmingsbuizen moeten worden voorkomen.

Tabel: Vuistregels voor de maximale veldgrootte bij een 'natte' zwevende dekvloer.

met vloerverwarming zonder vloerverwarming
cementgebonden dekvloer, ongewapend of gewapend

• veld hoogstens 80 m2

• langste zijde hoogstens 10 m

• veld hoogstens 80 m2

• langste zijde hoogstens 10 m

calciumsulfaatgebonden gietdekvloer

• veld hoogstens 400 tot 600 m2

• rechthoeken, zo vierkant mogelijk

• diagonaal hoogstens 50 m1

• rechthoeken, zo vierkant mogelijk

4. Maak een goede aansluiting op binnenwanden, dorpels en kozijnen

Plaats lichte, niet-dragende binnenwanden bij voorkeur óp de zwevende dekvloer, vanwege de eenvoud van uitvoering, vrije indeelbaarheid en (bij houten draagvloeren) brandveiligheid. Binnenwanden aan de bovenzijde ontkoppelen van het plafond, zodat deze de krimp en thermische vervormingen van de dekvloer kunnen volgen.

Gebruik op cementgebonden dekvloeren lichte systeemwanden. Dat voorkomt scheurvorming in de dekvloer. Calciumsulfaatgebonden dekvloeren en cementgebonden gietvloeren kunnen een hogere belasting door zwaardere binnenwanden vaak zonder extra maatregelen opnemen.

Laat de naad bij een dorpel bij voorkeur open; nooit vullen met polyurethaanschuim. Bij steenachtige vloerafwerking deze naad vullen met elastisch blijvende kit.

Bij de aansluiting van een zwevende dekvloer met buitendeurkozijn, raamkozijn een negge van 50 mm of minder voorkomen. Gebruik zo weinig mogelijk passtukjes.

5. Leg leidingen op de juiste plaats

Vloerverwarming en leidingen
Leg leidingen van vloerverwarming in de onderste helft van de dekvloer. Een hogere ligging vergroot de kans op scheuren en maakt de warmteverdeling minder gelijkmatig. De leidingen kunnen eventueel op het isolatiemateriaal worden gelegd (dus door de onderzijde van dekvloer) of in het isolatiemateriaal. Onder de leidingen moet altijd voldoende isolatiedikte overblijven. De leverancier van de vloerverwarming schrijft soms toevoegingen in de dekvloerspecie voor, om de specie beter te laten vloeien en dus beter contact te laten maken met de leidingen. Bij 'natte' zwevende dekvloeren kunnen de buizen van de vloerverwarming halverwege tot onder in de dekvloer liggen of boven in de isolatielaag.
Bij 'droge' zwevende dekvloeren liggen de buizen in sleuven boven in de isolatielaag, gevat in metalen platen ter verbetering van de warmteafgifte en -verdeling. Onder de buizen moet voldoende isolatiedikte resteren voor de warmte-isolatie.

De buisdiameter ligt tussen de 12 en 20 mm. De buisafstand bedraagt meestal tussen de 100 en 300 mm.

CV, warm tapwater, gas, riolering
Leidingen voor cv en warm-tapwater mogen niet door de dekvloer lopen, en ook niet direct eronder. Door de hoge temperatuur (tot 70 of zelfs 90 oC) ontstaat namelijk snel schade aan de dekvloer. Neem gasleidingen niet op in de dekvloer of in de draagvloer. Een afvoerputje of toiletpot met een onderuitlaat kan een akoestische koppeling vormen tussen dek- en draagvloer. Een douchebak of toiletpot met achteruitlaat heeft daarom de voorkeur.

ACHTERGROND

Een zwevende dekvloer voldoet vaak niet aan de verwachtingen (akoestisch en/of constructief), meestal door verkeerde materiaalkeuzen en/of een onvakkundige uitvoering.

Zwevende dekvloeren zijn ingewikkelde constructies. Zowel bij het ontwerp als bij de uitvoering is specialistische inbreng nodig van verschillende disciplines. De deskundigen op verschillende terreinen zijn het echter lang niet altijd met elkaar eens over zaken als droogedrag, droogtijden, vochtpercentages, buigtreksterkte van cementgebonden dekvloeren, de uitvoering van voegconstructies enzovoort.

AANDACHTSPUNTEN

Eén enkele starre koppeling ('contactbrug') tussen dekvloer en draagvloer kan de akoestische prestatie van een heel vloerveld sterk nadelig beïnvloeden. Zo'n contactbrug kan onder de dekvloer liggen, langs een rand of via een leiding die direct contact maakt met de dekvloer en de omringende constructie. Ook belemmert een koppeling vrije vervormingen, zodat scheuren kunnen ontstaan. Zo'n koppeling is moeilijk op te sporen en te herstellen.

OVERIGE INFORMATIE

  • Zwevende dekvloeren, SBR 485.05
  • Infoblad 116: Zwevende dekvloer: constructieve schade voorkomen
  • Infoblad 118: Zwevende dekvloer: detaillering
  • Infoblad 251: Zwevende dekvloeren
  • Infoblad 259: Beoordeling verbetering van contactgeluidisolatie