0

Wilt u deze kennis delen met collega's? Klik dan hier om uw collega's uit te nodigen.

publicatie: Akoestische details voor de woningbouw

1 Akoestische details voor de woningbouw

1 Akoestische details voor de woningbouw

Inleiding
De verzwaring van de luchtgeluidsisolatie-eisen met gemiddeld 3 dB in zowel horizontale als in verticale richting, is van grote invloed op de hoofddraagconstructie van woningen en woongebouwen. De tweede druk van de praktijkrichtlijn NPR 5070 is nog niet goed afgestemd op die zwaardere eisen, mede doordat er ten tijde van de publicatie in 1993 nog onvoldoende praktijkervaringen in de vorm van meetgegevens beschikbaar waren. In de volgende hoofdstukken is in grote lijnen aangegeven hoe de draagconstructie van woningen en woongebouwen moet worden uitgevoerd om - met een grote mate van waarschijnlijkheid - aan de eisen van het Bouwbesluit te kunnen voldoen.

1.1 Eengezinshuizen

Voor eengezinshuizen - of volgens de terminologie van het Bouwbesluit: “woningen die niet in een woongebouw zijn gelegen” - zijn vooral de woningscheidende wanden en de daarop aansluitende bouwdelen van belang voor de geluidsisolatie tussen de woningen. We maken onderscheid tussen dubbele wanden en enkelvoudige wanden. In het eerste geval spreken we liever over ankerloze spouwmuren; al dan niet met een verdiepte spouw of fundering.

1.2 Ankerloze spouwmuur

Bij een woningscheidende wand, uitgevoerd als ankerloze spouwmuur, zijn de spouwbladen akoestisch van elkaar gescheiden. De op de spouwbladen aansluitende niet-dragende binnenwanden dragen slechts weinig bij aan de totale geluidsoverdracht, ook als ze daar star op aansluiten. De constructie bestaat uit twee spouwbladen, met elk een massa per oppervlakte ≥ 200 kg/m² en een tussenliggende luchtspouw van ≥ 50 mm. Bij grote elementen van geprefabriceerd beton is de luchtspouw ≥ 40 mm. Tabel 2 geeft hiervan een overzicht.

Tabel 2
Aanbevolen ankerloze spouwmuren.

constructie materiaal kalkzandsteen
m = 1750 kg/m³
gietbeton/prefab-beton
m ≥ 2380 kg/m³
minimumdikte
per spouwblad
120 mm 90 mm
minimumdikte
luchtspouw
50 mm 40 mm
minimumdikte
totaal
290 mm 220 mm
aanduiding 120-50-120 mm 90-40-90 mm

Begane-grondvloer
Het belangrijkste aansluitdetail bij ankerloze spouwmuren is in de praktijk vrijwel altijd de aansluiting met de begane-grondvloer. Om flankerende geluidsoverdracht zoveel mogelijk te beperken, moeten de vloervelden in ieder geval worden onderbroken.
Starre koppelingen op deze plaats, bijvoorbeeld door het aan elkaar storten van de vloervelden, zijn vrijwel altijd funest voor de lucht- en contactgeluidsisolatie.

Verdiepte spouw
De akoestische ontkoppeling van de vloervelden kan het beste worden gerealiseerd door middel van een zogenaamde verdiepte fundering of verdiepte spouw van ten minste 0,5 m (maat bovenkant afgewerkte vloer tot bovenkant fundering). Zie hiervoor figuur 2.
Volgens NPR 5070:1993 zou een vloer met een massa vanaf 150 kg/m² toegepast kunnen worden. In de praktijk neemt men meestal een vloer met een massa per oppervlak van 200-250 kg/m². Aanbevolen wordt om, net als bij enkelvoudige wanden, vloeren van tenminste 250 kg/m² te gebruiken.
In gebieden met een hoge grondwaterstand en/of slechte grondslag kan het maken van een verdiepte spouw problemen opleveren. In verband hiermee kan het noodzakelijk zijn om, ondanks de extra kosten die dit met zich meebrengt, het peil van de woningen te verhogen. De meest vergaande bouwkundige oplossing is, om ook de funderingsbalken te scheiden. Dit is bijvoorbeeld gebeurd bij een aantal woningen in het demonstratieproject “Ecolonia” in Alphen aan den Rijn.

Figuur 2
Ankerloze spouwmuur met verdiepte fundering.

Geen verdiepte spouw
Indien geen verdiepte spouw kan worden toegepast, zal men minder zeker kunnen zijn dat aan de gestelde geluidseisen zal worden voldaan. Ook bij deze bouwkundige oplossing is het noodzakelijk de vloervelden (met een massa per oppervlakte van ≥ 250 kg/m² ) consequent gescheiden op de fundering op te leggen. De spouwbladen moeten daarna op de vloervelden worden gesteld. Bij toepassing van de “hogere” rib-cassettevloeren wordt min of meer het principe van een verdiepte fundering benaderd (figuur 3). In de praktijk wordt nog onderzocht of er in akoestisch opzicht extra winst te behalen is bij het toepassen van speciale soorten vilt.

Figuur 3
Ankerloze spouwmuur zonder verdiepte fundering (rib-cassettevloer).

Het wordt sterk aanbevolen om spouwbladen toe te passen met een massa per oppervlakte ≥ 250 kg/m².

Om “kortsluitingen” tussen de vloervelden (kanaalplaatvloeren, ribcassettevloeren of PS-isolatievloeren) te voorkomen moeten speciale voorzieningen getroffen worden. Deze bestaan bijvoorbeeld uit het toepassen van veerkrachtig kunststofschuim.
Het veerkrachtige materiaal moet voorkomen dat specie in de spouw terechtkomt bij het maken van de kim of bij het dichten van de naad met onderstopmortel (figuur 4).

Figuur 4
Ankerloze spouwmuur zonder verdiepte fundering (kanaalplaatvloer).

Kruipruimteloos bouwen
Deze situatie is vergelijkbaar met de hierboven, onder ‘geen verdiepte spouw’, beschreven constructie. Men zou kunnen stellen dat in dit geval de kruipruimte niet toegankelijk is.

De massa per oppervlakte van de begane-grondvloer bedraagt in deze gevallen tenminste 250 kg/m². Ook hier moeten de spouwbladen op de vloervelden worden aangebracht en dus niet direct op de fundering, zoals in figuur 5 is aangegeven.

Figuur 5
Ankerloze spouwmuur zonder kruipruimte.

In sommige gebieden is het mogelijk de begane-grondvloeren direct op zand te storten. Hierbij moeten de vloervelden inclusief afwerklaag (massa per oppervlakte≥ 250 kg/m² ) consequent vrijgehouden worden van de fundering en van de wand. Het plaatsen van de spouwmuur op de fundering is ook hier riskant (figuur 6).

Figuur 6
Ankerloze spouwmuur met stampbetonvloeren.

Een doorgaande begane-grondvloer, die dus niet onderbroken is ter plaatse van de woningscheidende wand, zorgt per definitie voor aanzienlijke flankerende geluidsoverdracht.
Een dergelijke constructie kan derhalve in het kader van de eisen van het bouwbesluit niet worden toegepast (figuur 7).

Figuur 7
Spouwmuur met doorgestorte vloer.

Overige aansluitende bouwdelen
De verdiepingsvloeren moeten ter plaatse van de woningscheidende wand altijd zijn onderbroken. In sommige situaties kan, ten behoeve van de stabiliteit van de woningen, een koppeling van de vloervelden door middel van enkele ankers noodzakelijk zijn.
In dat geval wordt aanbevolen, naast de constructeur, een akoestisch deskundige te raadplegen.

Doordat de woningscheidende spouwbladen geen contact met elkaar maken, mogen de dragende of niet-dragende binnenwanden star worden aangesloten op de spouwmuur. Voor aansluitdetails wordt verwezen naar NPR 5070:1993.

Opmerking:

Het aanbrengen van een dilatatie in het buitenspouwblad ter plaatse van de woningscheidende wand beperkt de geluidsoverdracht langs deze weg en kan in sommige situaties de geluidsisolatie nog verhogen. De winst is echter beperkt tot ca. 1 dB.

Knelpunten

  • Sprong in rij woningen
    Bij een sprong of een dilatatie in een rij eengezinshuizen - die overigens zijn uitgevoerd met enkelvoudige woningscheidende wanden - wordt ter plaatse van de sprong of dilatatie veelal een ankerloze spouw toegepast. De aan de buitenlucht grenzende gedeelten van de wand moeten immers als spouwmuur zijn uitgevoerd.
    Hierbij dient men op het volgende attent te zijn.
    De begane-grondvloeren moeten naast de enkelvoudige woningscheidende wanden op de fundering worden opgelegd. Verderop in deze publicatie wordt onder het hoofdstuk ‘enkelvoudige woningscheidende wanden’, hierop nader ingegaan.
    Ook in deze situatie moeten de spouwbladen op de vloervelden worden gesteld. Gebeurt dit niet, en worden de spouwbladen op de fundering en de vloervelden naast de spouwmuur geplaatst, zoals bij de enkelvoudige wanden, dan is de kans groot dat de geluidsisolatie aanzienlijk lager is dan men zou verwachten!
    Het verdient aanbeveling om, met name voor het gemeenschappelijke deel, spouwbladen te kiezen van ten minste 250 kg/m² (figuur 8).

    Figuur 8
    Ankerloze spouwmuur ter plaatse van sprong in rij woningen.

  • Dakkapellen
    Aan elkaar grenzende dakkapellen van verblijfsruimten kunnen de luchtgeluidsisolatie tussen de woningen vaak sterk nadelig beïnvloeden. De dakkapellen moeten bij voorkeur op minimaal 1 m van elkaar geplaatst worden.
  • Platte daken
    Steenachtige platte daken moeten ter plaatse van de spouw worden onderbroken.
    Indien onder het platte dak verblijfsruimten zijn gelegen, dan moet de massa per oppervlakte van een dak tenminste 250 kg/m² bedragen. Ook houtachtige daken dienen ter plaatse van de spouw te zijn onderbroken. In het algemeen is een extra, gesloten plafond onder het dakbeschot noodzakelijk. Er zijn constructies en dakplaten waarbij dit niet nodig is. Zie hiervoor de toepassingsvoorwaarden in de kwaliteitsverklaringen (attest, attest met certificaat) van de betreffende dakplaten.
  • Hellende daken
    De dakplaten dienen ter plaatse van de spouw te zijn onderbroken. Als er onder het hellende dak verblijfsruimten zijn, dan is in het algemeen een extra, gesloten plafond noodzakelijk. Er zijn constructies en dakplaten waarbij dit niet nodig is. Zie hiervoor de toepassingsvoorwaarden in de betreffende kwaliteitsverklaringen (attest, attest met certificaat) van de betrokken dakplaten. Bij daken met hardschuim-isolatie is vrijwel altijd een zogenaamde minerale wolbarrière noodzakelijk (figuur 9).

    Figuur 9
    Ankerloze spouwmuur, aansluiting met hellend dak.

  • Dwarskappen met zakgoot
    Door koppelingen en geluidslekken ter plaatse van de zakgoot tussen de dwarskappen kan extra geluidsoverdracht plaatsvinden. Bovendien moet men bedacht zijn op de geluidsoverdracht via de dakplaten en dakpannen. Indien er sprake is van verblijfsruimten, is in het algemeen een extra, gesloten plafond onder het dakbeschot noodzakelijk. Ook hier zijn er constructies en dakplaten waarbij dit niet nodig is. Zie hiervoor de toepassingsvoorwaarden in de betreffende kwaliteitsverklaringen (attest, attest met certificaat) van de betrokken dakplaten (figuur 10).

    Figuur 10
    Ankerloze spouwmuur, dwarskapconstructie.

  • Dwars-/nokkap
    Een dwarskap met de nok ter plaats van de woningscheidende wand levert vaak akoestische problemen op. Door koppelingen ter plaatse van de nok is daar dikwijls sprake van extra flankerende geluidsoverdracht. Ook komen op deze plaats vaak geluidslekken voor. Bij verblijfsruimten onder een dergelijke kap is dan ook vaak een extra afscherming in de vorm van een verlaagd plafond noodzakelijk. Goede oplossingen worden aangegeven in de figuren 11 en 12.

    Figuur 11
    Ankerloze spouwmuur, nok-dwarskapconstructie.

    Figuur 12
    Ankerloze spouwmuur, nok-dwarskapconstructie.

1.3 Enkelvoudige woningscheidende wand

Bij een woningscheidende wand, uitgevoerd als enkelvoudige wand, speelt de flankerende geluidsoverdracht via de aansluitende bouwdelen een dominante rol. De op de enkelvoudige wand aansluitende niet-dragende binnenwanden, begane-grondvloeren en gevelbinnenspouwbladen dragen in belangrijke mate bij aan de totale geluidsoverdracht. De mate waarin men erin slaagt om de flankerende geluidsoverdracht via de genoemde bouwdelen te beperken bepaalt in hoeverre aan de gestelde eisen kan worden voldaan. Uitgangspunt bij deze constructie is een massieve enkelvoudige wand met een massa per oppervlakte van ≥ 525 kg/m².

Opmerking:

Tegen elkaar geplaatste wanden (bijvoorbeeld met klamplagen) met dezelfde massa als een enkelvoudige wand bezitten vaak een aanzienlijk lagere geluidsisolatie en mogen derhalve niet worden toegepast (figuur 13)!

Figuur 13
Tegen elkaar geplaatste wanden.

Begane-grondvloer
Een belangrijk detail is de aansluiting ter plaatse van de begane-grondvloer. De massa per oppervlakte van de begane-grondvloer moet tenminste 250 kg/m² bedragen. Om de flankerende geluidsoverdracht zo veel mogelijk te beperken moeten de vloervelden akoestisch worden ontkoppeld van de woningscheidende wand. Daarom moeten zij naast en los van de woningscheidende wand op de verbrede fundering worden opgelegd (figuur 14). Het verdient hierbij aanbeveling om de vloervelden bovendien op een veerkrachtige tussenlaag (speciaal vilt, rubber, o.i.d.) op de funderingsbalk te leggen.

Figuur 14
Enkelvoudige wand met gescheiden vloerdelen naast wand.

Kruipruimteloos bouwen
Hier hebben wij te maken met dezelfde situatie als hierboven beschreven; de ‘kruipruimte’ is echter niet toegankelijk. De massa per oppervlakte van de begane-grondvloer moet temninste 250 kg/m² bedragen. (figuur 15).

Figuur 15
Enkelvoudige wand zonder kruipruimte.

In sommige gebieden is het mogelijk de begane-grondvloeren direct op zand te storten. De vloervelden inclusief afwerklaag (massa per oppervlakte ≥ 250 kg/m² ) moeten consequent vrijgehouden worden van fundering en wand (figuur 16).

Figuur 16
Enkelvoudige wand met stampbetonvloeren.

Het toepassen van een doorgaande begane-grondvloer, is vanwege de flankerende geluidsoverdracht in het algemeen niet mogelijk (figuur 17).

Figuur 17
Enkelvoudige wand met doorgestorte vloer.

Binnenspouwbladen
Aansluitende binnenspouwbladen dienen akoestisch te worden ontkoppeld van de woningscheidende wand volgens figuur 18.

Figuur 18
Aansluiting binnenspouwblad aan woningscheidende wand.

Overige aansluitende bouwdelen
Buigstijve niet-dragende massieve binnenwanden (van gips, cellenbeton en dergelijke) en het binnenspouwblad van de gevel, moeten akoestisch worden ontkoppeld van de woningscheidende wand. Massieve niet-dragende wanden moeten op de afgewerkte vloer worden geplaatst. Zie figuur 19 en figuur 20. Voor verdere aansluitdetails wordt verwezen naar de praktijkrichtlijn NPR 5070:1993 en de eventueel beschikbare kwaliteitsverklaringen van de betreffende wanden.

Figuur 19 en 20
Niet-dragende wand, aansluiting op plafond en vloer.

Opmerking:

Het aanbrengen van een dilatatie in het buitenspouwblad ter plaatse van de woningscheidende wand beperkt de geluidsoverdracht via deze weg en kan de geluidsisolatie verhogen. De winst bedraagt ca. 1 dB.

Knelpunten
Bij enkelvoudige woningscheidende wanden doen zich vaak dezelfde knelpunten voor als bij woningscheidende ankerloze spouwmuren. Zie hiervoor de aansluitdetails bij een hellend dak, (figuur 21) en bij een dwarskap (figuur 22).

Figuur 21
Aansluiting enkelvoudige wand - hellend dak.

Figuur 22
Aansluiting enkelvoudige wand - dwarskap.

1.4 Meergezinshuizen

Voor meerzinshuizen - of volgens de terminologie van het Bouwbesluit: “woningen die in een woongebouw zijn gelegen” - zijn zowel de woningscheidende wanden en de woningscheidende vloeren als de daarop aansluitende bouwdelen van belang voor de geluidsisolatie tussen de woningen. Er wordt onderscheid gemaakt tussen dubbele muren (de ankerloze spouwmuur) en enkelvoudige woningscheidende wanden.

1.5 Ankerloze spouwmuur

In verband met de flankerende geluidsoverdracht in verticale richting moet de massa per oppervlakte per spouwblad tenminste 350 kg/m² bedragen. (figuur 23). Dit geldt ook voor het dragende binnenspouwblad van een eindgevel en voor eventuele dragende binnenwanden.
Voor de overige aansluitende bouwdelen (begane-grondvloer, daken, e.d.) wordt verwezen naar de voorgaande paragrafen.

Figuur 23
Ankerloze spouwmuur bij hoogbouw.

1.6 Enkelvoudige woningscheidende wand

De woningscheidende wand moet een massa per oppervlakte bezitten van tenminste 525 kg/m². Het dragende binnenspouwblad van een eindgevel dient een massa per oppervlakte te bezitten van ≥ 350 kg/m².
Voor de overige aansluitende bouwdelen (begane-grondvloer, daken, e.d.) wordt verwezen naar de voorgaande paragrafen.

1.7 Woningscheidende vloer

De massa per oppervlakte van de woningscheidende vloeren moet tenminste 600 kg/m² bedragen. Het dragende binnenspouwblad van een eindgevel dient een massa per oppervlakte te bezitten van ≥ 350 kg/m² (figuur 24). Voor de overige aansluitende bouwdelen (begane-grondvloer, daken, e.d.) wordt verwezen naar de voorgaande paragrafen.

Figuur 24
Aansluiting dragende binnenspouwblad aan woningscheidende vloer.

Knelpunten

  • Bij praktijkmetingen is gebleken dat een vloerconstructie waarbij de zand-cement afwerkvloer over grotere stukken loslaat van de constructievloer, zeer negatief uitwerkt op de lucht- en contactgeluidsisolatie (soms meer dan 5 dB onder de minimumeis). Op een kale afwerkvloer kan het loslaten eenvoudig worden vastgesteld bij het bekloppen van de vloer. Een en ander kan worden verklaard met het resonantieverschijnsel, waarbij de afwerkvloer via het uiterst dunne (en stijve) luchtlaagje resoneert op de constructievloer. De resonantiefrequentie van zo’n “massa-veersysteem” ligt dan binnen het frequentiegebied waarvoor de normwaarden gelden.
    In sommige publicaties over Duurzaam Bouwen wordt aanbevolen tussen de dekvloer en de draagvloer bij de bouw doelbewust een scheiding aan te brengen in de vorm van een kunststof folie. Deze aanbeveling wordt bijvoorbeeld gedaan bij vloeivloeren van anhydriet in verband met later hergebruik. Gelet op bovenvermelde praktijkervaring moet deze aanbeveling sterk worden ontraden!
  • Steeds meer woningscheidende vloeren worden uitgevoerd met een zwevende dekvloer. Bij een correcte uitvoering hiervan kan vooral de contactgeluidsisolatie aanzienlijk hoger zijn dan is vereist volgens de minimumeis. Een veel gemaakte fout daarbij is echter de toepassing van een te dunne en/of te stijve verende laag. In dergelijke situaties kan de isolatie-index voor contactgeluid niet alleen teleurstellend laag zijn, doch zelfs negatief uitvallen.
    Men dient er attent op te zijn dat de gemeten “verbeteringsmaat in dB” waarmee veel leveranciers hun product aanprijzen, veelal gebaseerd is op meetresultaten in laboratoria, waarbij een gemiddelde verbetering van de contactgeluidsisolatie wordt gepresenteerd over een breed frequentiegebied (100 Hz t/m 3150 Hz in 1/3 octaafbanden). De verbetering in het lage-tonengebied blijkt echter vaak maar pover te zijn, c.q. zelfs negatief te zijn. In dit gebied kan dus een verslechtering van de contactgeluidsisolatie optreden.
    In voorkomende gevallen kan men het beste eerst informeren naar de verbetering van de contactgeluidsisolatie in de octaafband met middenfrequentie 125 Hz. Deze waarde mag zeker niet negatief zijn! Als vuistregel voor een goed resultaat moet men ervan uitgaan dat de verende laag in belaste toestand tenminste 15 mm bedraagt.