0

publicatie: Ontwatering in stedelijk gebied

1 Inleiding

1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Water in de kruipruimte, een vochtige woning, muffe lucht en/of een drassige tuin komen door een te hoge grondwaterstand in stedelijk gebied regelmatig voor. Ook een te lage grondwaterstand, ook wel grondwateronderlast genoemd, kan problemen opleveren. De gevolgen van te lage grondwaterstanden zijn zettingen, droogval en paalrot van funderingspalen (en daardoor verzakkingen). Een te hoge of te lage grondwaterstand kan dus overlast betekenen, maar kan ook leiden tot aanzienlijke economische en maatschappelijke schade.

Aandacht voor grondwaterbeheersing in de stad is dus van groot belang. Zo is bekend dat te hoge grondwaterstanden gemiddeld tot 50% meer caraklachten leiden door de hogere luchtvochtigheid in de woningen. Voor kinderen is zelfs een 3,5 keer hogere kans op chronische klachten vastgesteld. Uit evaluatie van een meetnet in Lelystad (in een gemiddelde jarenzeventigwijk) blijkt dat van alle neerslag 40%(!) in het grondwater terechtkomt en slechts 23% in de riolering (zie afbeelding 1.1). Het aandeel infiltratie en afstroming via het grondwater wordt vaak onderschat.

Afbeelding 1.1
Stedelijke waterbalans.

Ondanks de toegenomen theoretische kennis op het gebied van ontwatering in stedelijk gebied en (praktijk)ervaringen bij bouwrijp maken van terreinen, komt er tot op de dag van vandaag nog steeds grondwateroverlast (en -onderlast) voor. Blijkbaar wordt deze kennis en/of praktijkervaring niet goed overgedragen, niet goed geregeld en/of onvoldoende met de betrokken actoren gecommuniceerd.

Ook laat de wijze van bouwrijp maken (de aanleg van de ontwatering) nog steeds te wensen over. Al in de bouwfase treedt, door het onvoldoende bouwrijp maken, wateroverlast op waardoor het werken op bouwterreinen voor zowel mens als machine vaak tot problemen leidt. Vastgesteld is dat het verkeerd/onvoldoende bouw- en woonrijp maken van gronden een belangrijke oorzaak is van latere problemen in de woon-/gebruiksfase; gemiddeld voor Nederland: circa 50%!
Een goed ontwerp en een goede aanleg van ontwatering zijn van wezenlijk belang voor het voorkomen van grondwateroverlast. Echter, er vinden nog steeds ontwerpen van ontwatering plaats waarbij vrijwel geen onderbouwende geohydrologische berekeningen worden gemaakt of waarbij vaak één enkele grondwaterstandsmeting wordt gebruikt. Ook wordt momenteel nog uitgegaan van statische ontwateringscriteria voor diverse gebruiksfuncties in het stedelijk gebied met een ontwerpafvoer (of overschrijdingskans) in de bouw- en woonfase.

Sinds 1998 (Dienst Landelijk Gebied en Unie van Waterschappen 'Grondwater als leidraad voor het oppervlaktewater', 1998) is er de filosofie en denkwijze van WaterNood. Deze filosofie richt zich op het realiseren van een optimaal regime voor grond- en oppervlaktewater voor de betreffende gebruiksfunctie of zelfs het aanpassen van het gebruik aan het regime. In deze filosofie dienen de belangen voor landbouw, natuur en stedelijk gebied zorgvuldig te worden afgewogen (proces). Echter, voor stedelijk gebied is het optimale grond- en oppervlaktewater per gebruiksfunctie in een bouw- en woonfase (nog) niet uitgewerkt.

Naast het oplossen van grondwateroverlast in bestaand stedelijk gebied is het van belang in nieuw te bebouwen gebieden grondwateroverlast te voorkomen. Om bovengenoemde redenen worden in deze publicatie zowel de (vernieuwende) aspecten en inzichten voor ontwatering beschreven wat betreft de techniek (ontwerp en aanleg) alsmede het beleid, juridische aspecten, proces en organisatie. Ook tracht de publicatie complementair te zijn op de module Grondwater in de Leidraad Riolering van Stichting RIONED en de publicatie 'Boven water komen, definitiestudie grondwateroverlast in bestaand stedelijk gebied' van Tauw (2006).

1.2 Doel

De nieuwe publicatie richt zich op grondwateroverlast en ontwatering in bebouwde omgeving in relatie tot bouw- en woonrijp maken. De publicatie beoogt een overzicht te geven van de bestaande en vernieuwende kennis over ontwatering in stedelijk gebied. De publicatie dient als handvat en richtlijn hoe met ontwatering om te gaan.

In de publicatie worden zowel de technische aspecten zoals ontwerp, aanleg en beheer van ontwateringssystemen, als beleid, juridische en procesmatige en organisatorische aspecten beschreven. De publicatie gaat vooral in op grondwaterkwantiteitsaspecten die van belang zijn om te komen tot een duurzaam en veilig grondwatersysteem in stedelijke gebieden.

1.3 Visie Beter Bouw- en Woonrijp Maken

Het project richt zich op technieken en processen die leiden tot het beter bouw- en woonrijp maken (BBWM). Een bewustzijn dat een verbeterde samenwerking door de bouwpartners in alle bouwfasen (initiatief-, ontwerp-, realisatie en beheer- en onderhoudfase) behelst, moet leiden tot een werk- en woonomgeving die voor zowel bouwpartners, bewoners als beheerders een meerwaarde oplevert.

Door samenwerking ontstaat innovatie die tot een waardetoevoeging leidt en bovendien leidt tot een duurzamer bouw- en woonrijp maken. Daartoe wordt in dit project een proces benut dat zich zowel richt op actief leren als op het in samenhang met de praktijk ontwikkelen van de benodigde kennis.

1.4 Actief leren

De fase van het bouw- en woonrijp maken wordt bij uitstek in de praktijk geregeld. De praktische kennis van de (on)mogelijkheden van het woon- en bouwrijp maken ligt daarom voornamelijk op een lokaal niveau bij gemeenten en aannemers. De theoretische kennis voor het ontwerp van ontwateringssystemen ligt voornamelijk op een regionaal niveau bij ingenieursbureaus en kennisinstituten.

De grootste uitdaging voor de publicatie lag in het effectief ontsluiten van praktische ervaring en het signaleren van problemen, en het hierop aansluiten van theoretische kennis en innovaties. Om dit te bereiken is er gewerkt volgens het procesmodel BBWM. Cruciaal binnen dit model was de interactie met de eindgebruikers van de publicatie en de kennishouders. Dit gebeurt via workshops tijdens symposia en kenniscellen. Beide hebben een eigen doel:

  • de workshops dragen bij aan de ontsluiting van praktische ervaring;
  • de kenniscellen verzorgen de aansluiting van innovatie en kennis.

De auteurs van de publicatie hebben de kennisoverdracht tussen beide gestroomlijnd en hebben er zorg voor gedragen dat de informatie vanuit workshops en kenniscellen effectief is verwerkt in deze publicatie.

1.5 Status en context document

De publicatie geeft een overzicht van de huidige kennis over ontwatering in stedelijk gebied. De huidige kennis is kort omschreven met een verwijzing naar de bijlage of naar de bewuste literatuur, artikelen in vakbladen of websites.

Met een beschrijving van de huidige kennis wordt ook de actualisatie van de kennis in onderstaande publicaties bedoeld:

  • SBR-publicatie 99 'Bouwrijp maken van terreinen' uit 1984 (hoofdstuk 5);
  • SBR-publicatie 145 'Te hoog grondwater in de bebouwde omgeving' uit 1986.

Er is getracht overlap met de publicatie 'Boven water komen, definitiestudie grondwateroverlast in bestaand stedelijk gebied' (Tauw, 30 augustus 2006) en de module 'Grondwater van de Leidraad Riolering' te voorkomen. Zo mogelijk wordt aangesloten op de kennis in deze stukken en waar nodig wordt hiernaar verwezen.

Ontbrekende en vernieuwende kennis wordt wel in deze publicatie uitgewerkt. Deze nieuwe kennis is opgedaan in de kennispoule (eindgebruikers) en in de kenniscellen.

De voorliggende publicatie is in digitale vorm beschikbaar via SBR-info.nl. Het geeft de huidige kennis en stand van zaken weer. Tevens is zichtbaar gemaakt welke vraagstukken inmiddels in kenniscellen worden onderzocht (gele kaders) en optioneel kunnen worden onderzocht (grijze kaders). Zodra er resultaten uit de kenniscellen zijn, kan het document worden bijgewerkt. Dit is een proces van enkele jaren.

1.6 Leeswijzer

Deze publicatie bestaat uit drie delen:

  • een algemeen en procesdeel. Allereerst worden in hoofdstuk 2 de begrippen en ontwateringscriteria geformuleerd. In hoofdstuk 3 worden het beleid en juridische aspecten rondom ontwatering gepresenteerd. Daarna worden in hoofdstuk 4 het bouwproces en de rol van de betrokken partijen hierin beschreven;
  • een deel dat het ontwerp tot en met beheer van ontwateringsmiddelen beschrijft. In hoofdstuk 5 wordt ingegaan op het ontwerp en de dimensionering van ontwateringsmiddelen. De praktische aandachtspunten bij de aanleg van deze ontwateringsmiddelen wordt beschreven in hoofdstuk 6.
    In hoofdstuk 7 wordt aandacht besteed aan de beheeraspecten van ontwateringsmiddelen. Tot slot worden in hoofdstuk 8 het type en de uitvoerbaarheid van de maatregelen beschreven. Ook besteedt dit hoofdstuk aandacht aan de actoren;
  • een deel met praktijkvoorbeelden. Met een praktijkvoorbeeld uit hoog en laag Nederland wordt toegelicht welke ervaring met ontwatering in het ontwerp-, aanleg- en beheerproces is opgedaan. De praktijkvoorbeelden gaan in op proces en techniek, bestaand en nieuw stedelijk gebied, overlast en onderlast.

Met gele en grijze kaders in de tekst is respectievelijk aangeduid waar de kenniscellen mee bezig zijn of optioneel mee aan de slag kunnen gaan.