0

Wilt u deze kennis delen met collega's? Klik dan hier om uw collega's uit te nodigen.

1 Klimaatdoelstellingen vanuit Europa

1 Klimaatdoelstellingen vanuit Europa

1.1 Doelstelling voor 2020 en 2030

De Europese Unie neemt de strijd tegen klimaatverandering zeer serieus en spant zich zowel op Europees als internationaal niveau in om klimaatverandering tegen te gaan. In maart 2007 bereikte de EU overeenstemming over drie doelstellingen voor 2020 (ten opzichte van 1990):

  • 20 procent vermindering van de uitstoot van broeikasgassen (dit kan oplopen tot 30 procent wanneer er een internationaal klimaatakkoord wordt gesloten);
  • 20 procent minder energieverbruik;
  • 20 procent van het totale energiegebruik moet afkomstig zijn uit hernieuwbare energie, zoals wind- en zonne-energie.

De 20/20/20 klimaat- en energiedoelstellingen moeten op Europees niveau worden gehaald. [1] De focus van Europa ligt nu al op 2030. De EU boekt vooruitgang bij de verwezenlijking van de streefwaarden voor 2020, de totstandbrenging van de interne markt voor energie en het behalen van andere doelstellingen van het energiebeleid. Nu moet ook worden nagedacht over een nieuw kader voor klimaat- en energiebeleid voor 2030. Hiervoor is al een aantal doelstellingen geformuleerd. Deze zijn omschreven in het ‘Groenboek’: Een kader voor het klimaat- en energiebeleid voor 2030. Zo wil Europa in 2030 uitkomen op een CO2 reductie van 40%, om in 2050 uiteindelijk uit te komen op een reductie van 80-95% ten opzichte van het niveau in 1990.[2] Het jaar 2030 is belangrijke tussenstap om zekerheid te bieden en om de vooruitgang naar een concurrerende economie en een veilig energiesysteem te ondersteunen.

1.2 Richtlijnen

Om de klimaatdoelstellingen van Europa uitvoerbaar en haalbaar te maken zijn er verschillende Europese richtlijnen (in het Engels: directives) ontwikkeld. Een Europese richtlijn is een wetgevend instrument van de Europese Unie. Een richtlijn is bindend ten aanzien van het te bereiken resultaat voor elke lidstaat waarvoor zij bestemd is.[3] De richtlijnen moeten door hen correct worden omgezet in nationale wetgeving. Aan de nationale instanties wordt de bevoegdheid gelaten om de juiste vorm en middelen te kiezen.

Omdat de gebouwde omgeving verantwoordelijk is voor een groot percentage van het eindenergieverbruik van Europa, wordt de bouwsector verplicht tot verdergaande energiebesparing in gebouwen. Ook dit is vastgelegd in een aantal richtlijnen. Belangrijke Europese richtlijnen met doelstellingen voor energiebesparing en -efficiëntie zijn:

  • Richtlijn energieprestaties voor gebouwen: Energy Performance of Buildings Directive (EPBD);
  • Richtlijn energie-efficiëntie: Energy Efficiency Directive (EED);
  • Richtlijn hernieuwbare energie: Renewable Energy Directive (RED).

1.3 Europese richtlijn voor de energieprestatie van gebouwen

Als een gezamenlijk initiatief van de EU-lidstaten en de Europese Commissie, werd in januari 2003 de Europese richtlijn Energy Performance Building Directive (EPBD) gepubliceerd. De oorspronkelijke gecoördineerde actie kwam in juni 2007 tot een einde, maar direct daarna werd een tweede fase gelanceerd. Deze tweede fase behelst een deadline voor het in gebruik nemen van certificatie en keuringen overeenstemmend met de richtlijn.

De EPBD verplicht alle EU-landen tot een aantal concrete activiteiten om de energieprestatie van gebouwen in Europa te verbeteren: [5,6]

1.4 Europese richtlijn voor energie-efficiëntie

Europa 2020 is de groeistrategie van de EU die op 17 juni 2010 door de Europese Raad is vastgesteld. Ondanks de geplande besparing van 20% op primaire energie in 2020 ten opzichte van 1990, bestaat er nog steeds een aanzienlijke kloof. De Europese richtlijn Energy Efficiency Directive (EED) waarover het Europees Parlement en de Raad in de tweede helft van 2012 overeenstemming heeft bereikt, moet hier verandering in brengen. [7]

Op 25 oktober 2012 nam de EU de richtlijn 2012/27/EU betreffende energie-efficiëntie aan. In deze richtlijn wordt een gemeenschappelijk kader van maatregelen vastgesteld voor de bevordering van energie-efficiëntie binnen de Unie. Deze richtlijn focust zich op de verwezenlijking van de doelstelling om in het jaar 2020 een energie-efficiëntie van 20% te garanderen. Ook heeft de EU een kader ontwikkeld om de weg vrij te maken voor verdere verbeteringen van de energie-efficiëntie na die datum. Het bevat tevens regels om belemmeringen op de energiemarkt te verwijderen en de tekortkomingen van de markt te overwinnen. [8]

In de richtlijn 2012/27/EU staan onder meer de volgende fragmenten:

In de conclusies van de Europese Raad over het energie-efficiëntieplan 2011, wordt benadrukt dat gebouwen verantwoordelijk zijn voor 40 % van het eindenergieverbruik van de Unie. Daarom moeten de lidstaten een langetermijnstrategie uitstippelen die verder reikt dan 2020, en die erop is gericht te investeren in de renovatie van woningen en bedrijfsgebouwen. Dit komt ten goede van de energieprestaties van het gebouwenbestand en het stimuleert de werkgelegenheidskansen in de ambachtsnijverheid en de bouwsector.

Volgens die langetermijnstrategie moeten kosteneffectieve, ingrijpende renovaties worden uitgevoerd. Deze renovaties moeten ervoor zorgen dat het energieverbruik van het gebouw met een aanzienlijk percentage wordt verminderd (ten opzichte van het niveau van voor de renovatie) en dat een zeer hoge energieprestatie wordt bereikt. Dergelijke ingrijpende renovaties kunnen ook in fases worden uitgevoerd.

Gebouwen die eigendom zijn van de overheid vormen een aanzienlijk aandeel van het gebouwenbestand en zijn erg zichtbaar in het openbare leven. Het is dan ook passend om een jaarlijks renovatietempo te bepalen voor gebouwen die eigendom zijn van, en gebruikt worden door, de centrale overheid (…).

Elke lidstaat zorgt ervoor dat vanaf 1 januari 2014 jaarlijks 3 % van de totale vloeroppervlakte van verwarmde en/of gekoelde overheidsgebouwen wordt gerenoveerd om aan de minimale energieprestatie-eisen te voldoen die de betrokken lidstaat heeft vastgelegd.

De lidstaten hebben tot 5 juni 2014 de tijd gekregen om de EED te implementeren in hun nationale wetgeving. Nederland heeft ervoor gekozen de richtlijn op 25 april 2014 in te voeren. De richtlijn zal de volledige energieketen beïnvloeden: de omzetting van energie, de distributie en het eindgebruik. De volledige uitvoering van alle maatregelen zal dus betrekking hebben op een breed scala van belanghebbenden.

1.5 Europese richtlijn voor hernieuwbare energie

Op 25 juni 2009 is de Europese richtlijn ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen in werking getreden (Renewable Energy Directive (RED)).Deze richtlijn 2009/28/EG schrijft voor dat in 2020 in de Europese Unie als geheel minimaal 20 procent van het energiegebruik moet bestaan uit hernieuwbare bronnen.[9]

Nederland moest hiervoor een nationaal actieplan vaststellen en uiterlijk op 30 juni 2010 aanmelden bij de Europese Commissie. Het Nederlandse Nationaal actieplan voor energie uit hernieuwbare bronnen beschrijft hoe ons land beoogt haar streefcijfer van 14% hernieuwbare energie in 2020 te bereiken.

Het Nederlands actieplan

In het regeerakkoord van het kabinet Rutte II (29 oktober 2012) is een doelstelling van 16% voor 2023 opgenomen om de productie van duurzame energie verder te stimuleren. Voor 2050 is de doelstelling zelfs 100%. Het gaat hier om bindende nationale streefcijfers. De term streefcijfers lijkt tegenstrijdig te zijn aan het bindende karakter, maar dat is mogelijk een gevolg van de gekozen Nederlandse vertaling.

Het nationaal actieplan noemt de volgende centrale instrumenten om het aandeel hernieuwbare energie te doen toenemen:

  • De Stimuleringsregeling Duurzame Energieproductie (SDE+) is een financieel instrument. Hernieuwbare energie in de sectoren elektriciteit, warmte en gas wordt hiermee gesubsidieerd.
  • De Verplichting Biobrandstoffen is een instrument dat een minimum aandeel voor benzine- en voor dieselvervangers in de transportsector verplicht stelt.
  • De Rijkscoördinatieregeling (RCR) maakt het mogelijk om de vergunningen voor grotere energie-infrastructurele en hernieuwbare energieprojecten te coördineren. Daarmee wordt beoogd een versnelling in de vergunningverlening te realiseren.
  • De Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) heeft als doel vergunningprocedures voor kleinere hernieuwbare energie-installaties te versnellen en transparantie te vergroten.
  • Het wetsvoorstel Voorrang voor duurzaam heeft als doel hernieuwbare energie voorrang te geven op het energienet in geval van congestie.

De overheid kiest ervoor om deze uitdagingen samen met de samenleving op te pakken. Daardoor kan meer tempo worden gemaakt dan wanneer de overheid de samenleving maatregelen moet opdringen. Via convenanten en akkoorden worden gemeenschappelijk doelen en paden vastgelegd.