0

1 Inleiding

1 Inleiding

Zowel overheden als private partijen stellen in hun rol als opdrachtgever en beheerder van de verkeersinfrastructuur hoge eisen aan de veiligheid, beschikbaarheid en functionaliteit van de infrastructuur. Kunstwerken, zoals bruggen, tunnels, viaducten, die onderdeel vormen van deze infrastructuur, moeten aan deze hoge eisen voldoen. Veelal betreft het betonnen constructies. Betrouwbare informatie over de (rest)levensduur van die betonnen constructies is hierbij, én in verband met uitgaven voor vervanging en onderhoud, van groot belang.

De eigenaar is tegenwoordig niet als enige de beheerder van het kunstwerk. In het geval van DB(F)M(O) contracten zijn uitvoerende bouwbedrijven langdurig betrokken bij het beheer en onderhoud. Ook partijen betrokken bij inspectieprogramma’s (monitoring), reparatietechnieken etc. baseren zich op informatie over de restlevensduur. Een algemeen aanvaarde definitie van wat onder restlevensduur van betonconstructies wordt verstaan ontbreekt echter en het is niet duidelijk hoe de restlevensduur moet worden bepaald. Restlevensduur wordt in de literatuur [4] onderverdeeld in technische (constructieve), functionele, economische en soms verantwoorde levensduur. Wanneer in deze publicatie over de restlevensduur van betonconstructies wordt gesproken, wordt de constructieve restlevensduur bedoeld. De vraagstelling is wat de definitie van de (constructieve) restlevensduur van bestaande betonconstructies is en hoe deze kan worden bepaald. SBRCURnet-commissie 1958 ‘Restlevensduur bestaande betonconstructies’ is ingesteld om op deze vragen antwoord te geven.

1.1 Werkzaamheden en samenstelling commissie

SBRCURnet-commissie 1958 heeft vanuit de vraagstelling de volgende werkzaamheden verricht, waarvan in dit rapport verslag wordt gedaan: 1. Het opstellen van een algemeen aanvaardbare definitie van het begrip ‘restlevensduur van bestaande betonconstructies’. 2. Het identificeren van kennis en kennisleemten om de restlevensduur te bepalen. 3. Het opstellen van ontwikkellijnen die beschrijven wat er moet gebeuren om tot een SBRCURnet-richtlijn te komen voor het bepalen van de constructieve restlevensduur.

De commissie is als volgt samengesteld:

  • Dr. ir. C.B.M. Blom (voorzitter)*, Ingenieursbureau Gemeente Rotterdam / TU Delft
  • Ir. M. Egas, Dura Vermeer Beton- en Waterbouw
  • E.J.A. Ermens, Nebest B.V.
  • Ir. T.W. Groeneweg*, Movares Nederland B.V.
  • Ing. N.N.A. van Huet, RoyalHaskoningDHV
  • Ir. J.G.A. van Hulst (projectmanager)*, SBRCURnet
  • Ing. A. Kremer, ProRail
  • Ir. P.A. Lanser, Cement- en BetonCentrum
  • Dr. ir. M.A. van Leeuwen, CRH SCC
  • Prof. dr. R.B. Polder*, TNO / TU Delft
  • Ing. J. de Vries, Rijkswaterstaat GPO

De rapportage is verzorgd door de met * gemerkte commissieleden.

1.2 Aanpak

De commissie heeft ‘restlevensduur van betonconstructies’ gedefinieerd op basis van eigen kennis en expertise en een korte zoektocht naar definities omtrent de restlevensduur, ook in het buitenland. Vanuit deze definitie is de vraagstelling verdiept.

Dit leidt tot de volgende onderzoeksvragen:

  • waarom is het belangrijk de restlevensduur te kennen en te kunnen bepalen?
  • welke aantastings- en verouderingsmechanismen worden onderscheiden en welke zijn relevant in het kader van de vraagstelling?
  • welke kennis is beschikbaar?
  • welke ontbreekt?
  • hoe kan de restlevensduur worden bepaald en welke aanvullende informatie en onderzoek is daarvoor nodig?

Draagvlak voor de definitie en de vervolgwerkzaamheden is verkregen tijdens een op 17 juni 2014 gehouden workshop. De resultaten van de workshop zijn in deze rapportage verwerkt.

Een aantal uitgangspunten is geformuleerd:

  • inhoudelijk wordt niet ingegaan op maatregelen om de levensduur te verlengen.
  • wanneer blijkt dat de kennis om de restlevensduur te kunnen bepalen onvoldoende is en dat onderzoek nodig is om kennisleemten te vullen, dan worden deze activiteiten in een volgende fase uitgevoerd.