0

publicatie: kmquest.trinidad

Voorwoord

Voorwoord

Het gebruik van eindige-elementenprogramma's in de geotechniek is in de afgelopen 10 tot 15 jaar enorm toegenomen. Met name waar het gaat om complexe problemen kan deze methode inzicht bieden in het gedrag van de ondergrond en de constructie. In nauwe samenwerking tussen Rijkswaterstaat, Bouwdienst, de Dienst Weg- en Waterbouwkunde en de TU Delft, faculteit Civiele Techniek, is in de jaren tachtig het eindige-elementenprogramma PLAXIS ontwikkeld. Deze ontwikkeling, samen met de steeds krachtiger wordende PC's, maakt het mogelijk dat de ontwerper c.q. de adviseur in toenemende mate geotechnische problemen vanaf de werkplek kan oplossen.
Gelet op de toenemende belangstelling van het bedrijfsleven voor het gebruik van PLAXIS is, op voorstel van Rijkswaterstaat onderzoekcommissie C 95 "Plaxis" opgericht. Doel van deze commissie was om de geotechnische kennis met betrekking tot aspecten zoals klei, tunnelelementen en groutankers geschikt te maken voor een eindige-elementenmethode en er voor te zorgen dat het resultaat ervan op een juiste manier werd geïmplementeerd in het computerprogramma PLAXIS. In het voorliggende handboek is het resultaat weergegeven van het geotechnisch onderzoek dat aan deze ontwikkelingen ten grondslag heeft gelegen. Overigens zij hierbij vermeld dat inmiddels een vervolgonderzoek is gestart om een aantal andere aspecten vanuit de dagelijkse geotechnische adviespraktijk geschikt te maken voor een eindige-elementenmethode en vervolgens te implementeren in PLAXIS. De resultaten van deze vervolgactiviteiten zullen in een tweede handboek verschijnen (medio 1997).

Bij het verschijnen van het voorliggende handboek was de samenstelling van onderzoekcommissie C 95 "Plaxis" als volgt:

ing. R.J. TERMAAT, voorzitter
ing. P.J.W. BRAND, secretaris
ir. K.1. BAKKER
ir. W.A. DE HAAN
ir. E.1. HUIDEN
dipl.-phys. C.N.M. JANSZ
ing. A.A. PLADET
mr. N.J. RINKEL
prof.ir. A.F. VAN ToL
prof. dr. ir. P. A. VERMEER, corresponderend lid
ing. A. JONKER, coördinator
prof.dr.ir. A. VERRUIJT, mentor

In de loop van 1994 is ir. H.A. LAVOOIJ opgevolgd door ing. A.A. PLADET.

Het handboek is geschreven door drjr P.G. BONNIER, ing. P.J.W. BRAND en dr.ir. R.B.J. BRINKGREVE. Speciale waardering gaat uit naar ir. G.M. WOLSINK, (Rijkswaterstaat, Bouwdienst) voor zijn constructieve opmerkingen op het concept.

Voor het onderzoek zijn financiële bijdragen ontvangen van

  • Ministerie van Verkeer en Waterstaat, Directoraat-Generaal Rijkswaterstaat, Dienst Weg- en Waterbouwkunde
  • Ministerie van Verkeer en Waterstaat, Directoraat-Generaal Rijkswaterstaat, Bouwdienst Rijkswaterstaat
  • A.A. Balkema Uitgevers B. V.
  • Aveco B.V.
  • Baggermaatschappij Boskalis B. V.
  • Ballast Nedam Engineering B.V.
  • B. V. Adviesbureau voor Grondmechanica J. Mos
  • B.V. Adviesbureau Tjaden voor Technisch Bodemonderzoek
  • Delta Marine Consultants B.V.
  • DHV Milieu en Infrastructuur B.V.
  • Gemeentewerken Rotterdam
  • Grontmij N. V.
  • Haskoning B.V.
  • Heidemij Adviesbureau B.V.
  • Ingenieursbureau 11Oranjewoud11 B. V.
  • Joustra Geomet B.V.
  • N.V. Nederlandse Spoorwegen - Ingenieursbureau NS
  • Omegam
  • Stedelijk Beheer Amsterdam
  • Visser & Smit Bouw B. V.

De CUR spreekt haar dank uit aan deze instanties, alsmede aan de leden van de commissie die met veel inzet en enthousiasme hebben samengewerkt aan de realisatie van dit handboek.

mei 1995 Het bestuur van de CUR