0

publicatie: Autogene Krimp

Voorwoord

Voorwoord

Bij de realisatie van betonnen constructies in de GWWsector wordt regelmatig schade in de vorm van scheurvorming geconstateerd. Deze scheurvorming is van invloed op de bruikbaarheid van de betonconstructie, waardoor de eisen die worden gesteld aan de bruikbaarheidsgrenstoestand in het geding komen.

De schade betreft zowel te veel scheuren als scheuren met een te grote scheurwijdte en kan zich na verloop van tijd uitbreiden. Niet alleen de opdrachtgever en de beheerder van het object, in het kader van DC(F) M(O) contracten kunnen ook uitvoerende bouwbedrijven, die langdurig betrokken blijven bij het beheer en onderhoud van de door hen ontworpen en gerealiseerde betonconstructies, met dit probleem worden geconfronteerd. De indruk bestaat dat deze vorm van schade toeneemt. De oorzaak is complex, omdat er vele (verhardings)mechanismen zijn die, elkaar versterkend of tegenwerkend, aanleiding (kunnen) geven tot scheurvorming. Autogene krimp wordt als een van de belangrijkste oorzaken van scheurvorming aangemerkt. Met name door de levering van een betonmengsel dat is ontworpen voor een specifieke toepassing in plaats van een standaard betonmengsel en door zorgvuldigheden tijdens de uitvoering kan autogene krimp ontstaan.

Onzekerheden en het ontbreken van kennis leiden tot discussies en conflicten tussen partijen, waarbij opdrachtgever zich op het standpunt stellen dat het voor de praktijk niet interessant is hoe scheurvorming is ontstaan en wat de oorzaak is: de opdrachtnemer moet het maar oplossen. Communicatie over dit onderwerp is nog summier en verdient meer aandacht.

Op aangeven van Rijkswaterstaat is SBRCURnet nagegaan of er voldoende draagvlak bij opdrachtgevers en uitvoerende partijen is om dit fenomeen nader te definiëren en te onderzoeken.

Op basis van de positieve reacties is besloten een SBRCURnet-Adviescommissie in te stellen, met als doel autogene krimp als fenomeen eenduidig te omschrijven, de omvang en gevolgen hiervan inzichtelijk te maken en maatregelen te benoemen om de nadelige gevolgen van excessieve scheurvorming te voorkomen. Het is belangrijk dat alle partijen, die in welke hoedanigheid dan ook (als opdrachtgever, aannemer, grondstoffen- en bouwstoffenleverancier, etc.) bij deze problematiek zijn betrokken, zich committeren aan het zoekproces naar de oorzaak van autogene krimp en de te nemen maatregelen om deze te voorkomen.

De aard, omvang en complexiteit van de materie vraagt om een getrapte aanpak.
Een drietal fasen is derhalve onderscheiden.

In de eerste fase ligt de nadruk op een inventarisatie van de kennisinfrastructuur: welke (eenduidige) kennis en inzichten zijn er met betrekking tot autogene krimp en wat zijn de verwachtingen omtrent de ontwikkelingen van dit verschijnsel. Hiertoe wordt gesproken met opdrachtgevers, aannemers, adviseurs en onderzoeksinstellingen om de problematiek te benoemen en af te bakenen.

Een tweede stap in deze fase betreft het opsporen van eenduidige praktijkvoorbeelden en interviews met opdrachtgevers en uitvoerende partijen.
De eerste fase van het project krijgt een educatief karakter, gericht op de bouwpraktijk.

In de tweede fase betreft het uitvoeren van de aanbevelingen die volgen uit fase 1, alsmede het definiëren van casussen en het tonen van praktijksituaties waarin autogene krimp een rol heeft gespeeld in de ongewenste mate van scheurvorming.

Hiertoe behoort het inzichtelijk maken van de eisen die door opdrachtgevers zijn gesteld, de wijze waarop hierop in het ontwerp en in de uitvoering is geanticipeerd en het duiden van mogelijke leemten. Deze fase eindigt met praktische adviezen aan zowel opdrachtgevers (formuleren van eisen) als aan adviseurs en aannemers t.a.v. do’s en don’ts.

In de derde fase is fundamenteel onderzoek voorzien: met aan zekerheid grenzende zekerheid ontbreekt het aan voldoende fundamentele kennis van autogene krimp en aan goede gevalideerde rekenmodellen om de gevolgen van autogene krimp op een adequate manier in rekening te brengen.

Het voorliggende rapport betreft het resultaat van de werkzaamheden die in fase 1 zijn uitgevoerd.

Samenstelling CUR-commissie
De CUR-Adviescommissie, fase 1, is als volgt samengesteld:
prof. dr. ir. Th. Salet, TU/e, voorzitter
mevr. ir. B. Baetens, SGS Intron, rapporteur
dr. ir. A. van Beek, TU Delft, rapporteur
prof. dr. ir. K. van Breugel, TU Delft
mevr. M. S. Dijk, MSc, Witteveen + Bos
J. van Eldik, Mebin
ir. J.G.A. van Hulst, coördinator SBRCURnet
dr. M. Hunger, HeidelbergCement Benelux
ir. J. Meijdam, Dura Vermeer Beton- en Waterbouw B.V.
ir. F. van Waarde, BAM Infraconsult B.V.
ir. G. Wolsink, Rijkswaterstaat - GPO

Het bestuur van SBRCURnet dankt bovengenoemde commissieleden voor hun bijdragen en inzet bij het tot stand komen van dit rapport.
De volgende organisaties hebben ook een financiële bijdrage geleverd:

  • Cement- en BetonCentrum
  • Dura Vermeer Beton- en Waterbouw B.V.
  • Rijkswaterstaat-GPO
  • SKKB