0

publicatie: Binnenmilieu Prestatie-eisen Kantoorgebouwen

1 Inleiding

1 Inleiding

In dit document worden binnenmilieu prestatie-eisen voor kantoorgebouwen gepresenteerd. Het betreft de vier binnenmilieuthema’s thermisch binnenklimaat, luchtkwaliteit, licht & uitzicht en geluid.

De gepresenteerde eisen zijn te gebruiken als uitgangspunt bij nieuwbouw- en verbouwtrajecten. Ze zijn echter ook van nut als referentiekader bij de interpretatie van meetuitkomsten bijvoorbeeld bij binnenklimaatonderzoek naar aanleiding van gebruikersklachten.

Prestatie-eisen versus ‘middeleisen’
Het is belangrijk dat er onderscheid wordt gemaakt tussen:

  • prestatie-eisen, oftewel eisen waaraan de werkomgeving dient te voldoen (‘doeleisen’), en:
  • maatregelen op gebouw-/installatie-/inrichtingsniveau, oftewel eisen die bepaalde bouwelementen, installatieonderdelen of inrichtingsmaterialen voorschrijven (‘middeleisen’).

In tabel 1 wordt een aantal voorbeelden gegeven ter toelichting op het verschil tussen beide typen eisen.

Werken met prestatie-eisen heeft het voordeel dat in het algemeen de te realiseren eindkwaliteit eenduidig is vastgelegd en dat de architect en adviseurs een relatief grote ontwerpvrijheid krijgen.
Is bij nieuwbouw bijvoorbeeld bij de samenstelling van het Programma van Eisen eenmaal een pakket prestatie-eisen voor het binnenmilieu gekozen (een en ander gegeven de financiële middelen van de opdrachtgever en de wensen van eindgebruikers), dan is het aan de ontwerpers van gebouw en installaties om de gekozen binnenmilieukwaliteit op de meest economische en milieuvriendelijke wijze te realiseren.

Tabel 1
Prestatie-eisen versus gebouw-/installatie-/materiaal-eisen.

Binnenmilieu Prestatie-eis
‘doel-eis’
Eis aan gebouw / installatie / materiaal
‘middel-eis’
Thermisch binnenklimaat Operatieve temperatuur zomer
maximaal 25,5 °C
ZTA-waarde beglazing incl. zonwering
< 0,35
Luchtkwaliteit CO2- concentratie altijd < 800 ppm Minimaal 45 m3/h verse buitenlucht per persoon
Licht Horizontale verlichtingssterkte 400 lux Geïnstalleerd verlichtingsvermogen 8 W/m²
Geluid Luchtgeluidisolatie binnenwanden
D nT;A > 47 dB
Massa binnenwand > 350 kg/m²

Definitie binnenmilieukwaliteit
De kwaliteit van het binnenmilieu wordt bepaald door de mate waarin aan de behoeften van gebouwgebruikers wordt voldaan. De afgelopen 30 jaar is in binnen- en buitenland een groot aantal onderzoeken verricht naar de comfortbeleving en gezondheidseffecten in relatie tot binnenmilieufactoren. Uit studies met proefpersonen zijn bijvoorbeeld verbanden bekend tussen het thermisch klimaat en thermische deelaspecten (bijvoorbeeld vloertemperatuur), en het percentage blootgestelden dat daarmee tevreden is c.q. geen hinder ondervindt.
Ook voor sommige luchtkwaliteitparameters geldt dat uit laboratoriumonderzoeken percentages ontevredenen in relatie tot de blootstelling of de hoeveelheid ventilatie zijn af te leiden. Van andere luchtkwaliteitparameters echter is alleen een kwaliteitsonderverdeling te maken op basis van het risico op gezondheidsschade op lange termijn.
De factoren verlichting en geluid zijn meer taakgebonden dan het thermisch binnenklimaat en de luchtkwaliteit. De tevredenheid is hier met name afhankelijk van de mate waarin deze factoren het functioneren van de kantoorwerker beïnvloeden.
Bij verlichting spelen de zichtbaarheid van de werktaak en het visueel comfort (wel of geen hinderlijke verblinding of spiegelingen) een rol.
Bij geluid is de kwaliteit gerelateerd aan de kans op verstoring van de werkzaamheden ten gevolge van stoorgeluiden vanuit de omgeving. Zo’n verstoring kan optreden als de optredende geluidniveaus dermate hoog zijn dat men elkaar bijvoorbeeld niet meer kan verstaan. Ook kan er verstoring optreden omdat men zich niet meer (goed) kan concentreren. In zo’n situatie is niet zozeer het geluidniveau van belang, als wel de aard van het geluid en de vermijdbaarheid ervan. Merk op dat gehoorbeschadigend lawaai in kantoorgebouwen geen issue is; geluidniveaus boven 80 dB(A) komen hier immers zelden voor.

In tabel 2 zijn de uitgangspunten voor de in deze publicatie gepresenteerde binnenmilieueisen samengevat. Merk op dat er in de hoofdstukken 3 tot en met 6 verder ingegaan wordt op de achtergronden.

Eisen in drie klassen
Veelal neemt men aan dat het voldoen aan ‘de’ wettelijke eisen op binnenmilieugebied (Bouwbesluit, Arboregelgeving) voldoende garantie is voor een ‘goed binnenmilieu’. Dit is echter een misverstand. Aan de minimumeisen voldoen betekent dat de kans op ernstige hinder beperkt is, maar het vormt geen garantie voor algemene tevredenheid of een - voor iedereen - comfortabele werkomgeving.
De wettelijke eisen dienen gezien te worden als een minimum waaraan in elk geval voldaan dient te worden. Wanneer echter een meer dan minimale kwaliteit gewenst is, zal men hoger moeten inzetten. Vandaar dat de binnenmilieu-eisen in dit document in drie klassen worden gepresenteerd. Hierbij komt de laagste klasse, klasse C, vrijwel overeen met het wettelijke minimumniveau voor nieuwbouw.

De drie klassen worden als volgt gekwalificeerd (onderverdeling gebaseerd op ISSO/SBR 354 en NPR CR 1752):

  • klasse A: ‘zeer goed’ – hoog verwachtingspatroon ten aanzien van de kwaliteit van het binnenmilieu;
  • klasse B: ‘goed’ – gemiddeld verwachtingspatroon ten aanzien van de kwaliteit van het binnenmilieu;
  • klasse C: ‘acceptabel’, – matig verwachtingspatroon ten aanzien van de kwaliteit van het binnenmilieu, minimaal noodzakelijk vanuit het oogpunt van volksgezondheid en ca. niveau wettelijk minimum nieuwbouw.

Merk op dat er indirect ook een restklasse is gedefinieerd die neerkomt op ‘niet aan de laagste eisen voldoen’ c.q. minder dan klasse C (met name relevant in bestaande, oudere gebouwen).

Welke klasse, wanneer?
Afhankelijk van het gewenste kwaliteitsniveau, de gevoeligheid en de belastbaarheid van de gebouwgebruikers en de budgettaire randvoorwaarden, kan men per binnenmilieuparameter kiezen welke kwaliteit gewenst is: een niveau ‘zeer goed’, ‘goed’ of ‘acceptabel’.

In zijn algemeenheid geldt bij nieuwbouw en ingrijpende renovaties het volgende:

  • kies in beginsel op alle binnenmilieuaspecten voor kwaliteit klasse B;
  • kies op deelaspecten voor klasse A wanneer men extra kwaliteit wenst of als een aanzienlijk deel van de gebouwgebruikers een medische aandoening heeft c.q. een aantoonbare meerwaarde ondervindt van het verhogen van de eisen op een deelaspect;
  • kies op deelaspecten voor een klasse A-kwaliteit als de opdrachtgever op de bewuste punten (bijvoorbeeld daglichttoetreding, geluidisolatie tussenwanden) ‘extra luxe’ oftewel extra kwaliteit vraagt.

In zijn algemeenheid geldt voor bestaande kantoren (bijvoorbeeld wanneer bepaald moet worden of er bij klachten van gebouwgebruikers al dan niet extra maatregelen nodig zijn):

  • op alle aspecten moet in elk geval het klasse C-niveau gehaald worden; wanneer dit niet het geval is, zijn maatregelen sowieso nodig (er wordt immers niet aan de reguliere wettelijke eisen voldaan) en is het zeer aannemelijk dat gezondheidsklachten en hinder van gebruikers op het relatief slechte binnenmilieu zijn te herleiden;
  • als een aanzienlijk deel van de gebouwgebruikers een medische aandoening c.q. een bepaalde overgevoeligheid heeft, dient men eerder klasse B dan C als referentie(doel) aan te houden;
  • ook in relatief nieuwe bestaande kantoren (van na 1990) en in bestaande kantoren met een relatief hoge m²-prijs dient men eerder een klasse B-niveau dan een klasse C-niveau als referentie(doel) aan te houden.

Relativerend wordt opgemerkt dat zelfs de keuze voor een niveau ‘zeer goed’ nog geen garantie is voor totale afwezigheid van klachten c.q. 100% gebruikerstevredenheid. Ten gevolge van verschillende wensen van individuen kunnen er, ook bij een gemiddeld optimaal niveau, toch nog klachten worden geuit. Verder kunnen er ook klachten ontstaan als het gebruik van het gebouw afwijkt van de uitgangspunten bij het ontwerp, terwijl op papier toch aan bijvoorbeeld de klasse A-eisen voldaan wordt.
Daarnaast dient men zich te realiseren dat bij het ontstaan van gebouwgerelateerde gezondheidsklachten en hinder factoren een rol kunnen spelen die niet worden behandeld in deze publicatie. Ook kan er in bepaalde situaties sprake zijn van factoren die de gezondheid en het welzijn beïnvloeden, die überhaupt niet in prestatie-eisen zijn te beschrijven. Denk dan bijvoorbeeld aan psychosociale factoren (zoals werkstress), waarvan bekend is dat ze gebouwgerelateerde klachten kunnen versterken.

Tabel 2
Overzicht uitgangspunten binnenmilieu prestatieklassen per thema.

Klasse
Prestatieniveau
A
Zeer Goed
B
Goed
C
Acceptabel
Thermisch binnenklimaat:
Algemeen aangenaam, de productiviteit bevorderend binnenklimaat redelijk aangenaam binnenklimaat redelijk binnenklimaat
Algemene behaaglijkheid percentage ontevredenen maximaal 10% + hoge mate van gebruikersinvloed op temperatuur percentage ontevredenen maximaal 10% percentage ontevredenen maximaal 15%
Plaatselijke behaaglijkheid percentage ontevredenen maximaal 2 - 15%, een en ander afhankelijk van type klimaatparameter percentage ontevredenen maximaal 3 - 20%, een en ander afhankelijk van type klimaatparameter percentage ontevredenen maximaal 5 - 25%, een en ander afhankelijk van type klimaatparameter
Luchtkwaliteit:
Algemeen aangename, de productiviteit bevorderende luchtkwaliteit redelijk aangename luchtkwaliteit redelijke luchtkwaliteit
Geurhinder percentage ontevredenen ten gevolge van geurhinder (bij binnenkomst) maximaal 10% percentage ontevredenen ten gevolge van geurhinder maximaal 15% percentage ontevredenen ten gevolge van geurhinder maximaal 20%
Gebouwgerelateerde gezondheidsklachten kans op gebouwgerelateerde gezondheidsklachten: nihil kans op gebouwgerelateerde gezondheidsklachten: klein kans op gebouwgerelateerde gezondheidsklachten: redelijk
Gezondheid lange termijn kans op gezondheidsschade op de lange termijn: zeer klein kans op gezondheidsschade op de lange termijn: zeer klein kans op gezondheidsschade op de lange termijn: klein
Licht & uitzicht:
Algemeen werktaak goed zichtbaar, visueel comfort goed, verlichting en lichtwering individueel te beïnvloeden werktaak goed zichtbaar, visueel comfort goed werktaak goed zichtbaar, visueel comfort matig
Visueel discomfort percentage ontevredenen ten gevolge van visueel discomfort maximaal ca. 10% percentage ontevredenen ten gevolge van visueel discomfort maximaal 15% percentage ontevredenen ten gevolge van visueel discomfort maximaal 20%
Uitzicht het uitzicht wordt als zeer goed beoordeeld het uitzicht wordt als goed beoordeeld het uitzicht wordt als matig beoordeeld
Geluid
Algemeen stoorgeluidniveau dusdanig dat taken onder goede omstandigheden kunnen worden uitgevoerd stoorgeluidniveau dusdanig dat taken normaal kunnen worden uitgevoerd stoorgeluidniveau dusdanig dat risico op verstoring van taken redelijk groot is
Geluidhinder percentage ontevredenen ten gevolge van geluidhinder maximaal ca. 10% percentage ontevredenen ten gevolge van geluidhinder maximaal ca. 25% percentage ontevredenen ten gevolge van geluidhinder maximaal ca. 50%

Doelgroep van de publicatie
Deze publicatie is primair bedoeld voor huisvestings-, bouwfysica-, binnenmilieu- en installatieadviseurs, arbeidshygiënisten, arbo-adviseurs en anderen die als professional betrokken zijn bij het opstellen van Programma’s van Eisen en andere huisvestingseisen (bijvoorbeeld als referentie bij binnenklimaatonderzoek). Ook kan de publicatie van nut zijn voor de meer dan gemiddeld – in gezond bouwen – geïnteresseerde opdrachtgever, projectontwikkelaar, bouwmanager, installateur of gebouwbeheerder.

Deze publicatie is bedoeld voor kantoorgebouwen (kantoorwerkplekken in het bijzonder). Desalniettemin kan de informatie – met enige reserve – ook worden toegepast voor (delen van) andere gebouwen waarin mensen in een soortgelijke situatie werken of verblijven, zoals bibliotheken, scholen, kantoorgedeelten van fabrieken of werkplaatsen en dergelijke. Voorwaarde is wel dat waar nodig wordt gecorrigeerd voor afwijkingen in de te huisvesten functies (ten opzichte van de kantoorfunctie).

Voorbeelden toepassing drieklassensysteem

Voorbeeld 1:
Situatie: verbouwing van een 18de-eeuws kantoor. De vraag is welke eisen men in het PvE aan de verbouwing moet stellen.
Doel: na oplevering redelijk goede werkomstandigheden met betrekking tot binnenklimaat, luchtkwaliteit, licht en geluid voor een gemiddeld gezonde kantoorwerker. Wel de extra wens van opdrachtgever om op het aspect daglicht/kunstlicht een meerwaarde te behouden/creëren.
Budget: gemiddeld.
Te stellen prestatie-eis: op alle aspecten klasse B. Uitgezonderd op de deelaspecten kunstlicht en daglicht: hier klasse A-eis stellen.

Voorbeeld 2:
Situatie: binnenklimaatonderzoek in een groot kantoorpand) van tien jaar oud naar aanleiding van gebouwgerelateerde gezondheidsklachten (‘Sick Building-klachten’) van medewerkers. De vraag is aan welke eisen men meetresultaten (uitgevoerd in het kader van het onderzoek) dient te toetsen.
Doel: inzage krijgen of klachten zijn te ‘objectiveren’ middels metingen. Onderzoeken of de gebouwprestatie overeenkomt met wat de werkgever het gewenste binnenmilieu prestatieniveau noemt.
Budget: gemiddeld.
Te stellen prestatie-eis: op alle aspecten klasse B, aangezien het een bestaand (normaal) kantoorgebouw betreft. Betrof het een beduidend ouder pand en zouden de eisen van opdrachtgever lager liggen, bijvoorbeeld omdat het aspect ‘representativiteit’ minder belangrijk werd geacht, dan had ook op alle aspecten voor niveau C gekozen kunnen worden.

Voorbeeld 3:
Situatie: nieuwbouw hoofdkantoor van bank. De vraag is welke eisen men in het PvE moet stellen.
Doel: na oplevering niet alleen kwaliteit uitstralen op zichtbare aspecten als een indrukwekkende gevel en de marmeren vloer van de entreehal. Het is een nadrukkelijke wens van de opdrachtgever om ook op onzichtbare zaken als luchtkwaliteit en geluid een ‘dikke 8’ te scoren.
Budget: ruim.
Te stellen prestatie-eis: op alle aspecten klasse A.