0

publicatie: Biologische agentia in het binnenmilieu

1 Inleiding

1 Inleiding

Onder biologische agentia verstaat men stoffen of fragmenten afkomstig van planten, dieren of micro-organismen. Algemeen in het binnenmilieu voorkomende biologische agentia zijn bijvoorbeeld dode en levende schimmels (schimmelsporen), bacteriën, sporen, pollen, mijten en deeltjes (allergenen) afkomstig van huisdieren en plaagdieren.

Biologische agentia is een lastig onderwerp, het onderzoeksveld is sterk in ontwikkeling. Wetenschappelijk gezien is (anno 2005) het laatste woord over biologische agentia en hun gezondheidseffecten nog niet gezegd.
Een 100% wetenschappelijk onderbouwd cahier over biologische agentia, binnenmilieu en gezondheidseffecten kan dus wellicht pas over 10 jaar geschreven worden. Gezien de vele vragen 'in het veld' over biologische agentia in het binnenmilieu is er niettemin voor gekozen om nu al een overzichtscahier te maken over dit onderwerp. Deels gebaseerd op praktijkervaringen en deels gebaseerd op wat al wel bekend is uit wetenschappelijk onderzoek.

Problemen met biologische agentia komen vaak voor. Zo is bijvoorbeeld bekend dat 17% van de Nederlandse woningen een schimmelprobleem heeft waarbij de meeste problemen zich voor doen in de badkamer, keuken en slaapkamer. Verder blijkt in 80% van de Nederlandse woningen sprake te zijn van een overmatig aantal huisstofmijten, wat met name een probleem is voor mensen met een huisstofmijtallergie. Cijfers voor andere micro-organismen zijn er niet.
Het is onbekend hoe vaak problemen met biologische agentia voorkomen in andere sectoren (denk aan bijvoorbeeld kantoor-, gezondheidszorg- en onderwijsgebouwen). Maar op basis van praktijkervaringen kan gesteld worden dat het probleem ook hier waarschijnlijk redelijk wijd verbreid is.

Er zijn sterke aanwijzingen dat biologische agentia (direct of indirect) een heel scala aan gezondheidseffecten kunnen veroorzaken, zoals een infectie, een allergie, een vergiftiging, irritatie van de slijmvliezen en aspecifieke gezondheidsklachten als hoofdpijn en vermoeidheid. De ernst van de gezondheidseffecten heeft onder andere te maken met de hoogte van de concentratie waaraan men wordt blootgesteld, de gevoeligheid van het individu, de eventuele erfelijke aanleg om bijvoorbeeld allergieën te ontwikkelen en de duur van de blootstelling. Niet iedereen krijgt bij dezelfde blootstelling dezelfde gezondheidseffecten. Daarbij verschilt het effect natuurlijk sterk afhankelijk van het feit of het om bacteriën, virussen, schimmels of pollen gaat. Ook kunnen bepaalde stoffen elkaar juist versterken. Dit geldt bijvoorbeeld voor endotoxinen en huisstofmijtallergenen.

Overigens kan blootstelling aan biologische agentia (bij niet al te hoge concentraties) waarschijnlijk ook positieve effecten op de gezondheid hebben. Een aantal epidemiologische studies suggereert namelijk dat enige blootstelling aan micro-organismen gedurende de eerste paar levensjaren een beschermend effect heeft tegen de ontwikkeling van allergieën en astma.

Dit cahier gaat specifiek over de blootstelling aan biologische agentia in woningen, scholen, kantoren en andere niet-industriële gebouwen. Het gaat dan in de regel dus over blootstelling aan 'gematigde' concentraties, bijvoorbeeld ten gevolge van besmette klimaatinstallaties, een hoge bezettingsgraad, onvoldoende schoonmaak of een vochtprobleem.

Dit cahier is primair bedoeld voor arboprofessionals, medisch milieukundigen, adviseurs en gebouweigenaren (denk aan woningcorporaties) en gebouwbeheerders die bij hun werk te maken krijgen met (al dan niet) vermeende gezondheidseffecten ten gevolge van de blootstelling van biologische agentia in de gebouwde omgeving.

Voor situaties waarin er sprake is van extreem hoge blootstellingsniveaus, bijvoorbeeld in ziekenhuizen, laboratoria waar met biologische agentia gewerkt wordt, de landbouw en de voedingsindustrie, wordt doorverwezen naar Arbo-informatieblad AI-9.

In de volgende hoofdstukken komt aan bod welke biologische agentia er zijn, en wat de bronnen, de blootstellingroutes en mogelijke gezondheidseffecten zijn. Tevens wordt - waar mogelijk - aangeven bij welke concentraties risico's kunnen optreden. Het laatste voorzover mogelijk gegeven de huidige stand van kennis.
Daarna wordt steeds aangegeven of en zo ja hoe de specifieke agentia gemeten en geanalyseerd kunnen worden. Om te eindigen met suggesties voor beheersmaatregelen die de blootstelling kunnen beperken.

Merk op dat in dit cahier verder niet ingegaan wordt op (de gezondheidseffecten van) insecten, zilvervisjes, algen, amoeben en protozoa. Hiervoor wordt doorverwezen naar meer specialistische literatuur.

Vragen rond biologische agentia

Voor wie als arboprofessional, medisch milieukundige, adviseur of gebouwbeheerder (eigenaar) wordt geconfronteerd met gezondheidsklachten die mogelijk samenhangen met het binnenmilieu en de aanwezigheid van biologische agentia in de lucht, geldt allereerst: 'bezint eer ge begint'. Voordat men halsoverkop opdrachten geeft tot meting van schimmels, bacteriën enzovoorts stelt men zich bij voorkeur eerst een paar vragen:

Klachteninventarisatie:

  • Wat is het probleem precies?
  • Wat zijn de klachten? Gaat het bijvoorbeeld alleen om geurhinder of is er sprake van vrees voor onherstelbare gezondheidsschade?
  • Hebben alle gebouwgebruikers klachten? Of zijn het misschien juist astmatische en allergische gebouwgebruikers die klachten hebben?
  • Doen de klachten zich meer voor in een bepaalde ruimte? Werken de mensen met klachten in ruimten die bijvoorbeeld anders ingericht zijn of anders gebruikt worden dan de rest?
  • Waarom bestaat er een vermoeden dat micro-organismen een rol spelen? Is het aannemelijk dat het klachtenprofiel samenhangt met blootsteling aan biologische agentia?
  • Wat zegt de Arbo-dienst of de GGD over de situatie? Wat stellen zij voor als onderzoeksaanpak?

Onderzoek:

  • Wat is de onderzoeksvraag precies? Gaat het om het objectiveren van een eventueel gezondheidsrisico of is het doel bijvoorbeeld alleen 'de bron van de onaangename geur wegnemen'?
  • Voordat er met metingen begonnen wordt: zijn er visuele aanwijzingen dat er 'iets' abnormaal is, zoals beslagen ramen, zichtbare schimmelplekken, inwendig sterk verontreinigde ventilatiesystemen of oude, vervuilde vloerbedekking?
  • Wat is het huidige schoonmaakprogramma? En hoe wordt dit uitgevoerd? Kan achterstallig (schoonmaak)onderhoud iets met de klachten te maken hebben? Denk hierbij ook aan het hygiënisch onderhoud van ventilatiesystemen.
  • Is er sprake van een ongewone geur? En zo ja, waar lijkt deze op?
  • Is er recent een vochtprobleem geweest in het gebouw? Bijvoorbeeld door lekkage, een vochtige kruipruimte, regendoorslag of condensatie op koudebruggen?
  • Hoe aannemelijk is het dat de klachten die er zijn werkelijk veroorzaakt worden door biologische agentia? Zijn ze bijvoorbeeld niet gewoon het gevolg van ontbrekende ventilatievoorzieningen, te weinig verseluchttoevoer of blootstelling aan chemische emissies uit (nieuw aangebrachte) interieurmaterialen?

Metingen:

  • Weten we zeker dat het nuttig is om metingen uit te voeren? Een en ander in relatie tot het gestelde onderzoeksdoel.
  • Wat gaan we precies meten? En wat is de relatie tussen dat wat gemeten wordt en de specifieke klachten die er spelen?
  • Wat wordt er als referentiewaarde of grenswaarde gehanteerd? Hoe hard (wetenschappelijk bewezen) zijn deze criteria? Is er sprake van een eenduidige dosis-effectrelatie?
  • Welk meetprotocol wordt er gevolgd? Wordt hierbij gebruikgemaakt van een standaardnorm?
  • Wanneer en hoe lang wordt er gemeten? In hoeveel ruimten wordt gemeten? En waar in de ruimten wordt gemeten?
  • Wie voert de metingen uit en analyseert de uitkomsten? Denk ook aan certificering.
  • Hoe worden de uitkomsten gerapporteerd? Via platte tabellen met laboratoriumuitkomsten of een uitgebreid onderzoeksrapport met interpretatie van de uitkomsten?

Een groot deel van bovenstaande vragen wordt in dit cahier beantwoord. Zie verder ook het Praktijkboek cahier O2 'ISIAQ-richtlijn onderzoek binnenluchtkwaliteit klachten', waarin meer algemene aanwijzingen gegeven worden voor de systematiek van binnenmilieuonderzoek.

Soms is een binnenluchtkwaliteitprobleem te herleiden tot een verontreinigd filter in het ventilatiesysteem.