0

publicatie: Brandwerende details

1 Inleiding

1 Inleiding

Een goede detaillering ter plaatse van rook- en brandscheidingen is van belang voor de brandveiligheid van een gebouw. In sommige situaties kan een juiste detaillering zelfs van levensbelang zijn.
Deze publicatie sluit aan bij eerdere SBR-publicaties over brandveiligheid, namelijk:

  • Brandveiligheid: ontwerpen en toetsen. Deel A t/m F (SBR-publicatie 443);
  • Weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag (SBR-publicatie 541);
  • Berekeningen brandveiligheid (SBR-publicatie 856).

Brandveiligheid: ontwerpen en toetsen. Deel D. Bouwdeel- en materiaal gedrag gaat beknopt in op de detaillering in relatie tot branddoorslag. De brandwerendheid van doorvoeringen wordt uitgebreid behandeld in SBR/ISSO-publicatie Brandveilige doorvoeringen (SBR-809). Voor de algemene detaillering wordt verwezen naar de SBR-Referentiedetails.
Deze publicatie gaat nader in op de detaillering van wanden, gevels en daken die onderdeel zijn van een brandscheiding. Deze details moeten voldoen aan de wbdbo-eisen die worden gesteld door publiekrechtelijke dan wel privaatrechtelijke regelgeving.

1.1 Brandwerendheid in relatie tot brandoverslag en rookwerendheid

De benodigde brandwerendheid voor de scheidende functie van bijvoorbeeld een wand of een vloer volgt in het algemeen uit de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag (wbdbo). De wbdbo moet worden bepaald op basis van NEN 6068 Deze norm onderscheidt branddoorslag en brandoverslag.

1.1.1 Branddoorslag

Branddoorslag is branduitbreiding van een ruimte naar een andere ruimte die niet via de buitenlucht plaatsvindt. De weerstand tegen branddoorslag volgt direct uit de brandwerendheid van de scheidingsconstructie tussen de ruimten. In het geval constructies 'in serie geschakeld' zijn, worden de afzonderlijke brandwerendheden opgeteld.
De brandwerendheid wordt in het algemeen bepaald aan de hand van standaardbrandproeven volgens NEN 6069 of volgens de daarin genoemde Europese beproevings- en klasseringsnormen. Soms is het ook mogelijk de brandwerendheid te berekenen, zie NEN 6071 (voor betonconstructies) en NEN 6073 (voor houtconstructies). Voor de brandwerendheid van ventilatiekanalen zijn NEN 6076 en NEN 6077 van toepassing.

Bij de standaardbrandproef volgens NEN 6069 wordt de te beoordelen constructie in een oven geplaatst. De oven wordt vervolgens verhit volgens een standaardbrandcurve. De brandwerendheid van de constructie is dan de tijd in minuten dat aan de vier relevante criteria wordt voldaan. Deze criteria worden als volgt met een letter aangeduid (voor de details wordt verwezen naar NEN 6069):

  • E (afdichting): er mogen geen openingen in de constructie ontstaan;
  • I (temperatuur): de niet-verhitte zijde van de constructie mag niet te warm worden;
  • W (warmtestraling): de warmtestraling aan de niet-verhitte zijde mag niet zo hoog worden dat brandbare materialen hier kunnen gaan branden;
  • R (bezwijken): de constructie moet intact blijven.

Deze vier criteria zijn niet voor alle constructies van belang. Voor beglazing is bijvoorbeeld doorgaans het temperatuurcriterium I niet van toepassing. Dit blijkt uit NEN 6068, art. 7.1 dat doorverwijst naar NEN 6069. Tabel 7 in NEN 6069 geeft vervolgens expliciet aan dat de criteria E en W van toepassing zijn; criterium I is dus niet van toepassing. Voor de (alternatieve) beproeving volgens bijlage A geeft art. A.6.4.3.4 aan dat het temperatuurcriterium niet van toepassing is.

1.1.2 Brandoverslag

Brandoverslag is branduitbreiding via de buitenlucht. Hierop moet worden gelet bij gevelopeningen - bijvoorbeeld daglichtopeningen, die niet of onvoldoende brandwerend zijn - in een brandcompartiment. Om die reden wordt een brandscheiding in een gebouw soms doorgezet als uitwendige scheidingsconstructie in de gevel of in het dak om brandoverslag te voorkomen. NEN 6068 geeft precies aan wat onder een gevelopening moet worden verstaan.
Het kan voorkomen dat in de nabijheid van een gevelopening een ruimte ligt die niet in brand mag geraken, zoals een ander brandcompartiment, een besloten brand- en rookvrije vluchtroute of een veiligheidstrappenhuis. In dat geval moet worden nagegaan of - ondanks de nabijgelegen gevelopening - is voldaan aan de vereiste weerstand tegen brandoverslag.
De weerstand tegen brandoverslag vanuit een brandcompartiment is te bepalen met een genormeerd berekeningsmodel volgens NEN 6068 dat niet alleen de brandwerendheid, maar ook de afstand tussen gevelopeningen in de buitenlucht in rekening brengt. In principe geldt: hoe groter deze afstand, hoe groter de weerstand tegen brandoverslag. Het model houdt ook rekening met de richting van de brandoverslag en met de eigenschappen van de brandruimte.
De weerstand tegen brandoverslag kan worden berekend met behulp van de stralingsflux van het genormeerde model. Deze berekening kan worden uitgevoerd met een computerprogramma zoals BRANDO 2.
Brandoverslag kan ook plaats vinden via delen van het dak die onvoldoende brandwerend zijn, bijvoorbeeld naar een opgaande gevel met ramen. Voor deze situatie geeft NEN 6068 een eenvoudige rekenregel: er moeten maatregelen zijn genomen indien voor de horizontale afstand a (m) tussen de dakopeningen en een opgaande gevel met gevelopeningen (zoals ramen) geldt:

Hierin is:
A oppervlakte van de dakopening;
P omtrek van de dakopening.

Voor bijvoorbeeld een dakopening van 1 m x 1 m is deze afstand a = 2 + 4/4 = 3 m.
Voor de afstand tussen dakopeningen van verschillende brandcompartimenten schrijft de norm geen minimale afstanden voor. In het algemeen wordt geadviseerd een tussenafstand te nemen van vijfachtste van de hiervoor omschreven afstand, zie ook SBR-publicatie Wbdbo in de praktijk en de SKD brandkaart:

Dakopeningen van bijvoorbeeld 1 m x 1 m van verschillende (sub)brandcompartimenten moeten dus minimaal en afstand a = 1,25 + 0,625 = 1,875 m uit elkaar liggen.
Voor de te nemen maatregelen wordt verwezen naar SBR-publicatie Werken met wbdbo in de praktijk.
Voor details in gevels en daken is het dus belangrijk vast te stellen dat de afstand waarover een dak of gevel brandwerend moet zijn, normatief moet worden berekend. Voor situaties waarbij geen normatieve berekening is te maken biedt deze publicatie voor zover mogelijk praktische handvatten.

1.1.3 Weerstand tegen rookdoorgang

Ook ter plaatse van rookscheidingen binnen een brandcompartiment (rookcompartimentering) worden eisen gesteld aan de brandwerend van de details. Deze eisen zijn echter minder streng dan voor brandwerende scheidingsconstructies. Voor constructies die 30 minuten rookwerend zijn (weerstand tegen rookdoorgang) geldt dat deze constructies ten minste 20 minuten brandwerend moeten zijn, met betrekking tot criterium E (vlamdichtheid).

1.2 Indeling in gebruiksfuncties

De volgende drie hoofdstukken behandelen brandwerende details voor drie soorten gebouwen, namelijk: woongebouwen (hoofdstuk 2), utiliteitsgebouwen (hoofdstuk 3) en industriehallen (hoofdstuk 4). De industriehallen onderscheiden van de andere twee soorten gebouwen: enerzijds doordat de draagconstructie meestal van staal is en anderzijds doordat de wbdbo-eisen hoog kunnen zijn (tot 240 minuten).
Uiteraard kunnen de besproken details in bepaalde situaties ook in andere gebouwen worden toegepast. Het uitgangspunt is namelijk de vereiste wbdbo, zodat een detail voor een industriehal bijvoorbeeld ook kan worden toegepast in een supermarkt die is uitgevoerd als een vrijstaande hal met een staalconstructie.

1.3 Gevolgde werkwijze

  • De details die de projectpartners aanleverden zijn alle besproken met de rapporteurs.
  • De details zijn beoordeeld en besproken, waarbij primair is gelet op de eisen op het gebied van brandveiligheid. Daarnaast is een quick-scan uitgevoerd voor de betreffende details op het gebied van bouwfysica en bouwakoestiek. Op deze manier is zo veel mogelijk voorkomen dat de details in de praktijk niet goed toepasbaar zijn.
  • In het kader van de totstandkoming van deze publicatie zijn geen aanvullende praktijkproeven uitgevoerd. De projectpartner die de details aanleverde zorgde voor overtuigende onderbouwingen van de beoogde prestaties. De commissie en de rapporteurs hebben deze informatie kritisch beoordeeld. Dat leidde in een aantal gevallen tot aanpassing van de aangeleverde details.
  • De bouwregelgeving (Bouwbesluit) vormde het uitgangspunt voor de beoordeling.
  • De details zijn niet zelfstandig beoordeeld op constructieve sterkte (bezwijken) bij brand. In hoofdstuk 4 wordt nadrukkelijk ingegaan op de samenhang met de constructieve sterkte. Uiteraard is de sterkte bij brand wel essentieel.

In het kader van gelijkwaardigheid is het altijd verstandig een gelijkwaardige oplossing ter goedkeuring voor te leggen aan de gemeente, omdat B&W in deze beslist.
De opgenomen details zijn niet alleen beoordeeld op brandveiligheid, maar ze zijn ook op hoofdlijnen gecontroleerd op bouwfysische en akoestische aspecten. Alternatieve details zullen voor alle aspecten ten minste even goed moeten zijn. Het is doorgaans verstandig dergelijke details aan een ter zake kundige adviseur voor te leggen.