0

publicatie: Daglichtsystemen + visueel comfort

Voorwoord

Voorwoord

De kwaliteit van het binnenklimaat en het daarmee samenhangende energiegebruik in gebouwen worden in hoge mate bepaald door het gevelontwerp. Het is dan ook niet meer dan voor de hand liggend dat in het bouwkundig georiënteerd technisch wetenschappelijk onderzoek, gericht op het ontwikkelen van zeer energiezuinige gebouwconcepten, het zoeken naar vernieuwende concepten voor de gevel een belangrijke plaats inneemt.
In eerste instantie was het onderzoek naar vernieuwende gevelconcepten gericht op reductie van het energiegebruik ten behoeve van verwarmen en koelen. Dit onderzoek heeft inmiddels geresulteerd in uitgewerkte ideeën over ‘de intelligente gevel’ en, gevoed door de wens tot architectonische vernieuwing, tot de realisatie van gebouwen met ‘dubbele huidfaçaden’.
Pas in tweede instantie is bij het zoeken naar mogelijkheden tot vermindering van het energiegebruik aandacht besteed aan de energie die wordt gebruikt ten behoeve van ‘kunstverlichting’. Een energiepost die met name bij kantoorgebouwen kan oplopen tot tientallen procenten van het totale gebruik.

Het onderzoek naar de mogelijkheden tot vermindering van de behoefte aan kunstverlichting heeft onder andere geleid tot de ontwikkeling van zogenaamde daglichtsystemen. Daglichtsystemen zijn voorzieningen in de gevel waarmee wordt beoogd daglicht dieper in het achterliggende vertrek te laten doordringen. Dit met de achterliggende gedachte dat hierdoor achter in het vertrek de verlichtingssterkte op werkvlakhoogte kan worden verhoogd en de behoefte aan aanvullende kunstverlichting kan worden verminderd. Voorbeelden van ontwikkelde daglichtsystemen zijn: ‘light shelves’, ‘anidolische spiegels’, prismatische platen, holografische films en ‘laser cut panels’. Binnen en buiten Nederland zijn gebouwen gerealiseerd waarin enkele van de hier genoemde daglichtsystemen in het gevelontwerp zijn geïntegreerd.
Inmiddels is duidelijk geworden dat de gebruiker van een vertrek daglichtsystemen vooral beoordeelt op de mate waarin visueel comfort in gunstige of ongunstige zin door deze systemen wordt beinvloed. De vraag in hoeverre deze systemen bijdragen tot een verminderd gebruik van kunstverlichting is voor de gebruiker van ondergeschikt belang. Zo zal de gebruiker bijvoorbeeld niet aarzelen kunstverlichting in te schakelen indien ondervonden hinder ten gevolge van verblinding hierdoor afneemt dan wel verdwijnt.
Dit leidt tot de conclusie dat visueel comfort een van de belangrijke aspecten is waarop toe te passen daglichtsystemen dienen te worden getoetst. Een conclusie die leidt tot vragen waarop de huidige beroepspraktijk het antwoord schuldig moet blijven. Welke eisen moeten aan visueel comfort worden gesteld? Op welke wijze kan worden getoetst of aan deze eisen wordt voldaan? Op welke wijze kunnen criteria op het gebied van visueel comfort worden meegenomen bij het voorspellen van het energiegebruik voor kunstverlichting?

In de nu voorliggende handleiding wordt uitvoerig op bovenstaande vragen ingegaan. Deze handleiding is een voor alle bij het ontwerpen van gebouwen betrokken ‘professionals’ (architect, bouwkundig ingenieur, verlichtingsadviseur, bouwfysicus) bedoelde samenvatting van het proefschrift, getiteld ‘Assessment of lighting quality in office rooms with daylighting systems’, dat in de eerste maand van dit millennium met succes aan de Technische Universiteit Delft is verdedigd door ir. Martine Velds.
Het uitbrengen van deze handleiding betekent niet dat het laatste woord over het beoordelen van visueel comfort, of over de invloed van dit kwaliteitsaspect op het energiegebruik ten behoeve van kunstverlichting, is gezegd. Evenmin bevat de handleiding een ‘eenvoudig recept’ waarmee visueel comfort in kantoorsituaties ‘van achter het bureau’ kan worden beoordeeld. Wel ben ik ervan overtuigd dat deze handleiding onmisbare informatie bevat voor elke professional die met dit kwaliteitsaspect wordt geconfronteerd, geïnteresseerd is in recent ontwikkelde methoden om dit aspect te beoordelen en eventueel overweegt specifieke daglichtsystemen door de TU Delft op visueel comfort te laten beoordelen.

ir. M. van der Voorden

Verantwoordelijk voor het vakgebied Bouwfysica binnen de Faculteit Bouwkunde van de Technische Universiteit Delft.

Dit onderzoek is mede mogelijk gemaakt door Novem.

Deze ISSO/SBR-publicatie is tot stand gekomen met behulp van een begeleidingscommissie bestaande uit:

ir. R.C. Dorgelo SBR projectmanager
ing. R. H. de Gans ISSO
ir. M.C.O. Kavelaars Novem
ir. G. Meerdink DGMR Raadgevend Ingenieursbureau BV
ing. W.J.E.M. Sliepenbeek Etap B.V.
dr. ir. M. Velds (rapporteur) Technische Universiteit Delft
ir. M. van der Voorden (rapporteur) Technische Universiteit Delft
ir. A. Zeegers Rijksgebouwendienst
drs. L. Zonneveldt TNO Centrum Bouwonderzoek