0

publicatie: Filters in de waterbouw

Voorwoord

Voorwoord

Op 3 oktober 1986 is door CUR de preadviescommissie PC 54, ,Toegepast filteronderzoek', ingesteld op initiatief van de Dienst Weg- en Waterbouwkunde van Rijkswaterstaat.
Het definitieve projectvoorstel is in februari 1987 ingediend. Na goedkeuring van het preadvies door het bestuur is op 16 maart 1987 de onderzoekscommissie C 54 met de gelijkluidende naam van de preadviescommissie ,Toegepast filteronderzoek' ingesteld. De taak van de commissie is geformuleerd als:
"Het kwantificeren van het effect van kritieke bezwijkmechanismen voor een aantal relevante filterconstructies onder praktische omstandigheden (belasting, bouwfase, eindfase met of zonder onderhoud) en het aangeven van ontwerp- en onderhoudsregels op grond van de gevonden resultaten."
Het onderzoek is verdeeld in twee fasen.
De eerste, de inventarisatiefase, omvatte een inventarisatie van kennis inzake filterconstructies, filterfuncties, schademechanismen en beschikbare modellen en verder een selectie van ontbrekende relevante kennis op basis van foutenboomanalyse en faalkansberekeningen.
Begin 1989 is de eerste fase afgerond. De interimrapportage, die deze fase afsluit, is in februari 1991 gepubliceerd in het CUR-rapport 91-1, ,Toegepast filteronderzoek. Inventarisatie van ontwerpregels voor filterconstructies in de waterbouw'.
In de eerste helft van 1989 zijn de eerste aanzetten gegeven voor de tweede fase. Hiertoe zijn prioriteiten toegekend aan de in de eerste fase geconstateerde lacunes in kennis. Vervolgens is met gericht onderzoek begonnen, bestaande uit twee delen:

  • een bureaustudie, waarbij enerzijds beschikbare gegevens over golfbelastingen op golfbrekers en taluds werden geordend, ten einde formuleringen te vinden voor lokale filterbelasting en anderzijds gegevens werden verzameld en geordend ten behoeve van het ontwikkelen van een filosofie over toelaatbare filtererosie;
  • fysisch onderzoek naar mogelijkheden om de thans gangbare filterregels (geometrisch- dicht) te verruimen voor enkele veel voorkomende bodemverdedigingsconstructies belast door stroming; het fysisch onderzoek heeft tot doel een theoretische relatie, geformuleerd op basis van bestaande formules en praktijkervaringen, nader te onderbouwen.

Ten tijde van het afronden van dit rapport was de samenstelling van de commissie als volgt:

if. J. H. VAN OORSCHOT, voorzitter
if. H. J. VERHEIJ, secretaris en rapporteur (sinds juli 1987)
if. K. J. BAKKER ir. M. B. DE GROOT
ir. J. L. M. KONTER ir. P. STRUIK (sinds juni 1988)
ir. J. D. TERPSTRA (sinds november 1988)
ir. W. H. TUTUARIMA
D. P. DE WILDE (sinds september 1989)
ir. G. J. H. VERGEER, coördinator
prof. dr. if. E. W. BIJKER, mentor (sinds april 1988)

Sinds 1990 is ir. J. L. M. KONTER corresponderend lid. Jhf. if. M. R. VAN DER DOES DE BYE, die de voorzittersfunctie in de preadviescommissie vervulde, is bij de instelling van de onderzoekscommissie daarin lid en plaatsvervangend voorzitter geworden en is dat gebleven totdat hij in juni 1988 uit de commissie trad. Tot juli 1987 was if. T. V.D. MEULEN lid en rapporteur, waarna if. H. J. VERHEIJ bereid gevonden was het rapporteurschap te bekleden en tevens secretaris werd. If. F. C. HAMER en ir. K. OOMS waren lid tot respectievelijk augustus 1987 en januari 1990. Toen ir. TJ. VISSER in april 1988 plaats nam in het bestuur van de CUR, droeg hij het mentorschap over aan prof. df. if. E. W. BUKER.

Het rapport is in nauwe samenwerking geschreven door if. H. J. VERHEIJ (Waterloopkundig Laboratorium) en if. M. B. DE GROOT (Grondmechanica Delft). Verder heeft if. J. VAN 'T HOFF een bijdrage geleverd aan het hoofdstuk over uitvoeringsaspecten betreffende de filters.
De dank van de CUR gaat uit naar de Dienst Weg- en Waterbouwkunde en het Afwikkelingsbureau Oosterscheldewerken van de Directie Zeeland, beide van de Rijkswaterstaat, het Ministerie van Economische Zaken en de Stichting Grind, die door hun financiële bijdragen het onderzoek en de rapportage mede hebben mogelijk gemaakt.

juni 1993
Het bestuur van de CUR