0

publicatie: Gezonde, duurzame kantoorgebouwen

1 Inleiding

1 Inleiding

1.1 Gezond en duurzaam

Jarenlang is geïnvesteerd in het 'eco-efficiënter' maken van onze utiliteitsgebouwen. De introductie van de Energieprestatiecoëfficiënt (EPC) had een gunstige invloed op de energieprestatie van nieuwe utiliteitsgebouwen. Nieuwe energiezuinige technieken deden hun intrede. Ook het materiaalgebruik in de bouw en de milieueffecten die hiermee samenhangen, mochten de afgelopen jaren op een warme belangstelling rekenen. Sommige materialen werden min of meer 'in de ban' gedaan, het gebruik van andere - juist milieuvriendelijke - materialen werd gestimuleerd. Bijvoorbeeld met behulp van instrumenten als het Nationaal Pakket Utiliteitsbouw.

Maar hoe gezond zijn de duurzame gebouwen die goed scoren op de onderdelen energie en materiaal? En wat vindt de gebouwgebruiker er zelf van? Zijn dubo-voorbeeldprojecten nu juist ongezond en oncomfortabel en geven nieuwe energiezuinige technieken aanleiding tot gebouwgerelateerde gezondheidsklachten? Of scoren gebouwen die energie- en materiaalefficiënt zijn, juist ook goed op de aspecten comfort en gezondheid?

1.2 Meten (vragen) is weten

In het kader van het project 'Innovatieve en duurzame gebouw- en installatieconcepten' van SBR en ISSO (SBR/ISSO, 2003) zijn er schriftelijke enquêtes gehouden onder de gebruikers van een viertal innovatieve, duurzame kantoorgebouwen die relatief recent zijn opgeleverd. De gebouwgebruikers kregen algemene vragen voorgelegd als 'Wat is uw oordeel over de kwaliteit van het binnenmilieu?' en 'Ervaart u het gebouw waarin u werkt als een gezond gebouw?' Ook stelden we meer specifieke vragen, waarvan de belangrijkste te maken hadden met het vóórkomen van gebouwgerelateerde gezondheidsklachten ('sick-buildingklachten'). Denk hierbij aan vragen als 'Heeft u vaak last van vermoeide of branderige ogen, oogirritaties of droge ogen?' en 'Heeft u vaak last van een verstopte neus of juist een loopneus?' Ook werd men gevraagd naar meer specifieke klachten over het thermisch binnenklimaat, bijvoorbeeld 'Heeft u het 's zomers vaak te warm?' of 'Heeft u vaak last van tocht?'. En over de luchtkwaliteit: 'Vindt u de lucht vaak te droog?', 'Heeft u vaak last van een muffe/bedompte lucht?' Eenzelfde soort vragen werden gesteld ten aanzien van geluid en akoestiek: 'Heeft u vaak last van geluid van het ventilatiesysteem?' en ten aanzien van licht en uitzicht: 'Heeft u vaak last van spiegelingen van daglicht of zonlicht in uw beeldscherm?' De uitkomsten zijn vergeleken met de klachtenpercentages die naar voren kwamen uit het in 1990 in 61 kantoorgebouwen uitgevoerde veldonderzoek van de Landbouwuniversiteit Wageningen. Met behulp van de rapportcijfermethode (zie het aparte kader) kon de binnenmilieuprestatie van de vier dubo-voorbeeldprojecten geobjectiveerd worden.
Voor de afzonderlijke binnenmilieuaspecten (bv. 's zomers vaak te warm, 's winters vaak last van droge lucht, vaak last van verblindend daglicht of zonlicht) zijn met deze methode (per gebouw) de aspectscores bepaald, uitgedrukt in een rapportcijfer van 1 tot en met 10. Een cijfer boven de 6 betekent dat er minder klachten zijn dan in het gemiddelde Nederlandse kantoor (= betere binnenmilieuprestatie, grotere tevredenheid van gebouwgebruikers), terwijl een cijfer lager dan 6 betekent dat er juist meer klachten zijn dan in het gemiddelde Nederlandse kantoor.
Met de afzonderlijke aspectscores is vervolgens voor de vijf binnenmilieucategorieën afzonderlijk de categoriescore bepaald. De vijf binnenmilieucategorieën zijn: aspecifieke gebouwgerelateerde klachten, thermisch binnenklimaat, luchtkwaliteit, licht & uitzicht en geluid. De thermisch-binnenklimaatscore bijvoorbeeld is het gemiddelde van de scores op de aspecten ''s zomers te warm', ''s zomers te koud', ''s winters te warm', ''s winters te koud', 'tocht', 'wisselende temperaturen'. Et cetera.

Ten slotte kan voor ieder gebouw de totaalscore bepaald worden: de Binnenmilieuprestatie-index (BPI). De BPI is het gemiddelde van de vijf categoriescores (Boerstra, 2003).

Interpretatie van enquête-uitkomsten en de rapportcijfermethode

Wanneer men de uitkomsten van binnenklimaatenquêtes wil interpreteren, dan kan men de resultaten (klachtenpercentages) gewoon als rechte tellingen (percentages) presenteren. Het probleem is dan echter dat een referentie ontbreekt, en dat onduidelijk is of de klachtenpercentages nou juist hoog of laag zijn. Men zou dit kunnen oplossen door een drempelwaarde te definiëren (bv. maximaal 15% klachten), die als referentie voor alle binnenmilieudeelaspecten gebruikt wordt. Het gevaar hiervan is echter dat er een onjuist beeld van de werkelijke binnenmilieuprestatie ontstaat. Vinden we bijvoorbeeld 15% klachten over kou in de zomer, dan is dat iets heel anders (en erger) dan 15% klachten over warmte in de zomer. Klachten over een te lage temperatuur in de zomer komen namelijk relatief weinig voor (8% in het gemiddelde Nederlandse kantoor), terwijl klachten over een te hoge temperatuur in de zomer juist relatief vaak voorkomen (34% in het gemiddelde Nederlandse kantoor).
De meest geschikte (en meest toegankelijke) methode voor de interpretatie van enquête-uitkomsten is de methode die bekendstaat als de 'rapportcijfermethode' (Boerstra, 2003). Hierbij worden de uitkomsten van een onderzoek van de Landbouwuniversiteit Wageningen (LUW) uit 1990 als referentie genomen.
Dit betrof een veldonderzoek naar het vóórkomen van gebouwgerelateerde (gezondheids)klachten onder 7043 kantoormedewerkers in 61 Nederlandse kantoorgebouwen (Zweers et al, 1992). Dit is het enige grootschalige onderzoek naar binnenmilieu-klachten in Nederland waarbij de kantoorgebouwen min of meer 'aselect' gekozen zijn. Vandaar dat de gemiddelde klachtenpercentages - zoals gevonden bij het LUW onderzoek - door specialisten als de gemiddelde Nederlandse klachtenpercentages (voor kantoorgebouwen) gehanteerd worden.

Bij de rapportcijfermethode is de binnenmilieuprestatie van het gemiddelde Nederlandse kantoor, c.q. zijn de klachtenpercentages zoals bij het LUW-onderzoek gevonden, op een '6' gesteld (rapportcijfer 6). Bekijken we nu het klachtenpercentage van een specifiek gebouw ('gebouw A'; % kl A) op een deelaspect (bv. 'vaak te warm in de zomer'), dan kan de score van dat gebouw, op dat specifieke deelaspect, in relatie tot het gemiddelde Nederlandse kantoor (% kl gemNL), als volgt bepaald worden:

  • indien men in gebouw A exact hetzelfde aantal klachten heeft als in het gemiddelde Nederlandse kantoorgebouw, dan 'scoort' dit gebouw een 6,0 op het aspect 'te warm in de zomer';
  • indien het klachtenpercentage in gebouw A een factor 2 hoger is dan in het gemiddelde Nederlandse kantoor, dan bedraagt de score 4,0 (6,0-2,0); ligt het klachtenpercentage in gebouw A een factor 4 hoger, dan wordt de score 2,0 (6,0-4,0);
  • indien het klachtenpercentage in gebouw A een factor 2 lager is dan in het gemiddelde Nederlandse kantoor, dan bedraagt de score 8,0; ligt het klachtenpercentage in gebouw A een factor 4 lager, dan wordt de score 10,0.

In formulevorm ziet het er zo uit:
y = 6 - 2 * (²log (%kl / %kl gemNL)). Waarbij geldt: als y > 10, dan wordt de score op een 10 'afgerond' en als y < 1 dan wordt dit 'afgerond' naar een 1.

Een voorbeeld. Uit het LUW-onderzoek bleek dat in een gemiddeld Nederlands kantoorgebouw 34% van de medewerkers het 's zomers vaak te warm heeft. Stel dat een enquête aantoont dat in gebouw A 11% van de medewerkers het 's zomers vaak te warm heeft; dat betekent dat gebouw A een 9,3 (6-2 * (²log (11% / 34 %))) 'scoort' op het aspect ''s zomers te warm'. Relatief erg goed dus!

1.3 De vier gebouwen

Het onderzoek is uitgevoerd in de volgende vier kantoorgebouwen:

  1. Kantoor Rijkswaterstaat, Terneuzen
  2. XX Office, Delft
  3. Waterschapshuis Vallei & Eem, Leusden
  4. De Thermo-Staete, Bodegraven

Het zijn middelgrote kantoorgebouwen met een bruto vloeroppervlak tussen de 1500 en 5000 m².

Er is specifiek voor deze vier gebouwen gekozen, omdat:

  • ze ontworpen zijn met speciale aandacht voor het comfort en de gezondheid van de gebouwgebruikers;
  • er in alle vier de gebouwen innovatieve materialen en technieken zijn toegepast;
  • bekend is dat ze goed tot zeer goed scoren waar het het gebouwgebonden water-, materiaal- en energiegebruik betreft.

Merk op dat zowel voor het XX Office als voor De Thermo-Staete geldt dat het gebouw (deels) gebruikt wordt door een organisatie die zelf ook als architect of adviseur bij het ontwerp van het desbetreffende gebouw betrokken was. Dit gegeven kan een enigszins verstorende werking hebben gehad op de enquête-uitslagen, zowel in positieve als in negatieve zin.
Enerzijds kunnen individuele medewerkers die aan de enquête meededen juist meer klachten hebben geuit dan normaal (dan wanneer hun organisatie niet bij het ontwerp betrokken was geweest). Bijvoorbeeld omdat de verwachtingen hooggespannen waren door alle extra moeite die in het ontwerp is gestopt en doordat men de compromissen die tijdens het ontwerptraject zijn gesloten kent. Anderzijds kunnen de vragenlijsten ook 'te positief' zijn ingevuld aangezien men de werkgever in kwestie (het management) 'niet voor het hoofd wil stoten'.
De auteurs schatten in dat beide effecten elkaar redelijk in evenwicht houden en dat de enquête-uitkomsten voor het XX Office en De Thermo-Staete dus gewoon met die van de andere 2 gebouwen vergeleken kunnen worden.

In de volgende hoofdstukken (hoofdstuk 2 tot en met 5) is steeds van elk gebouw afzonderlijk eerst een beschrijving gegeven, waarna de binnenmilieuprestatie in het bewuste pand is gepresenteerd. De hoofdstukken worden steeds besloten met de meer kwantitatieve projectgegevens.
In hoofdstuk 6 ten slotte worden de binnenmilieuprestaties van de vier kantoorgebouwen vergeleken en worden de bevindingen 'vertaald' naar leerpunten voor toekomstige projecten.