0

publicatie: Groen in gebouwen

1 Inleiding

1 Inleiding

Deze publicatie gaat vooral over planten in kantoorgebouwen, maar is ook van toepassing op gebouwen als scholen, ziekenhuizen, verzorgings- en verpleeghuizen en winkelcentra. Ook beplanting in de omgeving van een gebouw kan (indirect) van invloed zijn op de kwaliteit van het binnenmilieu en op de beleving van het gebouw door uitzicht op dit groen. Daarom wordt ook kort aandacht gegeven aan de invloed van groen buiten. Voor uitgebreide informatie over toepassing van groen op en aan gebouwen wordt verwezen naar andere (SBR-)publicaties.

1.1 Doel van de publicatie

Het doel van deze publicatie is het aanleveren van basiskennis voor architecten en andere ontwerpers/adviseurs om te kunnen komen tot een integrale aanpak voor ontwerpen met planten in gebouwen. Hiervoor is actuele informatie verzameld en toegankelijk gemaakt voor deze doelgroep.

1.2 Stap voor stap

Tienduizenden jaren heeft de mens geleerd om te overleven in een natuurlijke omgeving waar groen een belangrijk onderdeel van vormde. Dit was ook de tijd dat de menselijke hersenen zich ontwikkelden. Deze ervaring zit dan ook geworteld in onze psyche en bepaalt, volgens de zogenaamde savannehypothese, onze verwerking van visuele indrukken, akoestische waarnemingen, geuren, temperatuur- en tastbeleving. Deze zaken zijn onlosmakelijk verbonden met ons welbevinden.

In hoofdstuk 2 wordt ingegaan op deze relatie mens en plant. Het begint met de geschiedenis van de relatie tussen planten, mensen en gebouwen (ruimten). Vervolgens wordt ingegaan op de invloed die binnenbeplanting heeft op de kwaliteit van het binnenmilieu, op de gezondheid en het welzijn van mensen, op de productiviteit van mensen en op de beleving van ruimten.

In de natuur 'kiest' de plant in het algemeen de optimale plek wat betreft lichtsterkte, temperatuur, luchtvochtigheid, grondsoort, waterbehoefte en de planten die om hem heen staan. Onder deze optimale condities heeft de plant de meeste kans om te overleven en zich voort te planten. Om in een gebouw te bewerkstelligen dat een plant vitaal is, goed groeit en lang leeft zullen we, op kunstmatige wijze, deze optimale condities zo dicht mogelijk moeten benaderen.
Wat zijn deze optimale condities of groeifactoren voor de plant en hoe is hier technisch gezien aan tegemoet te komen, oftewel welke systemen voor bewatering en voeding, substraatsoorten, potten, containers en constructieve bakken kunnen er worden gekozen? Dit wordt behandeld in hoofdstuk 3.

Het binnenklimaat in gebouwen wordt vooral bepaald door het ontwerp van gebouw en de installaties. Op welke manier kunnen in het gebouwontwerp optimale condities worden gerealiseerd voor zowel mens als plant? Waarmee moet bij de planning en het ontwerp van een gebouw, het interieur, de constructie en de installatie rekening worden gehouden om 'groen in gebouwen' mogelijk te maken? En wat is nodig om het beoogde doel te realiseren dat men met de vegetatie wil bereiken, zoals een positieve invloed op het binnenklimaat en verhoging van de arbeidsproductiviteit? Beplanting is dus een integraal onderdeel van de ontwerpopgave en het ontwerpproces. Dit wordt in hoofdstuk 4 uiteengezet.

Aangezien de mogelijkheden voor daglichttoetreding, temperatuur en ruimte voor de plant begrensd worden door de kenmerken van de locatie (belemmeringen), de functie van het gebouw en de architectonische wensen, moet vervolgens de keuze voor de plantsoort zorgvuldig worden afgestemd op de specifieke condities van de plek waar planten geplaatst zullen worden. Een zonovergoten serre vraagt om een heel andere begroeiing dan een gang waar beperkt daglicht binnenvalt.
In hoofdstuk 5 worden enkele voorbeelden gegeven van planten en plantcombinaties die in een gebouw geplaatst kunnen worden naar soort, vereiste groeifactoren (met name daglicht, temperatuur en luchtvochtigheid), groeivorm en afmeting. Tevens wordt kort ingegaan op de ruimtelijke consequenties en mogelijkheden van potplanten.

Niet onbelangrijk zijn natuurlijk de kosten. Het zesde hoofdstuk gaat in op (directe en indirecte) investeringskosten en de kosten voor onderhoud en vervanging. Tevens worden enkele voorbeelden gegeven van onderhoudscontracten waarvoor gekozen kan worden en de aandachtspunten die hierbij van belang zijn.
Tegenover de kosten staan ook indirecte opbrengsten: toepassing van planten kan leiden tot een hogere productiviteit en een lager ziekteverzuim.

In het laatste hoofdstuk worden voorbeelden gegeven van gerealiseerde groenontwerpen in de praktijk, zowel voor nieuwe als gerenoveerde gebouwen. Zo mogelijk wordt aangegeven hoe hierbij is omgegaan met de verschillende ontwerp- en beplantingskeuzes zoals die in de voorgaande hoofdstukken zijn behandeld.

Tenslotte is een matrix toegevoegd met in deze publicatie genoemde planten en hun eigenschappen en condities, een checklist als hulpmidel voor integraal ontwerpen met groen en een literatuurlijst.