0

publicatie: Brandveiligheid in hoge gebouwen

1 Inleiding

1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Door de SBR is in 2005 de praktijkrichtlijn Brandveiligheid in hoge gebouwen uitgegeven. De richtlijn is destijds opgesteld naar aanleiding van de exponentiële groei van het aantal hoogbouwprojecten in steeds meer steden in Nederland, het ontstaan van verschillende gemeentelijke hoogbouwrichtlijnen en veel discussie tussen plantoetsers bij gemeenten en ontwerpers, planontwikkelaars en adviseurs over de toetsingscriteria. Met het opstellen van de richtlijn werd beoogd de kennisachterstand bij ontwikkelende en toetsende partijen weg te nemen, risico’s en kosten te beperken en een sneller planvormingsproces mogelijk te maken.

Nadat zowel ontwikkelende als toetsende partijen een aantal jaren ervaring op hebben kunnen doen met het werken met de richtlijn, heeft SBR besloten om de richtlijn van 2005 te evalueren en te herzien. Doordat de richtlijn van 2005 gebaseerd is op een extrapolatie van de publiekrechtelijke veiligheidseisen op basis van consensus tussen de stakeholders van destijds, is deze onderhevig aan discussie en commentaar. Als startpunt voor de herziening van de richtlijn is het commentaar op de richtlijn van 2005 geïnventariseerd.

In veel gemeenten is de praktijkrichtlijn als beleidsdocument aangenomen. Daarbij houdt de gemeente veelal strikt vast aan de complete set van voorzieningen zoals deze in de praktijkrichtlijn wordt omschreven. Er wordt gefocust op afzonderlijke prestatie-eisen, waardoor de mogelijkheden tot een integrale aanpak van de brandveiligheid in hoogbouwprojecten worden beperkt. In de richtlijn van 2005 wordt met de faalrisico’s van voorzieningen rekening gehouden door de veiligheidsmaatregelen simpelweg te sommeren. In vergelijking met de publiekrechtelijke regelgeving ervaren de marktpartijen dit als dubbele veiligheid, zonder dat de noodzaak daartoe duidelijk is.

In de richtlijn van 2005 wordt met de faalrisico’s van voorzieningen rekening gehouden door de veiligheidsmaatregelen simpelweg te sommeren. In vergelijking met de publiekrechtelijke regelgeving ervaren de marktpartijen dit als dubbele veiligheid, zonder dat de noodzaak daartoe duidelijk is.

De voorliggende handreiking Brandveiligheid in hoge gebouwen is – anders dan de richtlijn van 2005 – niet gebaseerd op effectbeheersing, maar op risicobeheersing. Daarbij is teruggegrepen op de doelen die met een brandveilig gebouw gerealiseerd moeten worden. Dat maakt naast een waardering van bouwkundige voorzieningen ook een waardering van installatietechnische en organisatorische voorzieningen mogelijk. Die waardering heeft plaatsgevonden door middel van een kwalitatieve risico-afweging in een relatieve beschouwing (de hoogbouwsituatie ten opzichte van een referentiesituatie volgens de nieuwbouweisen van Bouwbesluit 2012). Concrete organisatorische maatregelen (voor BHV en brandweerorganisatie) zijn in deze handreiking niet gegeven; deze zijn teveel projectspecifiek, maar wel noodzakelijk voor een brandveilig gebouw. De voor de hulporganisaties noodzakelijke voorzieningen zijn uiteraard wel opgenomen. De handreiking geeft daardoor een goed en afgewogen veiligheidsniveau voor hoogbouwprojecten, waarin zowel toetsende instanties als bouwende partijen zich kunnen vinden.

De laatste jaren zijn (op Europees niveau) een aantal nieuwe normen en rekenmethodieken ontwikkeld waar in de handreiking op wordt aangesloten. Dat geldt specifiek voor automatische blusinstallaties, overdrukinstallaties in trappenhuizen en brandweerliften, maar ook voor de brandwerendheid en rookwerendheid van bouwconstructies. Daarnaast heeft de invoering van Bouwbesluit 2012 tot aanpassingen in normen en rekenmethoden geleid. Zo wordt voor het rekenen aan ontruimingstijden nu aangesloten bij de Regeling Bouwbesluit en de bijbehorende rekenhulp die beschikbaar is via de website van de rijksoverheid, waarin ook voor meer complexe situaties met bijvoorbeeld gefaseerde ontruiming handvatten worden geboden. Op deze punten is de handreiking dus geüpdatet ten opzichte van de richtlijn uit 2005.

In Nederland is een Nationaal Convenant Hoogbouw vastgesteld. Op basis van dit convenant zijn een stuurgroep Hoogbouw en een Technische Werkgroep Hoogbouw opgericht die ten doel hebben oplossingen voor knelpunten bij hoogbouwprojecten vast te leggen in Nederlandse Technische Afspraken (NTA’s). In NTA 4614 zullen verschillende aspecten van hoogbouw worden belicht. Deel 3 van deze NTA geeft een nadere uitwerking voor constructieve veiligheid onder brandcondities volgens NEN-EN 1991-1-7, toegespitst op hoogbouw. In de andere delen van deze NTA, die nog in ontwikkeling zijn of nadere uitwerking behoeven, wordt ingegaan op brand en evacuatie (deel 2), liftinstallaties in hoogbouwprojecten (deel 4), gevels en gevelonderhoud (deel 5) en gebouwgebonden installaties (deel 6). Deze NTA’s kunnen voor die betreffende onderdelen worden gehanteerd als bepalingsmethoden bij deze handreiking. De handreiking en de NTA’s zijn daarmee complementair aan elkaar.

1.2 Opbouw van de handreiking

Hoofdstuk 2 geeft de doelen van het publiekrechtelijk toetskader van de Nederlandse bouwregelgeving weer ten aanzien van brandveiligheid. Voor gebouwen met grote brandcompartimenten en ondergrondse en hoge gebouwen (hoger dan 70 meter) zijn geen specifieke prestatie-eisen opgenomen in Bouwbesluit 2012. Om voor gebouwen hoger dan 70 meter eenzelfde mate van brandveiligheid te bereiken als voor gebouwen lager dan 70 meter, zal een hogere betrouwbaarheid moeten worden gerealiseerd voor de instandhouding van draagconstructies, vluchtroutes, aanvalsroutes, brandscheidingen en het functiebehoud van brandveiligheidsinstallaties. Eventueel kan die betrouwbaarheid worden verhoogd met installatietechnische voorzieningen.

Deze handreiking richt zich op kantoorfuncties, woonfuncties en logiesfuncties; dit zijn de meest toegepaste functies in hoogbouwprojecten. De handreiking is toepasbaar voor gebouwen tot een hoogte van 200 meter. Voor hogere gebouwen zijn maatwerkoplossingen noodzakelijk. Natuurlijk kunnen voor gebouwen tot 200 meter ook maatwerkoplossingen gerealiseerd worden door gebruik te maken van projectspecifieke kenmerken.

De eisen die worden gesteld aan de instandhouding van bouwconstructies, vlucht- en aanvalsroutes en brandscheidingen en aan het functiebehoud van brandveiligheidsinstallaties, worden zwaarder met de gebouwhoogte omdat ook de consequenties van een brand toenemen met de gebouwhoogte. Een kleinere faalkans (een hogere betrouwbaarheid) is dus noodzakelijk. Daarnaast wordt de belasting door personen op vluchtroutes ook groter naarmate de gebouwhoogte toeneemt, waardoor specifieke ontruimingsconcepten nodig kunnen zijn om de vluchtveiligheid te kunnen garanderen. Deze worden nader toegelicht in hoofdstuk 3.

Zoals er in hoogbouw specifieke ontruimingsconcepten nodig zijn voor de gebouwgebruikers, zijn er ook specifieke aanvalsconcepten noodzakelijk voor de hulpverleners (aanvalsstrategieën voor de brandweer). Deze concepten zijn kort toegelicht in hoofdstuk 4.

In hoofdstuk 5 wordt voor de verschillende brandveiligheidsaspecten aangegeven welke extra eisen gesteld dienen te worden voor gebouwen met een hoogte tussen 70 en 200 meter, waarbij de grenswaarden zijn bepaald op basis van extrapolatie van risico’s ten opzichte van een referentiesituatie. De benodigde voorzieningen worden opgelegd op basis van het ontruimingsconcept.

Het laatste hoofdstuk gaat kort in op de waardering van projectspecifieke kenmerken in een risicobenadering. Dit hoofdstuk geeft handvatten om gemotiveerd af te kunnen wijken van de in deze handreiking aangegeven richtlijnen, zodat maatwerkoplossingen voor de brandveiligheid van een hoog gebouw mogelijk zijn. In bijlage A is een overzicht van richtlijnen opgenomen. In bijlage B wordt een toelichting gegeven op de wijze waarop de prestatie-eisen in deze handreiking tot stand zijn gekomen. In bijlage C is de risicobenadering vanuit de brandweer toegelicht en in bijlage D is de brandweerdoctrine hoogbouw met het bijbehorende kwadrantenmodel opgenomen. Bijlage E geeft enkele voorbeeldplattegronden met het bijbehorende bouwkundige voorzieningenniveau.

1.3 Verantwoording

In deze publicatie zijn richtlijnen uitgewerkt waarmee voor hoogbouwprojecten een acceptabel niveau van brandveiligheid kan worden bereikt. De formele regelgeving geeft hiervoor geen concrete eisen, maar verlangt wel dat een gelijkwaardig niveau van brandveiligheid wordt bereikt als bij de prestatie-eisen die gelden voor gebouwen tot 70 meter. De handreiking sluit aan bij de Nederlandse publiekrechtelijke regelgeving en is van toepassing voor woonfuncties, kantoorfuncties en logiesfuncties in hoogbouwprojecten tot een hoogte van circa 200 meter.

Doelgroepen
De handreiking is bedoeld om zowel ontwikkelaars van bouwplannen als toetsers een uniform kader bij het ontwikkelen en beoordelen van hoogbouwprojecten te verschaffen. De uiteindelijke afweging of de voorzieningen die zijn getroffen de door de wetgever beoogde brandveiligheid bieden, wordt door het bevoegd gezag gemaakt (burgemeester en wethouders). De gedachte is dat deze handreiking daarbij richtinggevend is. Dit sluit overigens niet uit dat er redenen kunnen zijn om van de handreiking of van onderdelen hierin af te wijken. Daarbij moet worden bedacht dat deze handreiking hoogbouw niet de status heeft van formele regelgeving en dat die hieraan ook niet mag worden toegekend.

Achtergronddocumenten
De aanzet tot deze handreiking is gegeven door de kritiek op de richtlijn uit 2005. Deze kritiek is uitvoerig geïnventariseerd. SBRCURnet heeft voor het uitwerken tot een handreiking een organisatievorm gekozen die zo veel mogelijk rekening houdt met ervaringen uit de bouwpraktijk. Daarom heeft veelvuldig overleg plaats gevonden over de handreiking binnen een begeleidingscommissie waarin deskundigen uit allerlei geledingen (rijksoverheid, gemeenten, brandweer, ontwerpers, adviseurs en bouwers) zitting hadden. Daaruit zijn de achtergronddocumenten ontstaan die tot deze handreiking geleid hebben:

  • Brandveiligheid in hoge gebouwen – kritiek huidige praktijkrichtlijn (Drost-Hofman en Van Herpen, 2010).
  • Brandveiligheid in hoge gebouwen – een nieuwe benadering (Van Herpen, 2013).
  • Hoogbouw in Nederland in relatie tot bevindingen uit onderzoek naar bezwijken van de WTC torens in New York – bijdrage DGMR (Van de Leur en Peters, 2009).

Normen
Waar in deze handreiking wordt verwezen naar NEN, EN en NEN-EN normen wordt daarmee bedoeld de versie zoals opgenomen in de Regelingen Bouwbesluit 2012 voor nieuw te bouwen bouwwerken. Voor normen die niet in de Regelingen Bouwbesluit 2012 worden aangestuurd geldt de meest recente versie.

Toepassingsgebied
Deze publicatie biedt een handvat om op uniforme en adequate wijze invulling te geven aan de brandveiligheid van hoge gebouwen in Nederland. Daarbij moeten de volgende begrenzingen in acht worden genomen:

  • Een maximale gebouwhoogte van 200 meter boven meetniveau.
  • Het gebouw bevat voornamelijk kantoorfuncties, woonfuncties of logiesfuncties.
  • Maximale brandcompartimentsgrootte van 1000 m2.
  • Een brandcompartiment omvat niet meer dan 1 bouwlaag.
  • Er zijn ten minste twee onafhankelijke vluchtroutes aanwezig.

Het is mogelijk om binnen de genoemde gebruiksfuncties ook andere gebruiksfuncties op te nemen (zoals bijeenkomstfunctie, onderwijsfunctie, sportfunctie, winkelfunctie in de plint of een overige gebruiksfunctie voor het stallen van motorvoertuigen in de onderste bouwlagen), mits de oppervlakte hiervan ondergeschikt is aan de primaire gebruiksfuncties. Gebouwen met een gezondheidszorgfunctie, celfunctie of industriefunctie vallen buiten het toepassingsgebied van de handreiking.

Projectspecifieke brandveiligheid voor hoogbouw
Het is mogelijk om voor gebouwen met een verblijfsgebiedvloer hoger dan 70 meter boven meetniveau ook projectspecifieke kenmerken te waarderen. Met dergelijk maatwerk voor brandveiligheid kan gemotiveerd worden afgeweken van de richtlijnen in deze handreiking. Dergelijk maatwerk is in elk geval noodzakelijk voor andere gebruiksfuncties dan de woon-, kantoor- of logiesfunctie. Tevens zal maatwerk voor brandveiligheid noodzakelijk zijn bij zeer hoge gebouwen, dat wil zeggen hoger dan 200 meter boven het meetniveau.

In dat maatwerk zullen ook de organisatorische voorzieningen nadrukkelijk moeten worden meegenomen.