0

publicatie: Hinder voor personen

1 Inleiding

1 Inleiding

In gebouwen kunnen door verschillende oorzaken trillingen ontstaan. Voorbeelden van trillingsbronnen zijn machines en installaties, passerend verkeer, explosies en bouwwerkzaamheden. Afhankelijk van de functie die ruimten in een gebouw vervullen, kunnen de daarin voorkomende trillingen voelbaar zijn en mogelijk hinder veroorzaken voor mensen. De mate waarin trillingen nog acceptabel zijn, zal aan deze functie zijn gerelateerd, maar kan ook afhangen van een aantal subjectieve aspecten.

In bepaalde gevallen zal er behoefte bestaan objectief vast te stellen of in gebouwen of ruimten sprake is van hinder door trillingen. Dit kan gebeuren door middel van een trillingsmeting. In 1993 heeft SBR voor dit doel Richtlijn 2 uitgebracht, waarin een meet- en beoordelingssystematiek is opgenomen van trillingen in relatie tot hinder. Omdat deze richtlijn een geheel nieuwe wijze van meten en beoordelen voorschreef, is de richtlijn in 2000 in opdracht van SBR geëvalueerd met behulp van een enquête onder de gebruikers [11]. De resultaten van deze enquête hebben geleid tot een nieuwe versie van de richtlijn waarin opmerkingen uit de enquête zijn verwerkt.

Deze vernieuwde richtlijn behandelt de wijze waarop trillingsmetingen in gebouwen kunnen worden uitgevoerd en de resultaten kunnen worden geïnterpreteerd om te beoordelen of hinder door trillingen is te verwachten. Tevens kan zij gebruikt worden voor het stellen van streefwaarden voor (nieuw) af te geven vergunningen. Bij het opstellen van deze richtlijn is gebruikgemaakt van bestaande buitenlandse normen (bijvoorbeeld DIN 4150, NS 8176) en bestaande jurisprudentie. De bepalingsmethode en gehanteerde begrippen komen grotendeels overeen met Richtlijn 2 uit 1993.

De beoordeling van trillingen met betrekking tot hinder is gecompliceerde materie. Onder bepaalde omstandigheden kunnen trillingen als hinderlijk worden aangemerkt zodra zij door de mens worden opgemerkt. In andere situaties zal pas sprake zijn van hinder als de trillingen een zodanige sterkte hebben dat zij bepaalde werkzaamheden verstoren of bemoeilijken.
Gewenning speelt een rol bij de acceptatie van een bepaalde trillingssterkte. De commissie heeft met betrekking tot dit aspect een verdere nuancering in de te beoordelen situatie aangebracht. Naast de uit de voorgaande richtlijn bekende bestaande en nieuwe situatie is voor weg- en railverkeer de gewijzigde situatie geïntroduceerd. In deze situatie wordt de beoordeling onder andere gebaseerd op de reeds voorkomende trillingssterkte. Deze trillingssterkte is ook van belang bij bijvoorbeeld het ontwerp van een nieuw gebouw. Met deze beoordelingswijze wordt een parallel getrokken met de wijze van beoordeling zoals bij geluid gebruikelijk is. Deze parallel gaat nog verder. In de richtlijn is (beperkt) onderscheid gemaakt in de situering van een gebouw in relatie tot de beoordeling.

Hiermee wordt ingehaakt op ontwikkelingen die op het gebied van geluid gaande zijn (MIG) en meer mogelijkheid tot maatwerk geboden.
In deze richtlijn zijn zoveel mogelijk algemeen geaccepteerde procedures en streefwaarden opgenomen. De inzichten hieromtrent zullen door voortgaand onderzoek en ervaringen waarschijnlijk nog worden genuanceerd.

Met nadruk wordt opgemerkt dat er bij al of niet voelbare trillingen ook hinder kan optreden door laagfrequent (contact)geluid en/of secundair geluid, bijvoorbeeld als gevolg van het rammelen van servies, ramen en dergelijke. Op de beoordeling hiervan wordt in deze richtlijn niet ingegaan. Voor een overzicht van de stand van kennis op het gebied van laagfrequent (contact)geluid wordt verwezen naar [8], [15] en [16].

Deze richtlijn is opgesteld door de studiecommissie RD 252 van SBR te Rotterdam. Zij heeft ook richtlijnen opgesteld voor het meten en beoordelen van trillingen in verband met mogelijke schade aan gebouwen, en verstoring van gevoelige apparatuur en processen. Hiervoor wordt verwezen naar de SBR-richtlijnen A en C respectievelijk [1] en [2].