0

publicatie: Houten afwerkvloeren

1 Programma van eisen

1 Programma van eisen

1.1 Ontwerpen en toetsen op basis van nauwkeurige eisen

Een vloerafwerking levert optimale prestaties als deze zoveel mogelijk beantwoordt aan een van tevoren vastgesteld programma van eisen. Daarover moeten alle betrokkenen al in een vroeg stadium duidelijke afspraken maken.

Een goed programma van eisen begint met een nauwkeurige omschrijving van wat er op de vloer gaat gebeuren en van de randvoorwaarden. Daaruit kunnen bepaalde eisen worden afgeleid: wat wordt precies van de vloer verwacht? Hoe beter deze eisen zijn omschreven, des te beter zijn de keuzen te maken voor de materialen en de vloeropbouw. In deze paragraaf zijn de belangrijkste eisen op een rij gezet. Voor een specifiek project moeten die nog nader worden uitgewerkt.

Eisen meetbaar maken
De opdrachtgever of gebruiker formuleert zijn eisen meestal in algemene bewoordingen. Ofwel: hij vertaalt het gebruik direct in 'functionele eisen' (zie voorbeeld).
Over functionele eisen kan achteraf gemakkelijk discussie ontstaan. Daarom moeten ze worden vertaald in 'prestatie-eisen' (zie voorbeeld). Die zijn per definitie toetsbaar. 'Toetsbaar' betekent dat er voor elke prestatie-eis een meetmethode met een bijbehorend toetsingscriterium beschikbaar moet zijn.

  • De meetmethode geeft aan hoe de betreffende eigenschap moet worden gemeten.
  • Het criterium geeft aan bij welke waarde de eigenschap voldoet en bij welke niet.
Voorbeeld: functionele eis

De opdrachtgever van een kantoorgebouw stelt als functionele eis dat de houten vloerafwerking geschikt moet zijn voor gebruik in de bedrijfskantine, waar met meubilair wordt geschoven en soms dranken worden gemorst.

Voorbeeld: prestatie-eis

De functionele eis 'bestand tegen schuiven met meubilair' kan als volgt worden vertaald in prestatie-eisen:

  • Meetmethode: de slijtweerstand van de afwerkingslaag wordt bepaald met de 'Taber-abraser'-proef. Hierbij wordt de afname van de massa van de afwerkingslaag bepaald na bijvoorbeeld 1000 omwentelingen van het proefpaneeltje onder een bepaalde belasting.
  • Criterium: de afname van de massa van de afwerkingslaag moet na 1000 omwentelingen bijvoorbeeld kleiner zijn dan 0,0140 gram.

Een enkele functionele eis kan leiden tot verschillende prestatie-eisen. Andersom kunnen prestatie-eisen aan dezelfde eigenschap voortkomen uit verschillende functionele eisen. Functionele eisen zijn dus niet een-op-een te vertalen naar prestatie-eisen (zie voorbeeld).

Voorbeeld: vertalen niet een-op-een

Een functionele eis aan 'comfort bij belopen' levert prestatie-eisen aan (onder meer) 'vlakheid'. Ook een functionele eis aan 'uiterlijk' levert prestatie-eisen aan (onder meer) 'vlakheid'. De prestatie-eis aan vlakheid komt dus voort uit verschillende functionele eisen; de zwaarste eis telt.

Enkele functionele eisen zijn goed te vertalen in prestatie-eisen, veel andere nog niet:

  • Als er geen meetmethode of criterium beschikbaar is.
  • Als het werkelijke gedrag van de vloer niet goed door de meetmethode wordt benaderd.
Voorbeeld: vertaling soms lastig
  • Het Bouwbesluit (Nederland) stelt de functionele eis dat in een ruimte hoogstens 120 mg formaldehyde per m³ lucht aanwezig mag zijn; wordt het gehalte formaldehyde uit natuurlijke bronnen hierop in mindering gebracht, dan mogen toegevoegde bouwmaterialen hoogstens 50 mg/m³ in de ruimte brengen. Maar de emissie uit bouwmaterialen wordt gemeten in mg/m² of mg/kg van het bouwmateriaal, onder geconditioneerde omstandigheden. Het is dus een moeilijke opgave de functionele eis (aan de ruimte) te vertalen in prestatie-eisen (aan het materiaal).
  • Er bestaan wel meetmethoden, maar geen criteria om esthetische aspecten zoals effenheid en afwerkgraad te toetsen.

Wikken en wegen
De ene eis zal zwaarder wegen dan de andere. Het komt voor dat eisen niet verenigbaar zijn. Dan moeten prioriteiten worden gesteld. Soms zijn oplossingen niet alleen te vinden in de vloer, maar ook in aanpassing van het gebruik of de randvoorwaarden.

Voorbeeld: aanpassing van gebruik
  • Een vloerafwerking uit bepaalde houtsoorten is niet bestand tegen de draaiende bewegingen van de wielen van een bureaustoel: er ontstaan ongewenste indrukkingen. Met een speciale vloermat of met speciale zachte wielen zijn beschadigingen van de vloer grotendeels te voorkomen.

Bestaat er vooraf een sterke voorkeur voor een bepaalde oplossing (bijvoorbeeld een bepaalde houtsoort vanwege de esthetische uitstraling), dan moet toch een volledige toetsing aan het programma van eisen volgen. Zo is na te gaan op welke punten de voorkeursoplossing mogelijk niet voldoet. Worden sommige eisen vervolgens versoepeld, dan is het belangrijk dat de betrokken partijen dit in hun afspraken opnemen, met redenen omkleed.

Voorbeeld: aanpassing van randvoorwaarden
  • Doordat de luchtvochtigheid in ons klimaat wisselt, krimpen en zwellen (werken) houten vloerdelen. Hierdoor ontstaan naden. Dat is te beperken door een stabiele houtsoort te kiezen; die reageert minder sterk op wisselingen in de luchtvochtigheid. Maar ook de wisselingen in de luchtvochtigheid zelf zijn te beperken. In utiliteitsgebouwen kan dat met een klimaatinstallatie. In woningen kan een luchtbevochtiger het probleem 's winters verminderen.

Afspraken maken
Een programma van eisen is niet alleen nodig om het ontwerp te sturen, maar kan ook onderdeel van de overeenkomst vormen. Bij oplevering en tijdens gebruik dient het programma van eisen om te beoordelen of de houten vloerafwerking voldoet.

Leg alle afspraken vast in contractuele documenten. Van alle publicaties, normen e.d. waarnaar wordt verwezen moeten relevante gegevens (titel, jaar van uitgave en andere relevante referenties) in de overeenkomst worden opgenomen. Ook latere veranderingen in het programma van eisen moeten goed worden vastgelegd.

Sommige prestatie-eisen worden (Nederland: door het Bouwbesluit) wettelijk opgelegd; daarbij worden de meetmethode en het criterium voorgeschreven.

In andere gevallen staat het de opdrachtgever en aanbieder vrij onderling afspraken te maken. Die afspraken moeten bij voorkeur worden gebaseerd op algemeen aanvaarde meetmethoden en criteria. Veel daarvan zijn vastgelegd in normen e.d.

Partijen kunnen zo nodig zelf criteria (en meetmethoden) formuleren en overeenkomen, bijvoorbeeld omdat er geen geschikte bepalingen zijn of om bestaande bepalingen aan te vullen. Het is van groot belang dat deze maar op één manier kunnen worden uitgelegd. Dat is minder eenvoudig dan het op voorhand lijkt.

Meer informatie over functionele eisen en prestatie-eisen:

1.2 Functionele eisen, meetmethoden en criteria

Per eis is aangegeven welke normen, richtlijnen e.d. beschikbaar zijn om de eis te vertalen in een prestatie-eis (meetmethode en criterium). De volgorde van onderstaande eisen is alfabetisch. Sommige prestatie-eisen worden uitgewerkt in par. 1.3.

Een overzicht van normen: zie bijlage 1. De betekenis van afkortingen: zie kadertekst op bladzijde 18.

Bedrijfs- en gebruikszekerheid
Het gaat om voldoende zekerheid dat de vloer gedurende een vastgestelde, lange periode voldoet aan de vooraf gestelde eisen. Doel is hinder van het bedrijfsproces of van het gebruik tijdens vervanging of reparatie van de vloer te vermijden of te beperken. Soms leidt hinder tot omzetderving.
Meetmethoden en criteria: niet omschreven in normen e.d.

Bestandheid tegen belopen en berijden (slijtage)
Het gaat hier om slijtage, dat wil zeggen materiaalverlies van het vloeroppervlak en/of het zichtbare effect daarvan door belopen of berijden, al dan niet in combinatie met schurende stoffen zoals zand. Slijtage speelt vooral bij de gebouwtoegang en op plaatsen waar het verkeer zich concentreert. Er zijn twee soorten slijtage: van de afwerkingslaag en van het hout. Voor beide gevallen gelden andere eisen. Een afwerkingslaag kan opnieuw worden aangebracht, terwijl (al of niet plaatselijke) slijtage aan het hout kan worden hersteld door de hele vloer te schuren en opnieuw te voorzien van een afwerkingslaag.
Meetmethoden en criteria: NEN 2072, ENV 13696, EN 13329, EN 438-1, ASTM D 4060, SIS 923509.

Bestandheid tegen berijden, trillingen e.d. (dynamische belastingen)
Palletwagens, maar ook bureaustoelen, kunnen sleepsporen veroorzaken in de vorm van indrukking van het hout. De grootte daarvan is afhankelijk van de massa van het voertuig en de hardheid van het hout. De belastingen zijn te beperken met wielen van voldoende formaat en/of een niet te hard loopvlak, bijvoorbeeld van een soepele kunststof.
Meetmethoden en criteria: EN 425, EN 1533, EN 1534, EN 13329.

Bestandheid tegen biologische belastingen
Een vloer mag niet worden aangetast door levende organismen zoals houtaantastende schimmels en kevers.
Meetmethoden en criteria: EN 20-1, EN 20-2, TV 218.

Bestandheid tegen calamiteiten
Denk aan vallende voorwerpen, zoals flessen, gereedschap, huishoudelijke producten, maar ook aan de gevolgen van een brandende sigaret.
Meetmethoden en criteria: EN 13329 (laminaatvloeren). Voor hout zijn geen specifieke criteria bekend.

Bestandheid tegen chemicaliën en vlekkende stoffen
Hieronder vallen producten die worden gebruikt bij huishoudelijke en licht industriële toepassingen, zoals rode wijn, thee, koffie, azijn, ethanol, de gebruikelijke schoonmaakmiddelen en inkt. Aantasting ziet er vooral uit als een plaatselijke verkleuring (vlekvorming) en/of als een beschadiging van de afwerkingslaag. De aantasting hangt af van de soort stoffen, de concentratie, de temperatuur, de inwerkingsduur en de mate van verversing (een beperkte hoeveelheid is na zekere tijd 'uitgewerkt').
Meetmethoden en criteria: EN 13329, prEN 13442, NEN 2072.

Bestandheid tegen fysische belastingen
Denk aan warmte en vocht (bij vloerverwarming, buitenterrassen), plaatselijke verhitting (heetwaterleiding of aanvoerleiding van centrale verwarming die te dicht onder de houten vloeren liggen), UV-licht e.d.

Wisseling van het vochtgehalte doet hout krimpen en/of zwellen (werken), waardoor naden gaan openstaan. In het ergste geval kan het hout scheuren. Omdat de temperatuur invloed heeft op het vochtgehalte, moeten niet alleen wisselingen in vocht maar ook in temperatuur worden voorkomen. Wisselingen in temperatuur zijn te verwachten bij vloerverwarming en vooral ook boven heetwaterleidingen. Zie verder hoofdstuk 7: Vloerverwarming.
Meetmethoden en criteria: EN 1910.

Bestandheid tegen schuivende lasten
Schuiven van machines, kratten, meubelen e.d., ook in combinatie met schurende stoffen zoals zand, leiden tot krasvorming op het oppervlak. Hiermee kan rekening worden gehouden door de keuze van het type vloer (bijvoorbeeld een kopshoutvloer in bedrijfsruimten), de houtsoort en de afwerkingslaag.
Meetmethoden en criteria: EN 13329, NEN 2072.

Bestandheid tegen statische belastingen
Statische belastingen zijn bijvoorbeeld meubelstukken, machines, magazijnstellingen e.d. Deze kunnen op lange termijn indrukkingen (putjes) in het oppervlak van het hout veroorzaken. Bij plankenvloeren op balken of regels moet ook rekening worden gehouden met de buigsterkte van het hout en de doorbuiging van de vloer.
Meetmethoden en criteria: EN 1534.

Brandveiligheid
Aan (onder andere) een vloer worden eisen gesteld om bij brand tijdig uit een gebouw te kunnen vluchten.
Prestatie-eisen worden gesteld aan de brandwerendheid (alleen bij dragende vloeren), de brandvoortplanting en de rookontwikkeling.
Meetmethoden en criteria: (Nederland:) Bouwbesluit. (België:) Koninklijk Besluit (KB) van 7 juli 1994 en gewijzigd per KB op 19 december 1997 (Belgisch Staatsblad 30.12.1997). Het KB is niet van toepassing op eengezinswoningen.

Meer informatie over prestatie-eisen:

par. 1.3.2.

Bijzondere gebruikseisen
Denk aan blootsvoets lopen, routeherkenning voor slechtzienden en blinden (kleur, contrast, profiel e.d.), sportbeoefening.
Meetmethoden en criteria: DIN 18032-2, ISA-US1-15.1, ISA-US1-15.2, ISA-US1-15.3.

Comfort bij berijden
Onvoldoende vlakheid zoals golven en hoogteverschillen tussen vloerdelen kunnen hinder veroorzaken. Het comfort kan gelden voor de berijder (van bureaustoel, rolstoel), voor de lading (schokken) en voor de omstanders (geluidshinder door bijvoorbeeld winkelwagentjes of koffers op wieltjes).
Meetmethoden en criteria: EN 13329, TV 189, TV 218.

Meer informatie over prestatie-eisen:

par. 1.3.7.

Comfort, thermisch
Het thermisch comfort van een vloer wordt bepaald door prestatie-eisen aan:

  • de oppervlaktetemperatuur;
  • de contacttemperatuur. Die bepaalt de snelheid waarmee de lichaamswarmte bij contact wordt afgedragen. De contacttemperatuur hangt onder andere af van de warmtegeleiding van het oppervlak.

Een vloer met een lage warmtegeleiding heeft een hoge contacttemperatuur en voelt daardoor comfortabeler aan dan een vloer met een hoge warmtegeleiding. Hout heeft een lagere warmtegeleiding dan bijvoorbeeld laminaat, waardoor hout comfortabeler aanvoelt.
Meetmethoden en criteria: prEN 12667, EN-ISO 8990.

Meer informatie:
  • PBNA Praktijkhandboek Bouw- en installatietechniek;
  • TV 218.

Comfort en veiligheid bij belopen
Bedoeld wordt het risico van uitglijden, struikelen e.d., en het gemak van belopen. Er moeten eisen worden gesteld aan stroefheid en aan afwijkingen van de vlakheid door oneffenheden.
Voorkom onbedoelde hoogteverschillen bij deuren, trappen, liften, aansluitende vloeren e.d. Bij aansluitingen met andere vloeren mag het hoogteverschil maximaal +1,0 of -1,0 mm bedragen. Aansluitingen waar een groter hoogteverschil onvermijdbaar is, moeten worden geaccentueerd, bijvoorbeeld met een geschikte afwerkstrip. Ook kan voor de overbrugging van het hoogteverschil de vloer worden voorzien van een afgeschuinde lat of plank.
Meetmethoden en criteria: EN 13329, DIN 18032, DIN 51130, ZH1/571, GUV 26-17, TV 189, TV 218.

Meer informatie over prestatie-eisen:

par. 1.3.6 en 1.3.7.

Emissie van schadelijke stoffen
Bij de productie van houten vloeren wordt wel lijm of lak verwerkt op basis van oplosmiddelen en/of formaldehyde. Deze kunnen in de gebruiksfase nog geruime tijd uit het materiaal vrijkomen (emitteren).

Oplosmiddelen
In Nederland is het gebruik van oplosmiddelhoudende lijmen, lakken, oliën en wassen in een binnenruimte, door professionele verwerkers, beperkt. Bij industrieel vervaardigde producten kunnen ze nog wel worden toegepast. Het gebruik van oplosmiddelhoudende producten door de consument is nog niet aan banden gelegd. Zie verder par. 1.3.1.

Formaldehyde
Voor spaanplaat en MDF zijn in de Europese normen eisen gesteld aan het maximale gehalte aan vrij formaldehyde. Dit bedraagt maximaal 8 mg/100 gram materiaal. In Nederland is wettelijk vastgelegd dat de maximale concentratie formaldehyde in een ruimte 120 mg per m³ lucht mag bedragen. Een deel van deze concentratie is afkomstig uit andere bronnen dan bouwmaterialen, zoals sigarettenrook en meubilair. Ook de buitenlucht bevat formaldehyde.
Meetmethoden en criteria: Warenwet, Nationale MAC (Maximaal aanvaardbare concentratie)-lijst, EN 120, ENV 717-1.

Geluidshinder
De vloerafwerking heeft invloed op verschillende vormen van geluidshinder.

  • Overdracht naar een andere ruimte van contactgeluid bij het belopen. Ook huisdieren, spelende kinderen en rollende voorwerpen (bijvoorbeeld bureaustoelen) op een onvlakke vloer kunnen hinder veroorzaken. De invloed van de vloerafwerking op contactgeluiden is tamelijk groot; hieraan moeten zo nodig (strenge) prestatie-eisen worden gesteld.
  • Overdracht naar een andere ruimte van luchtgeluid. De vloerafwerking heeft hierop weinig invloed.
  • Geluidsoverlast in de ruimte zelf door loopgeluiden, zoals klossen en kraken.
  • Een harde vloer kan een langere galmtijd veroorzaken dan een zachte vloerafwerking; de ruimte klinkt 'hol'.

Meetmethoden en criteria: ISO 717-2, ISO 140-7, NPR 5070, NEN 5078, NBN S01-008, NBN S01-400.

Meer informatie over prestatie-eisen:

par. 1.3.3.

Kosten
Hierbij gaat het om investerings-, exploitatie- en sloopkosten en vooral het verband daartussen. Een iets hogere investering kan soms in de exploitatie ruimschoots worden terugverdiend.
Meetmethoden en criteria: niet omschreven in normen e.d.

Milieueffecten
Hierbij telt de milieubelasting bij de bewerking van hout en de productie van parket, lijm, afwerkingsmaterialen e.d., bij de bouw (beperking van bouwafval), bij de exploitatie (lange levensduur, reinigbaarheid met milde middelen) en bij de sloop (afvalscheiding, beperking sloopafval bij verbouwingen). Over de milieueffecten van houten vloeren (maar ook van andere vloerafwerkingen) is nog niet veel informatie beschikbaar.

Het gebruik van duurzaam geproduceerd hout verdient de voorkeur. Dit hout is afkomstig uit duurzaam beheerde bossen en is voorzien van een certificaat of keurmerk. In Nederland wordt het keurmerk uitgebracht door de Stichting Keurhout.
Meetmethoden en criteria: Levenscyclusanalyse (LCA) en (Nederland:) Bouwbesluit, Nationaal pakket Duurzaam bouwen.

Meer informatie over prestatie-eisen:

par. 1.3.4.

Reinheid (bacteriologisch)
Voor de veiligheid van voedsel tijdens onder andere transport, opslag, behandeling en verkoop wordt in Nederland onder andere de HACCP gehanteerd. Afhankelijk van de producten en bewerkingen worden daarin eisen gesteld. Deze eisen zijn niet specifiek uitgewerkt voor de vloer. In het algemeen is de reinigbaarheid belangrijk, waarbij wordt gelet op de afwezigheid van scheuren, beschadigingen en moeilijk toegankelijke plekken zoals haakse binnenhoeken. Met houten vloerafwerkingen kan niet aan deze eisen worden voldaan. Daarom zijn houten vloerafwerkingen in ruimten voor het bereiden van voedsel sterk af te raden.
Meetmethoden en criteria: niet omschreven in normen e.d.

Reinheid (optisch)
Hierbij gaat het erom in hoeverre de vloer op het oog een schone indruk maakt. Dit hangt af van de zichtbaarheid van vervuiling (die op zijn beurt afhangt van de kleur, zichtbare structuur, glans e.d. van het hout), de hechting van vuil en de reinigbaarheid van de vloer. Strepen en vlekken door schoenzolen en schoensmeer kunnen optisch hinderlijk zijn.
Meetmethoden en criteria: NEN 2072, EN 13329.

Statische elektriciteit
Statische elektriciteit treedt bij houten vloeren nagenoeg niet op, behalve bij een dikke afwerkingslaag van epoxyhars. Bij laminaatvloeren moet wel rekening worden gehouden met statische elektriciteit. Denk aan geleidbaarheid (ESD, Electro Static Discharge) van de vloer in relatie tot apparatuur, eventueel explosiegevaar e.d.
Meetmethoden en criteria: EN 1018, DIN 54346, DIN 54345, ISO-TR 6356, TV 216.

Uiterlijk
De natuurlijke eigenschappen van hout, de wijze van zagen en afwerken dragen bij aan de uitstraling. Dit betreft aspecten als vlakheid, glansgraad, legpatroon, zaagwijze, draadverloop, nerf, onvolmaaktheden door oppervlakbewerkingen, beschadigingen, hart, spint, verkleuring door schimmelaantasting e.d., scheuren, ingegroeide schors, kwastaandeel, kwastgrootte, boordergangen, groeiringbreedte.

Voor houten vloeren bestaan kwaliteitsklassen, waarin bijvoorbeeld grenzen zijn gesteld aan het aantal kwasten per strekkende meter en de grootte van de kwasten. Sommige eigenschappen, bijvoorbeeld kwasten of een groot draadverloop, kunnen storend worden gevonden, maar soms juist mooi. Bijvoorbeeld bij plankenvloeren met een relatief groot aantal kwasten, de zogenoemde landhuisvloeren.
Meetmethoden en criteria: EN 1368, EN 13226, EN 13227, EN 13228, EN 13489, NEN 2073, NPR 2074, BRL 4303, ISO 2813.

Meer informatie over prestatie-eisen:

par. 1.3.5.

Uitvoering: arbeidsomstandigheden voor de verwerkers
Hiervoor gelden wettelijke arbo-richtlijnen of richtlijnen over veiligheid en gezondheid, lawaai, stof, trillingen, werkhouding, giftige stoffen. In Nederland is het gebruik van oplosmiddelhoudende lijmen, lakken, oliën en wassen voor binnentoepassingen beperkt.
Meetmethoden en criteria: (Nederland:) AI-bladen en Nationale MAC (Maximaal aanvaardbare concentratie)-lijst.
(België:) Arab-documentatiebladen.

Meer informatie over prestatie-eisen:

par. 1.3.1.

Uitvoering: duur
Vooral van belang bij onderhoudswerk, wanneer de uitvoering het gebruik ernstig hindert en productiestilstand of omzetderving veroorzaakt. De uitvoeringsduur is te beperken door in de fabriek afgewerkte materialen toe te passen. De prijs daarvan is hoger, maar die moet worden afgezet tegen de beperking van de bedrijfsschade.
Meetmethoden en criteria: niet omschreven in normen e.d.

Uitvoering: hinder voor gebruikers en gebruiksproces
Te omschrijven in eisen aan de fasering, maximaal beschikbare ruimte voor opslag en transport, maximaal te produceren geluidshinder, stofontwikkeling, hinderlijke stoffen e.d.
Meetmethoden en criteria: niet omschreven in normen e.d.

Meer informatie over prestatie-eisen:

par. 1.3.1.

Uitvoering: invloed van de omgeving
Hoge of lage temperaturen, hoge of lage vochtigheid, wind, tocht, bezonning e.d. tijdens de uitvoering kunnen het gebruik van materialen (lijmen, afwerkmaterialen e.d.) beïnvloeden. In dat geval kunnen specifieke materialen, hulpmaterialen of hulpconstructies noodzakelijk zijn. De minimaal en maximaal toegestane temperatuur en relatieve luchtvochtigheid tijdens het aanbrengen van houten vloerafwerking moeten worden vastgelegd.
Meetmethoden en criteria: niet omschreven in normen e.d.

Uitvoering: beperkingen bij transport en opslag
Hierbij gaat het om beperkingen voor de uitvoering, zoals de mogelijkheden voor transport en opslag van materialen op het werk. Bij de opslag moet rekening worden gehouden met de vochtgevoeligheid van hout en met de vorstgevoeligheid van lijm.
Meetmethoden en criteria: niet omschreven in normen e.d.

Veranderingen in het gebruik
Als kan worden voorzien dat het gebruik van de vloer in de toekomst zal veranderen (een kantine wordt bijvoorbeeld bij een magazijn getrokken), moet hiermee rekening worden gehouden. Denk daarbij ook aan de locatie van leidingen e.d. De vloer kan direct al voor het andere gebruik geschikt zijn, of zo worden opgebouwd dat een deel van de vloer eenvoudig is te vervangen.
Meetmethoden en criteria: niet omschreven in normen e.d.

Vervangen en repareren
Als is te voorzien dat stilstand in het bedrijfsproces grote consequenties heeft, kan worden geëist dat de vloer snel is te herstellen of te vervangen. Als door zeer intensief gebruik plaatselijke vervanging is te voorzien, kan daarmee vooraf rekening worden gehouden.
Meetmethoden en criteria: niet omschreven in normen e.d.

Uit de titel van normen, richtlijnen e.d. is de herkomst af te leiden.

AI (Nederland:) Veiligheidsbladen (uitgave Arbeidsinspectie)
ASTM American Society for Testing and Materials
BRL Beoordelingsrichtlijn (Nederland)
BS British Standard
CEN Comité Européen de Normalisation
DIN Deutsches Institut für Normung
EN Europese norm
ENV Europese voornorm
GUV Gesetzliche Unfallversicherung (Duitsland)
ISO International Standards Organisation
NBN Norme Belge/Belgische Norm. Deze aanduiding wordt gevolgd door de letter B, S of T om verschillende groepen normen te onderscheiden
NEN Nederlandse norm
NF Norme Française
NPR Nederlandse praktijkrichtlijn
NSG Nederlandse Stichting Geluidshinder
pr... Voorvoegsel voor EN, NEN e.d. dat aangeeft dat dit een ontwerpnorm is (dus nog niet definitief)
SIS Swedish Institute for Standardisation
SBR Stichting Bouwresearch (Nederland)
SZW (Nederland:) Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
TV Technische Voorlichting (Uitgave WTCB, België)
ZH Zentrale für Sicherheit und Gesundheit des Hauptverbandes der Gewerblichen Berufsgenossenschaften (Duitsland)

De volledige titels van normen e.d. staan in bijlage 1.
In het algemeen zijn normen pas van toepassing als ze specifiek worden genoemd in het bestek, dan wel algemeen verbindend zijn verklaard (Nederland: door het Bouwbesluit). Nationale normen zijn alleen geldig in het land van uitgave. In een ander land kunnen ze slechts worden gebruikt ter oriëntatie of als indicatie of aanbeveling. Een norm die niet of niet verplicht van toepassing is, zoals een Europese ontwerp- of buitenlandse norm, kan goed bruikbare informatie bevatten. Bij de beoordeling van schadegevallen wordt vaak gebruikgemaakt van normen en richtlijnen, ook als die niet in het bestek zijn overeengekomen en ook niet bindend zijn opgelegd.

1.3 Enkele belangrijke prestatie-eisen nader bekeken

Tabel 1
Verband tussen functionele eisen en de in par. 1.3 behandelde prestatie-eisen.

Functionele eisen Prestatie-eisen
Uitvoering:
Arbeidsomstandigheden voor verwerker
Arbeidsomstandigheden par. 1.3.1
Uitvoering:
Hinder voor gebruiker van gebruiksproces
Arbeidsomstandigheden par. 1.3.1
Brandveiligheid Brandwerendheid par. 1.3.2
Brandvoortplanting par. 1.3.2
Rookontwikkeling par. 1.3.2
Milieu-effecten Duurzaam bouwen par. 1.3.4
Geluidshinder Contactgeluidsisolatie par. 1.3.5
Vlakheid par. 1.3.7
Uiterlijk Draad par. 1.3.5
Nerf par. 1.3.5
Kwasten par. 1.3.5
Glans par. 1.3.5
Vlakheid par. 1.3.7
Slijtvastheid par. 1.3.8
Comfort bij berijden Slipweerstand par. 1.3.6
Vlakheid par. 1.3.7
Comfort en veiligheid bij belopen Slipweerstand par. 1.3.6
Vlakheid par. 1.3.7
Bestandheid bij belopen Slijtvastheid par. 1.3.8
Bestandheid tegen schuivende lasten Slijtvastheid par. 1.3.8

(Nederland:) Toegestane afwijking
(België:) Tolerantie

Wat in Nederland wordt aangeduid met de term 'toegestane afwijking' wordt in België 'tolerantie' genoemd. Een afwijking of tolerantie kan betrekking hebben op alle eigenschappen: de afmeting, kleur, glans e.d.

Maatafwijkingen worden bijvoorbeeld als volgt genoteerd: 200 +2 of -3 mm. Het verschil tussen de grootste en kleinste waarde is dan 5 mm.

Onderstaand worden enkele prestatie-eisen uitgewerkt. De volgorde is alfabetisch.

1.3.1 (Nederland:) Arbeidsomstandigheden

Prestatie-eisen aan de arbeidsomstandigheden worden grotendeels wettelijk opgelegd. Verder moeten ze worden afgeleid uit de functionele eisen aan 'uitvoering: arbeidsomstandigheden voor verwerkers' en 'uitvoering: hinder voor gebruikers en gebruiksproces' (zie par. 1.2).

Veiligheid en gezondheid op de bouwplaats moeten wettelijk per bouwproject zijn geborgd via een 'V&G-plan' (Veiligheid en Gezondheid). De opdrachtgever en/of architect is verantwoordelijk voor het deel 'Voorbereiding', de hoofdaannemer voor het deel 'Uitvoering'. Onderaannemers, waaronder de bedrijven die de houten vloeren aanbrengen, worden geacht hun bijdrage te leveren aan het deel Uitvoering.

Voor concrete aanbevelingen wordt verwezen naar het PISA-systeem. Dit geeft aanwijzingen over producten en producttoepassingen voor werknemer en werkgever.

Hoeveelheid oplosmiddelen
Vanwege de arbeidsomstandigheden mogen lijmen en primers voor gebruik in het werk sinds 1 januari 2000 hoogstens 5 gram vluchtige organische stoffen (VOS) per kg product bevatten; lakken, oliën en wassen hoogstens 125 gram VOS per liter product. Per 1 januari 2002 gaat de eis voor lakken, oliën en wassen omlaag naar maximaal 100 gram VOS per liter product. Deze eis gaat ook gelden voor oliën en wassen. Deze eis geldt niet bij industriële verwerking waar de dampen van de oplosmiddelen afdoende worden afgezogen.

Meer informatie over het werken met oplosmiddelhoudende producten:

Wijziging Arbeidsomstandigheden betreffende werkzaamheden met vluchtige organische stoffen.

1.3.2 Brandveiligheid

Prestatie-eisen aan de brandveiligheid moeten worden afgeleid uit de functionele eisen aan de 'brandveiligheid' (zie par. 1.2).

Aan drie eigenschappen kunnen eisen worden gesteld (zie tabel 2).

Brandwerendheid (België: brandweerstand)
Deze eis is alleen van belang bij dragende houten vloeren, zoals plankenvloeren op houten balken.

Brandvoortplanting (België: brandreactie)
(Nederland:) Criteria hiervoor zijn de T-klassen (T1 of T3) volgens NEN 1775, maar een indeling van houtsoorten in deze klassen is er niet. De meeste houtsoorten zullen voldoen aan de klasse T3. Wel zijn houtsoorten in te delen in de klassenindeling volgens NEN 6065: hout met een volumieke massa < 560 kg/m³ valt in de klasse 4, met een volumieke massa tussen 560 en 790 kg/m³ in klasse 3, met een volumieke massa ≥ 790 kg/m³ in klasse 2. (België:) Criteria zijn vastgelegd met de klassen A0, A1, A2, A3 of A4. Welke klasse van toepassing is, hangt af van de hoogte van het gebouw waarin de vloerafwerking wordt toegepast. Een gebouw is 'middelhoog' als het peil van de bovenste vloer tussen 10 en 25 m boven het maaiveld ligt; daaronder is het gebouw 'laag', daarboven 'hoog'.

Let op

De klassen 2, 3 of 4 volgens NEN 6065 zijn niet gelijk aan de T-klassen volgens NEN 1775.

Rookontwikkeling
De rookontwikkeling van hout, uitgedrukt in een optische dichtheid (m-1) ligt voor de meeste houtsoorten lager dan de eis 10 m-1.

Lak, was of olie geeft het oppervlak een andere waarde voor de klasse van brandvoortplanting en voor de rookontwikkeling. Let hierop bij de keuze van de afwerking.

Tabel 2
Brandveiligheidseisen voor houten vloerafwerkingen.

criteria meetmethode
brandwerendheid 20, 30 en 60 minuten* NEN 6069, NBN 713-020
brandvoortplanting T3 of T1 NEN 1775, ISO 1182
België A0, A1, A2, A3 of A4 NBN S 21-203, NF P 92-501, BS 476-7
rookontwikkeling optische dichtheid: 10 m-1 NEN 6066
* De brandwerendheidseis van 20 minuten geldt niet in België.

1.3.3 Contactgeluidsisolatie

Prestatie-eisen aan de contactgeluidsisolatie moeten worden afgeleid uit de functionele eisen aan de 'geluidshinder' (zie par. 1.2).

Bij belopen van een harde vloerafwerking kan geluidshinder ontstaan naar een onder- of naastgelegen ruimte. We spreken dan over contactgeluid.

Meetmethode
(Nederland:) De eisen voor contactgeluid worden uitgedrukt in de waarde Ico (isolatie-index voor contactgeluid), gemeten volgens NEN 5077. De hoogte van de eis is afhankelijk van de toepassing. Fabrikanten van geluiddempende tussenvloeren geven soms een waarde DLlin op, die bepaald wordt volgens EN-ISO 717-2. DLlin geeft de verbetering van de prestaties van een houten vloerafwerking bij toepassing van een geluiddempende tussenvloer.

(België:) De contactgeluidsisolatie wordt uitgedrukt in de grootheid DLw volgens NBN S01-007 (deze komt overeen met ISO 140-6 en 140-8).

Criteria

  • (Nederland:) Minimale eis tussen woningen: Ico ≥ 0 dB (criteria volgens Bouwbesluit, meetmethode volgens NEN 5077). Om klachten te vermijden, is gewenst: Ico ≥ +10 tot +15 dB.
  • Binnen woningen minimale eis tussen vertrekken: Ico ≥ -20 dB (criteria volgens Bouwbesluit, meetmethode volgens NEN 5077). Om klachten te vermijden, is gewenst: Ico ≥ -10 dB.
  • (België:) Minimale eisen zijn vastgelegd in NBN S01-400: DLw ≥ 18 dB.

De eisen zijn in Nederland laag: bij harde vloerafwerkingen blijkt hinder te ontstaan, ook al is aan de eisen voldaan. Daarom zijn hogere eisen aan de contactgeluidsisolatie ten zeerste aan te bevelen. De Nederlandse Stichting Geluidshinder (NSG) adviseert een 10 dB hogere waarde te hanteren dan een Ico van 0 dB. Hogere eisen dan de wettelijke moeten in privaatrechtelijke sfeer worden afgesproken.

Meer informatie:
  • SBR 485;
  • TV 189 en TV 218.

In combinatie met een speciale tussenvloer (zie par. 2.5.3) is voor een houten vloerafwerking een Ico van +10 dB haalbaar.

1.3.4 (Nederland:) Duurzaam bouwen (DuBo)

Prestatie-eisen aan duurzaam bouwen moeten worden afgeleid uit de functionele eisen aan de 'milieueffecten' (zie par. 1.2).

Onder duurzaam bouwen wordt verstaan: het verantwoord omgaan met grondstoffen, het verminderd gebruik van energie en water en de kwaliteitsverbetering van de woon- en leefomgeving.

Een vergelijking tussen houten vloerafwerkingen en andere vloerconstructies op milieuaspecten is nog niet mogelijk. Absolute uitspraken zijn nog niet te doen. Weliswaar zijn er verschillende beoordelingsmethoden beschikbaar, maar houten vloerafwerkingen zijn nog niet getoetst.

In het (voor Nederland geldige) Nationaal pakket Duurzaam bouwen worden wel aanbevelingen gedaan voor onderdelen van de vloerafwerking (zie kadertekst). Dergelijke aanbevelingen zijn niet dwingend. Wanneer de milieueisen conflicteren met andere eisen, moet per geval een afweging worden gemaakt.

(Nederland:) Aanbevelingen volgens Nationaal pakket Duurzaam bouwen

U geldt voor utiliteitsbouw, S voor woningbouw

U012 en S012: Maak warmteweerstand begane grondvloer Rc = 3,0 m²· K/W.
U021 en S021: Voer vloersparingen en -aansluitingen in constructies die een scheiding vormen tussen een verwarmd gebied en een aan de ondergrond grenzende ruimte, luchtdicht uit.
U037 en S037: Pas een lage temperatuur verwarmingssysteem toe.
U063 en S063: Indien hout wordt toegepast, gebruik bij voorkeur duurzaam geproduceerd hout.
U064 en S064 Stem de duurzaamheidsklasse van hout en de eventuele oppervlaktebehandeling en/of verduurzaming per geval af op de beoogde toepassing.
S195: Laat onderdorpels bij binnendeuren weg of vervaardig ze van hout.
U248 en S248: Gebruik als naaddichting: PE-rolband of EPDM-rubber.
U296 en S296: Gebruik voor voorbehandeling op steenachtige ondergrond: watergedragen voorstrijk- of impregneermiddel.
U353 en S353: Stem maatvoering af op handelsmaten.
U354 en S354: Beperk het gebruik van eenmalig verpakkingsmateriaal.
U369 en S369: Streef naar 'schuim- en kitarme' detaillering.
U414 en S414: Gebruik uitsluitend spaanplaat met beperkte formaldehyde-emissie.
U443 en S443: Lever een duidelijke gebruikershandleiding mee.
U466: Kies als harde vloerbedekking voor linoleum, tegels, natuursteen, bamboe of hout.
U471 en S471: Gebruik indien mogelijk vernieuwbare grondstoffen.
S491: Gebruik energiebesparende regelingen voor verwarming en ventilatie.
U494 en S494: Maak warmteweerstand begane grondvloer Rc = 3,5 m²· K/W.
U498 en S498: Zorg voor een goede inregeling van de verwarmingsinstallatie.

Een toekomstvisie op duurzaam bouwen is nog niet uitgekristalliseerd. Deze kan onderdelen bevatten zoals het beperken van materiaalgebruik (minder kilo's), gemakkelijke scheiding van componenten bij sloop en een lange levensduur (technisch, maar ook economisch en functioneel). Strikt milieutechnisch betekent dit laatste een voorkeur voor een minder modegevoelige afwerking.

1.3.5 Uiterlijk: draad, nerf, kwasten en glans

Uit de functionele eisen aan het uiterlijk moeten prestatie-eisen worden afgeleid van onder meer 'draad', 'nerf', 'kwasten' en 'glans' (zie par. 1.2).

Draad
De draad van hout is de wijze waarop de samenstellende elementen van hout, zoals houtcellen, zijn georiënteerd ten opzichte van de langsas. De draad is te zien op het langsvlak in de vorm van rechte, gebogen en grillige lijnen die al dan niet verlopen onder een hoek met de langsas (zie par. 2.1). Het verloop van de draad op het zichtvlak van het hout, draadverloop genoemd, kan worden gehanteerd als een kwaliteitsaspect. Een maximaal draadverloop kan worden voorgeschreven, bijvoorbeeld 1:15 of 1:10. Deze waarden worden in NEN 5461 aangeduid als 'gering'.

Nerf
De nerf heeft betrekking op de grootte van de natuurlijke elementen, zoals houtcellen en houtvezels waaruit het hout is opgebouwd. De nerf kan worden voorgeschreven in een klasse die verloopt van grof tot fijn (zie par. 2.1).

Kwasten
Afhankelijk van het gewenste uiterlijk kan worden voorgeschreven:

  • of er kwasten mogen voorkomen;
  • het aantal kwasten;
  • losse of zachte kwasten al dan niet toegestaan;
  • kwastdiameter.

In de Europese normering en in BRL 4303, de beoordelingsrichtlijn voor het verkrijgen van een KOMO-certificaat voor het lamelparket, worden afhankelijk van de kwaliteitsklasse eisen gesteld aan het maximaal aantal kwasten per vierkante meter vloer en de maximale diameter van de kwasten.

Glans
Elke houtsoort heeft een andere glans, die zelfs binnen één stam sterk kan wisselen. Daarnaast wordt de glans beïnvloed door de wijze van bewerking van het oppervlak (schaven en schuren) en de afwerking ervan. Daardoor is de glans van hout moeilijk in eisen vast te leggen. Er bestaan geen meetmethoden en criteria voor het maken van afspraken over decoratieve aspecten zoals de glans van het hout.

De glans van hout dat is afgewerkt met een lak kan worden uitgedrukt in een glansgraad. Deze wordt gemeten volgens ISO 2813. De gehanteerde glansgraden zijn:

  • mat en halfmat: < 20°;
  • zijdeglans: ongeveer 30°;
  • glans: > 45°.

1.3.6 Slipweerstand

Prestatie-eisen aan de slipweerstand moeten worden afgeleid van de functionele eisen aan het 'comfort bij berijden' en 'comfort en veiligheid bij belopen' (zie par. 1.2).

In Nederland en België is geen meetmethode genormeerd. Ook zijn er geen criteria. Meetmethoden en criteria bestaan wel voor andere vloerafwerkingen, zoals keramische tegels en natuursteen, bijvoorbeeld met het Hellend vlak (Schiefe Ebene) en Floor slide control FSC 2000. Het is aan te bevelen om een van die methoden, al dan niet in aangepaste vorm, voor hout te gebruiken.

Let op

Op basis van de Wet Productaansprakelijkheid kan de vloerlegger aansprakelijk worden gesteld voor het verstrekken van foutieve informatie over de slipweerstand.

DIN 18032
In Duitsland zijn in DIN 18032 criteria en een meetmethode gedefinieerd voor houten afwerkvloeren voor sportzalen. Bij deze methode wordt de wrijvingscoëfficiënt bepaald met het Gleitmessgerät Stuttgart of met het Schuster Prüfgerät. In Nederland wordt door NOC*NSF een aangepaste meetmethode gebruikt voor sportvloeren, waarbij wordt gemeten met het toestel van Leroux.

Meetmethode
Bij deze methode wordt een genormeerd 'lichaam' over de vloer bewogen. De wrijvingscoëfficiënt wordt bepaald door de verhouding tussen de verticale kracht veroorzaakt door het gewicht van het lichaam en de horizontale kracht die nodig is om het lichaam te bewegen.

Criteria
Tabel 3 geeft voor een aantal toepassingsgebieden een minimaal benodigde waarde voor de wrijvingscoëfficiënt. Deze criteria zijn afgeleid van de criteria zoals genoemd in het 'Fachbuch für Parkettleger und Bodenleger'.

Tabel 3
Wrijvingscoëfficiënt voor enkele toepassingen.

wrijvingscoëfficiënt (μ) minstens toepassing
0,3 tot 0,4 woningen, (dansvloeren)
0,3 tot 0,5 winkelruimten, ziekenhuizen, kantoren, theaters
0,4 tot 0,6 squashhallen
0,5 tot 0,7 sporthallen

Voor- en nadelen
Een voordeel van deze methode is dat er algemeen geaccepteerde criteria bestaan om te toetsen of een vloer voldoende stroef is. Deze criteria gelden vooralsnog alleen voor sportvloeren.
Nadeel van deze methode is dat de meting statisch is in plaats van dynamisch.

De stroefheid van een houten vloer kan worden verhoogd door grof schuren en een stroeve afwerkingslaag, bij voorkeur met olie. Ook zijn er speciale polishen op de markt die de stroefheid van een houten vloerafwerking verhogen. Deze moeten op gezette tijden worden vernieuwd. Informatie over de eigenschappen van de verschillende typen oppervlakteafwerkingen: zie par. 2.2.

Let op

Of een vloerafwerking veilig is te belopen, hangt niet alleen af van de slipweerstand. Ook plaatselijke verschillen in slipweerstand en/of hoogteverschillen tussen de delen van de vloerafwerking hebben invloed.

Het is waarschijnlijk dat de FSC 2000, die nu wordt gebruikt voor het bepalen van de slipweerstand van keramische en natuursteen vloerafwerkingen, in de toekomst ook gangbaar wordt voor houten vloerafwerkingen.

1.3.7 Vlakheid

Prestatie-eisen aan de vlakheid moeten worden afgeleid van de functionele eisen aan het 'uiterlijk', 'comfort bij berijden', 'comfort en veiligheid bij belopen' en 'geluidshinder' (zie par. 1.2).

De vlakheid van een vloer moet worden omschreven in twee prestatie-eisen.

  • Hoogteverschillen tussen de houten delen onderling. Deze hoogteverschillen over zeer korte afstand zijn goed zichtbaar, vormen 'struikelblokken' en maken de rand extra gevoelig voor beschadiging. De maximaal toegestane hoogteverschillen zijn niet alleen afhankelijk van het gebruik, maar ook van o.a. de naadbreedte, de oppervlakteafwerking en de maatafwijkingen van de delen.
  • Vlakheid over grotere afstand. Hierbij gaat het vooral om golvingen in het vloeroppervlak. Deze zijn minder zichtbaar en meestal minder hinderlijk dan hoogteverschillen tussen de houten delen.
Let op

Aan de hand van een visuele waarneming mag de opdrachtgever vaststellen of de vloer voldoet aan zijn vlakheidscriteria. Maar zo'n waarneming mag niet de basis vormen voor afkeuring. Afkeuren mag alleen op basis van de overeengekomen criteria met de bijbehorende meetmethode.

Afwijkingen van de vlakheid kunnen in de gebruiksfase meer of minder zichtbaar worden, door bijvoorbeeld onderhoudsproducten, vervuiling of slijtage.

Waterpas liggen en hoogteligging

Vlakheid heeft betrekking op de vorm van de vloer. Deze term wordt wel verward met waterpas liggen (ook wel aangeduid met 'horizontaliteit') en hoogteligging (peil), die echter beide betrekking hebben op de positie van de vloer als geheel.

Voorbeelden

  • Een vloer onder afschot kan voldoende vlak zijn, maar ligt niet waterpas.
  • Een voldoende vlakke vloer kan in zijn geheel te laag of te hoog liggen.

Meetmethode
Met een rechte rei is de vlakheid snel en eenvoudig te meten. De rei is 2 m lang en wordt aan beide uiteinden ondersteund door stalen plaatjes (voetjes) die net zo dik zijn als de overeengekomen afwijking. De afstand van de vloer tot de onderkant van de rei wordt gemeten met een speciale wig. De rei wordt op willekeurige (dus ook de ongunstigste) plaatsen op de vloer gelegd. Nu kunnen worden gemeten:

  • hoogteverschillen tussen de houten delen: meet de verticale afstand tussen rei en houten delen aan weerszijden van een voeg. Het verschil tussen beide metingen mag niet meer bedragen dan de overeengekomen afwijking.
  • vlakheid over grotere afstand (≤ 2 m): op geen enkele plaats mag de afstand tussen rei en houten vloerafwerking groter zijn dan tweemaal de dikte van de voetjes; de vloer mag niet zo bol zijn dat een van de voetjes loskomt.

Figuur 1
Meetmethode voor het controleren van de vlakheid met een rei van 2 m.

Criteria
In Nederland zijn geen criteria in normen vastgelegd. Partijen wordt dringend aangeraden afspraken te maken over de meetmethode, criteria en het aantal overschrijdingen dat aanleiding geeft voor correctiewerkzaamheden of afkeuring van de vloer. De eis moet vanzelfsprekend haalbaar zijn; daarbij moet rekening worden gehouden met bovenvermelde factoren die de vlakheid beïnvloeden.
In België zijn criteria en meetmethoden vastgelegd in TV 218.

Meer informatie over vlakheid:

TV 137, TV 189 (3 klassen), TV 204, TV 213.

1.3.8 Slijtweerstand

Prestatie-eisen aan de slijtweerstand moeten worden afgeleid van de functionele eisen aan de 'bestandheid bij belopen', 'bestandheid tegen schuivende lasten', en 'uiterlijk' (zie par. 1.2).

Meetmethode
De slijtweerstand wordt bepaald met behulp van de zogenaamde 'Taber-abraser'-proef. Bij deze proef worden proefstukken op een draaiende tafel gelegd. Op het proefstuk komen twee draaiende slijtwielen waarop een belasting is aangebracht. Het type slijtwiel (grofheid) en de belasting zijn in verschillende normbladen gespecificeerd.

  • Lamelparket: slijtwiel type CS 17, belasting op de slijtwielen 1000 gram (volgens NEN 2072).
  • Laminaat: schuurpapier S-42 (korrel 180), belasting op de slijtwielen 550 gram per wiel (volgens ENV 13696).
  • Sportvloeren: slijtwiel H18, belasting op de slijtwielen 1000 gram per wiel (volgens NOC*NSF-norm).

Naast de bovenstaande methoden wordt voor de bepaling van de slijtweerstand van lakken een methode toegepast waarbij slijtwielen worden gebruikt die zijn bekleed met leer. Tijdens de beproeving wordt fijn zand op het proefstuk gestrooid. Belasting op slijtwielen: 1020 gram per wiel (volgens SIS 923509 of ENV 13696).

Criteria
Met deze proef kunnen verschillende metingen worden gedaan.

  • In NEN 2072 is de doorslijting van de laklaag het criterium voor lamelparket. Daaruit volgen de klassen:
    • geringe slijtvastheid: doorslijting na minder dan 500 omwentelingen;
    • matige slijtvastheid: doorslijting na 500 tot 1000 omwentelingen;
    • hoge slijtvastheid: doorslijting na 1000 omwentelingen of meer.
  • In EN 13329 is voor laminaat het criterium het aantal omwentelingen (IP) waarbij de eerste herkenbare slijtage optreedt. Daaruit volgen de klassen:
    • IP ≥ 900: klasse AC1;
    • IP ≥ 1800: klasse AC2;
    • IP ≥ 2500: klasse AC3;
    • IP ≥ 4000: klasse AC4;
    • IP ≥ 6500: klasse AC5.
  • In de NOC*NSF-norm voor sportvloeren wordt het gewichtsverlies van het proefstuk na 1000 omwentelingen gemeten. Dit gewichtsverlies mag voor klasse 3 hoogstens 35 promille en voor klasse 2 hoogstens 25 promille zijn.

1.4 (België:) De UPEC-systematiek

Bij het formuleren en toetsen van prestatie-eisen wordt in België niet alleen gebruikgemaakt van normen, maar ook van de UPEC-systematiek. Daarom zijn de betreffende eisen in de Katernen ook geformuleerd volgens deze UPEC-systematiek. Afhankelijk van de eigen voorkeur en de beschikbaarheid van informatie is de UPEC-systematiek in België te gebruiken naast of in plaats van de betreffende normen.

De UPEC-systematiek is afkomstig uit Frankrijk en werd oorspronkelijk ontwikkeld voor soepele vloerbedekking. Later is ze aangepast voor keramische vloerbedekking en momenteel wordt ze aangepast voor houten vloerbedekking.

Met een letter- en cijfercombinatie worden vier eisen aan een vloer geformuleerd, die alle vier te maken hebben met de duurzaamheid. Zijn deze eisen eenmaal bekend, dan is alleen die vloerafwerking geschikt voor de betreffende toepassing die voldoet aan dezelfde (of een hogere) klasse.

De UPEC-systematiek omschrijft (prestatie-)eisen voor de volgende vier eigenschappen:

  • U (van usure): weerstand tegen slijtage;
  • P (van poinçonnement) : weerstand tegen mechanische belasting;
  • E (van eau): weerstand tegen vocht;
  • C (van chimique): weerstand tegen chemische stoffen.

Voor elk van deze eigenschappen schrijft de UPEC-systematiek één of meer meetmethoden voor, waarvan de meeste zijn omschreven in EN-ISO-normen.

Achter elk van deze letters volgt een cijfer dat een klassenindeling aangeeft. Hoe hoger dit cijfer, des te zwaarder is het criterium (bij de voorgeschreven meetmethode). De eisen voor een bepaalde vloer of de eigenschappen van een bepaalde vloerafwerking kunnen dus luiden: U1 P2 E1 C1.

Klassering van ruimten
De uitgaven over de UPEC geven richtlijnen voor eisen die kunnen worden gesteld voor een groot aantal typen gebouwen, uitgesplitst naar de typen ruimten die daarin voorkomen. Deze toetsing blijft beperkt tot de vier omschreven eigenschappen; als regel gelden nog vele andere eisen aan een vloerafwerking, die bij deze systematiek buiten beschouwing blijven.

Enkele voorbeelden van klassering van ruimten (met houten vloerafwerkingen):

  • U-klassering:
    • U2 voor gematigd belopen (woning) zonder toegang van buiten;
    • U2s voor gematigd belopen (woning) met toegang van buiten;
    • U3 voor middelzwaar belopen (openbare gebouwen) behalve fabrieks- of tentoonstellingshallen en zonder toegang van buiten;
    • U3s voor middelzwaar belopen (openbare gebouwen) van fabrieks- of tentoonstellingshallen met toegang van buiten.
  • P-klassering:
    • P2 voor ruimten waar geen statische belasting voorkomt die hoger is dan 2 N/mm² en/of waar geen rollende belasting voorkomt;
    • P3 voor kantoren en gangen waar bureaustoelen op wielen of handbediende karretjes worden gebruikt.
  • E-klassering:
    • E1 voor ruimten waar slechts af en toe weinig vocht aanwezig is, bijvoorbeeld door licht vochtig dweilen.
  • C-klassering:
    • C0 voor ruimten waar niet met chemische stoffen wordt gewerkt;
    • C1 voor ruimten waar af en toe chemische stoffen worden gemorst, zoals restaurant (niet in de keuken).

Voorbeelden van klassering van houten vloerafwerkingen
De UPEC-classificatie voor houten vloerafwerkingen is gebaseerd op enerzijds de hardheid van het hout en anderzijds de dikte van de slijtlaag en de slijtweerstand van de afwerkingslaag. Bij houten vloerafwerkingen die zijn voorzien van een afwerkingslaag, komt alleen hout met een in de fabriek aangebrachte afwerkingslaag in aanmerking voor de officiële Franse UPEC-classificatie. Zie verder tabel 4.

Tabel 4
UPEC-classificatie voor houten vloerafwerkingen.

dikte van de slijtlaag mm Brinellhardheid MPa UPEC-classificatie
zonder afwerkingslaag 2,0 ≤ d < 3,2 ≥ 12 U2 P2 E1 C0
3,2 ≤ d < 4,5 ≥ 12 U2s P2 E1 C1
4,5 ≤ d < 7,0 ≥ 12 U3 P2 E1 C0
≥ 30 U3 P3 E1 C1
d = 7,0 ≥ 12 U3s P2 E1 C0
≥ 40 U3s P3 E1 C1
met afwerkingslaag 2,0 ≤ d < 3,2 ≥ 12 U2 P2 E1 C0
3,2 ≤ d < 4,5 ≥ 12 U3 P2 E1 C0
≥ 30 U3 P3 E1 C1
4,5 = d ≥ 12 U3s P2 E1 C0
≥ 40 U3s P3 E1 C0

Meer informatie over UPEC:
  • NF P 63.201-1 en NF P 63.202-1;
  • publicaties van CSTB;
  • ontwerp van aanpassing van de Franse UPEC-klassering voor houten vloerafwerkingen (CSTB);
  • TV 137.

1.5 Klassen voor laminaat

Voor laminaatvloeren zijn gebruiksklassen gangbaar, waarbij onderscheid is gemaakt tussen laminaatvloeren in woningen en laminaatvloeren in commerciële gebouwen. Per klasse worden eisen gesteld aan de:

  • slijtweerstand;
  • schokweerstand;
  • verkleuring door chemicaliën;
  • bestandheid tegen brandende sigaretten;
  • bestandheid tegen schuiven met meubelen;
  • bestandheid tegen stoelrollen;
  • bestandheid tegen vocht.

Tabel 5
Indeling van laminaatvloeren in klassen en de daarvoor gehanteerde symbolen.

gebruiksklasse woningen commercieel
middelmatig algemeen sterk middelmatig algemeen sterk
klasse 21 22 23 31 32 33
symbool