0

publicatie: Integraal ontwerpen van legionellaveilige woningen

1 Inleiding

1 Inleiding

1.1 Aanleiding

De afgelopen jaren zijn richtlijnen ontwikkeld om de groei van legionella in leidingwaterinstallaties tegen te gaan. Een belangrijk aspect daarvan vormt het voorkómen van hotspots in de drinkwaterinstallatie en uittapleidingen van warm tapwater. Hotspots zijn plaatsen in de drinkwaterinstallatie of uittapleiding van warm tapwater waar water tot boven de 25°C kan opwarmen.

Volgens het Bouwbesluit en het Waterleidingbesluit moeten alle installaties voldoen aan de algemene voorschriften voor leidingwaterinstallaties in NEN 1006 (NEN, 2002-2008). De bovengrens van 25 °C is hierin opgenomen.

Een trend in de bouw is dat voor alle installaties de leidingen zoveel mogelijk worden weggewerkt in bouwkundige constructies zoals vloeren en wanden, maar ook in plinten, leidingkokers en verlaagde plafonds in gangen. Bij nieuwbouw van woningen worden de leidingen veelal in de dekvloer aangelegd. Bij renovatie van woningen is de positie van leidingen afhankelijk van de ingreep. Indien de woning verregaand wordt gerenoveerd en de plattegrond compleet wordt gewijzigd ontstaat er een situatie die vergelijkbaar is met nieuwbouw. Bij behoud van plattegrond, beperkingen in de bouwmethode of bij renovatie in bewoonde staat zijn alternatieven nodig. Hierbij worden leidingen vaak in plafonds, voorzetwanden, plinten of in opbouw aangelegd.
In vrijwel alle situaties leidt dit tot zodanige concentraties van leidingen dat het lastig is om te blijven voldoen aan de eis die gesteld is in NEN 1006.

Plaatsen in woongebouwen waar sprake is van een verhoogd risico van opwarming van waterleidingen, zijn:

  • in vloeren en plafonds van badruimten;
  • in de buurt van warmteverdeelunits van de cv-installaties;
  • in en rond meterkasten met warmtelevering (stadsverwarming, blokverwarming).

Het risico van opwarming is nog groter in gebouwen met een verhoogd temperatuurregime zoals bejaardenhuizen en verzorgingshuizen.

Aan de gestelde eis uit NEN 1006 (NEN, 2002-2008) kan alleen worden voldaan als hiermee al in een vroeg stadium van het bouwproces rekening wordt gehouden. Te vaak komen adviseurs, installateurs en (bouwkundige) aannemers in latere fasen van het bouwproces in situaties terecht waarin het oplossen van het probleem niet, of slechts nog tegen zeer hoge kosten mogelijk is. Wanneer aan deze eis in de ontwerpfase is voldaan, resteert echter nog het probleem van de controle op uitvoering en beheer van de leidingwaterinstallatie in latere fasen.
Dit alles pleit voor een integrale benadering waarbij alle betrokken partijen uit zowel de bouw- als de installatiebranche met elkaar in gesprek gaan, om afstemming te bereiken over nieuwe ontwerp- en uitvoeringsrichtlijnen.

1.2 Doelstelling

Deze ISSO-SBR-publicatie beoogt ontwerpers, bouwers, installateurs en gebouwbeheerders op een overzichtelijke manier een handreiking te bieden voor het realiseren van hotspotvrije leidingwaterinstallaties. Samen met andere aspecten in ontwerp en uitvoering draagt een hotspotvrije leidingwaterinstallatie bij aan de realisatie van een legionellaveilige woning.
De publicatie moet dienen als een praktisch hulpmiddel voor alle partijen die betrokken zijn bij de bouw van nieuwe woningen. Zij biedt modeloplossingen voor veelvoorkomende situaties waarbij hotspots kunnen ontstaan.

1.3 Doelgroep

De publicatie is gericht aan alle partijen die betrokken zijn bij het ontwerpen, bouwen en realiseren van gebouwen, te weten: architecten, installateurs, adviseurs, bouwbedrijven, projectontwikkelaars, opdrachtgevers en leveranciers.

1.4 Uitgangspunten

Voorkómen van hotspots
Het belangrijkste uitgangspunt van de modeloplossingen is dat ongewenste opwarming van leidingwater wordt vermeden. Hierbij gelden de richtlijnen uit de ISSO-publicatie 30.5 LegionellaCode voor Woninginstallaties (ISSO, 2008).

Waterzones
De modeloplossingen gaan uit van verschillende situaties:

  1. water- en verwarmingsleidingen in de dekvloeren;
  2. water- en verwarmingsleidingen in de plafonds;
  3. waterleidingen in dekvloeren en verwarmingsleidingen in de plafonds, of omgekeerd.

De concepten zijn gebaseerd op het creëren van waterzones. In de ontwerpfase wordt de waterzone bepaald, de zone waarin de waterleidingen worden getekend. In de eerste twee situaties worden de water- en verwarmingsleidingen in hetzelfde vlak aangelegd. De waterleidingen worden in een koele strook gelegd om kruisingen te voorkomen en minimale afstanden tussen water- en verwarmingsleidingen te waarborgen.
In de derde situatie worden water- en verwarmingsleidingen in verschillende vlakken aangelegd. De gehele vloer of het hele plafond is dan een koel vlak. Voordat de dekvloer wordt gestort en het plafond wordt gesloten kan het leidingverloop van zowel de leidingwater- als de cv-installatie gecontroleerd worden op het niet voorkomen van kruisingen en op minimale afstanden tussen water- en verwarmingsleidingen.

Woningtypen
Modeloplossingen worden geboden voor veelvoorkomende woningtypen:

  • tussenwoning;
  • galerijwoning;
  • portiekwoning;
  • appartement;
  • vrijstaande woning.

Bij een groot deel van de woningplattegronden dienden de Referentiewoningen Nieuwbouw van Agentschap NL (Agentschap NL, 2006) als onderlegger. De plattegronden van Agentschap NL (voorheen SenterNovem) zijn - waar nodig - aangepast om de leidingconcepten te ondersteunen. Daarnaast zijn er enkele plattegronden gebruikt uit de renovatiepraktijk. Deze plattegronden zijn niet standaard. Ze bieden oplossingen voor ingewikkelder situaties.

Verwarmingssystemen
De modeloplossingen zijn toegespitst op radiatorenverwarming omdat daar met waterzones moet worden gewerkt. Oplossingen voor vloerverwarming worden in de vorm van algemeen geldende aanbevelingen gegeven. Daarnaast wordt kort ingegaan op het systeem van betonkernactivering.

Distributie
In Nederland wordt onderscheid gemaakt in:

  • verwarming door gasdistributie (individuele cv-ketel);
  • verwarming door warmtedistributie (blok- of stadsverwarming).

Voor oplossingen met verwarming door warmtedistributie in gestapelde bouw worden aanvullende aanbevelingen gedaan.

Voor het transport van de warmte naar de radiatoren is uitgegaan van de toepassing van een tweepijpssysteem:

  • met cv-verdelers;
  • zonder cv-verdelers.

Woonzorgcomplexen
Er worden ook modeloplossingen geboden voor de leidingwaterinstallatie van woningen in woonzorgcomplexen. De (bejaarden)woning in dit soort gebouwen wordt niet als een apart woningtype beschouwd. Er wordt wel rekening gehouden met een verhoogd temperatuurregime. Hiervoor gelden de minimale ontwerpbinnentemperaturen uit ISSO-publicatie 51 (ISSO, 2003).

1.5 Opzet van de publicatie

Na een overzicht van de wettelijke eisen en technische voorschriften wordt het ontwerp-, bouw- en installatieconcept op hoofdlijnen uiteengezet in hoofdstuk 3. De organisatie van het concept waterzones wordt in hoofdstuk 4 besproken, samen met de belangrijkste handelingen per fase. De organisatie valt uiteen in een ontwerp-, uitwerkings-, en realisatiefase. In de hoofdstukken 5, 6 en 7 wordt elke afzonderlijke fase uitvoerig uiteengezet en begeleid met modeloplossingen. In hoofdstuk 8 wordt nader ingegaan op mogelijke problemen en uitwerkingen bij verwarming door warmtedistributie.
In de publicatie wordt veelvuldig verwezen naar tabellen uit de ISSO-publicatie 30.5 (LegionellaCode voor Woninginstallaties) (ISSO, 2008). In deze tabellen kan voor toepassing van radiatoren- en vloerverwarming onder meer worden afgelezen wat de minimale afstand moet bedragen tussen water- en verwarmingsleidingen. In 2011 wordt de ISSO-publicatie 30.5 herzien en wordt hierin ook de tabel opgenomen met minimumafstanden tussen leidingen in plafonds. De tabellen zijn opgenomen in de bijlagen. Daarin bevindt zich ook een samenvatting van het onderzoek dat voorafging aan deze publicatie, en enkele voorbeelden van bestekteksten.