0

publicatie: ISIAQ-richtlijn onderzoek binnenluchtkwaliteit klachten

1 Inleiding

1 Inleiding

Steeds meer gebruikers van gebouwen hebben gezondheidsproblemen die ze toeschrijven aan de kwaliteit van de binnenlucht. Het gebouw waarin ze werken zou ‘ziek’ zijn.
Wanneer er sprake is van binnenluchtkwaliteit klachten, is er een systematische aanpak nodig, gebaseerd op de huidige wetenschap en gezond verstand.
Deze richtlijn biedt een praktisch raamwerk voor het onderzoeken van gebouwgerelateerde (gezondheids)klachten en is een hulpmiddel bij het aantonen van een eventuele relatie tussen klachten en tekortkomingen aan gebouw, klimaatinstallatie of ventilatiesysteem.

Voorgeschiedenis
In maart 1993 heeft ISIAQ (International Society for Indoor Air Quality and Climate) een commissie ingesteld (ISIAQ task force II), onder leiding van Ed Light en Jan Sundell, die tot doel had een richtlijn op te stellen voor het onderzoeken van ‘IAQ-problems’ oftewel binnenluchtkwaliteit problemen. Zo’n twintig binnenmilieuspecialisten uit met name Noord-Amerika en Europa namen zitting in de commissie.
Aanleiding voor het instellen van de ISIAQ-commissie was de constatering dat wetenschappelijke informatie over de oorzaken van binnenluchtkwaliteit klachten internationaal wel goed gedeeld wordt, maar dat de kennis over hoe je probleemgebouwen dient te onderzoeken, niet wijdverspreid is. De commissie stelde zich tot doel om een eenduidig protocol te ontwikkelen dat in principe wereldwijd te gebruiken is voor het onderzoeken van gebouwen met een binnenluchtkwaliteit waarover klachten bestaan.

In 1998 werd het eindresultaat gepubliceerd in het Engels, onder de titel: ‘General principles for the investigation of IAQ complaints’. In 2001 zorgde het bestuur van de Nederlandse afdeling van ISIAQ (ISIAQ.nl) voor een vertaling in het Nederlands.
In 2002 verleende ISIAQ.nl toestemming aan SBR/ISSO om de richtlijn uit te geven exclusief voor abonnees van het Praktijkboek Gezonde Gebouwen (in de serie Praktijkboek Gezonde Gebouwen).

Toepassing van de richtlijn
Hoewel de in dit document beschreven methoden in de meeste gebouwen kunnen worden toegepast, is dit document in de eerste plaats geschreven voor klachtenaanpak in de wat grotere, niet-industriële utiliteitsbouw, bijvoorbeeld in kantoren, gezondheidszorg- of schoolgebouwen. De gepresenteerde strategie is in beginsel geschikt voor een groot aantal klimaten, culturen en (typen) emissiebronnen.
De richtlijn kan goed gebruikt worden voor onderzoek in gebouwen met centrale luchtbehandeling (mechanische toevoer van verse lucht), maar ook bij het onderzoeken van klachten in gebouwen met natuurlijke luchttoevoer. De schrijvers van de richtlijn zijn ervan uitgegaan dat de onderzoeker flexibel genoeg is om de onderzoeksaanpak aan lokale omstandigheden en specifieke condities aan te passen.

Eerst moet informatie over de klachten en de staat van gebouwen in fasen worden verzameld, met steeds meer detail en focus. Vervolgens kunnen aan de hand van de methoden die deze richtlijn biedt, de primaire en/of secundaire oorzaken van klachten worden geïdentificeerd om vervolgens een aanvaardbare verklaring voor de klachten te bepalen.
Het gebruik van deze richtlijn kan een bijdrage leveren bij het vaststellen of juist uitsluiten van gebouwfactoren als onderliggende oorzaak van klachten van gebruikers van gebouwen. Tevens kan de richtlijn indien noodzakelijk een objectieve basis vormen voor het formuleren van aanbevelingen.
Deze richtlijn geeft aan wat een effectieve onderzoeksaanpak is bij binnenluchtkwaliteit problemen en hoe en wanneer bijvoorbeeld vragenlijsten (bij klachteninventarisatie) en checklists (bij gebouw- en installatie-inspecties) kunnen worden ingezet. Hij bevat echter geen (voorbeelden van) vragenlijsten en checklists. Die zijn te vinden in andere cahiers in de serie Praktijkboek Gezonde Gebouwen.

Referentiekader
Bij het vaststellen van de oorzaken van klachten bestaat vaak de behoefte om een gebouw ‘ziek’ of ‘gezond’ te verklaren. Dit kan met behulp van metingen of met vragenlijsten. Meetuitkomsten worden vergeleken met algemeen geldende criteria, bijvoorbeeld voor chemische en biologische stoffen in de lucht. Het is niet verstandig alleen vragenlijsten te gebruiken als basis voor het als ‘gezond’ of ‘ziek’ classificeren van een gebouw. Zo kan bijvoorbeeld een resultaat van minder dan 20% klachten een probleem van significante lokale blootstelling maskeren, terwijl een niveau van 40% klachten slechts een weergave kan zijn van waarnemingen in plaats van werkelijke gezondheidsproblemen. Bovendien kunnen algemene conclusies ten aanzien van de gebouwprestatie ontoereikend zijn om regelmatig terugkerende omstandigheden te kunnen herkennen als oorzaak van aan de binnenluchtkwaliteit verwante symptomen. Algemene conclusies richten dan onterecht de aandacht op factoren die helemaal geen klachten veroorzaken.

Doelgroep
Deze richtlijn is voor een zo breed mogelijk publiek opgesteld. In de eerste plaats is hij bedoeld als standaardprotocol voor gebouwonderzoek voor de professional die zich bezighoudt met onderzoek in gebouwen met binnenluchtkwaliteit problemen. Dit kan een arboadviseur, arbeidshygiënist, bedrijfsarts, werktuigbouwkundig of bouwfysisch adviseur, microbioloog, medisch milieukundige van een GGD of arbo- of dubocoördinator van de overheid of het bedrijfsleven zijn.
In de tweede plaats is de richtlijn bedoeld voor facility managers, gebouwbeheerders medewerkers van de technische dienst en ander intern personeel. Zij houden zich immers bezig met de meeste binnenluchtkwaliteit klachten die intern aangepakt worden. Ook zij zullen in dit document bruikbare informatie aantreffen voor een eerste aanpak van binnenluchtkwaliteit problemen.
Tevens vindt de facility manager of gebouwbeheerder in dit document algemene aanwijzingen over de wijze waarop en wanneer experts ingeschakeld moeten worden.

Hoewel dit document de nadruk legt op technische en arbeidshygiënische aspecten, moet niet uit het oog worden verloren dat ook een goede communicatie tussen de gebouwbeheerders en de gebruikers een kritische factor is bij het oplossen van binnenluchtkwaliteit problemen. Gebouwgebruikers moeten zo veel mogelijk de kans krijgen bij te dragen aan een binnenluchtkwaliteit onderzoek, en vervolgens moeten zij over de resultaten van het onderzoek worden geïnformeerd.