0

publicatie: Natuursteen afwerkvloeren

1 Programma van eisen

1 Programma van eisen

1.1 Ontwerpen en toetsen op basis van nauwkeurige eisen

Communicatie tussen bouwpartijen
Een natuursteenvloer levert optimale prestaties als deze zoveel mogelijk beantwoordt aan een van tevoren vastgesteld programma van eisen. Daarover moeten alle betrokkenen al in een vroeg stadium duidelijke afspraken maken: knelpunten zijn het beste van tevoren op te lossen, niet als de uitvoering eenmaal is begonnen en al helemaal niet nadat de opdrachtgever begint te klagen.

Het opstellen van een realistisch programma van eisen is moeilijk. Dat heeft verschillende redenen:

  • De opdrachtgever heeft hooggespannen verwachtingen over het uiterlijk, ook na verloop van tijd, waaraan misschien moeilijk is te voldoen.
  • Sommige eisen blijken niet met elkaar verenigbaar te zijn.
  • Sommige eisen zijn niet haalbaar binnen de krappe tijd en het krappe budget.
  • De vloer bestaat uit een aantal lagen die door verschillende partijen worden geleverd en niet goed op elkaar worden afgestemd.

Het opstellen van een goed programma van eisen begint met een nauwkeurige omschrijving van wat er op de vloer gaat gebeuren, en van de randvoorwaarden. Daaruit kunnen de eisen worden afgeleid: wat wordt precies van de vloer verwacht? Hoe beter deze eisen zijn omschreven, des te beter zijn de keuzen te maken voor de materialen en de vloeropbouw. In par. 1.2 en 1.3 worden de belangrijkste eisen toegelicht.

Eisen meetbaar maken
De opdrachtgever of gebruiker formuleert zijn eisen meestal in algemene bewoordingen. Ofwel: hij vertaalt het gebruik direct in 'functionele eisen'.

Over functionele eisen kan achteraf gemakkelijk discussie ontstaan. Daarom moeten de functionele eisen zo mogelijk worden vertaald in 'prestatie-eisen'. Die zijn per definitie toetsbaar. 'Toetsbaar' betekent dat er voor elke prestatie-eis een meetmethode met een bijbehorend toetsingscriterium beschikbaar moet zijn:

  • De meetmethode geeft aan hoe de betreffende eigenschap moet worden gemeten.
  • Het criterium geeft aan bij welke waarde de eigenschap voldoet, en bij welke niet.
Voorbeeld: functionele eis

De opdrachtgever van een winkelcentrum stelt als functionele eis dat de vloer 'voldoende vlak' moet zijn.

Voorbeeld: prestatie-eis

De functionele eis 'voldoende vlak' kan als volgt worden vertaald in prestatie-eisen:

  • Meetmethode: rei van 2 m lang (zie par. 1.3.8).
  • Criterium: het hoogteverschil tussen aangrenzende tegels mag hoogstens 1 mm bedragen, én de afwijking van de vlakheid over een afstand van 2 m maximaal +3 of -3 mm. (Deze waarden dienen hier alleen ter illustratie, niet als aanbeveling.)

Meetmethoden en criteria moeten bij voorkeur algemeen zijn aanvaard en/of zijn vastgelegd in normen e.d. Maar het staat de opdrachtgever en aanbieder vrij onderling afspraken te maken over andere meetmethoden en criteria.

Functionele eisen zijn niet altijd een-op-een te vertalen naar prestatie-eisen; uit een bepaalde functionele eis kunnen verschillende prestatie-eisen volgen.

Voorbeeld: eisen niet een-op-een vertalen

Een functionele eis aan 'comfort en veiligheid bij belopen' levert prestatie-eisen aan onder meer 'vlakheid'. Ook een functionele eis aan 'uiterlijk' levert prestatie-eisen aan onder meer 'vlakheid'. De prestatie-eis aan vlakheid komt dus voort uit verschillende functionele eisen; de zwaarste eis telt..

Sommige functionele eisen zijn goed te vertalen in prestatie-eisen, veel andere niet. Dit laatste is het geval als:

  • er geen meetmethode of criterium beschikbaar is;
  • het werkelijke gedrag van de vloer niet goed door de meetmethode wordt benaderd.
Voorbeelden: vertaling soms lastig
  • Om esthetische aspecten zoals glans en kleurschakeringen te toetsen, bestaan meetmethoden. Maar criteria zijn niet in de normen opgenomen.
  • De slipweerstand wordt volgens DIN 51130 gemeten in het laboratorium, op nieuw materiaal, onder vast omschreven omstandigheden. In de praktijk zijn de omstandigheden meestal anders (vocht op de vloer, andere soorten schoenzolen, slijtage van het tegelwerk). Er is dus wel een meetmethode, maar de uitkomsten zeggen niet alles over de werkelijke slipweerstand in de praktijk.

Figuur 1
Door de oppervlaktebewerking te variëren is hier een speels effect verkregen.

Wikken en wegen
De ene eis zal zwaarder wegen dan de andere. Het kan ook voorkomen dat eisen niet verenigbaar zijn. Dan moeten prioriteiten worden gesteld. Soms zijn oplossingen niet alleen te vinden in de vloer, maar ook in aanpassing van het gebruik.

Bestaat er vooraf een sterke voorkeur voor een bepaalde oplossing (bijvoorbeeld een soort natuursteen, of een vloeropbouw), dan moet alsnog een toetsing aan alle eisen volgen. Zo is na te gaan op welke punten de voorkeuroplossing (mogelijk) niet voldoet.

Voorbeelden
  • Goede en gemakkelijke reinigbaarheid kan strijdig zijn met een hoge slipweerstand: hoe stroever de vloer, des te moeilijker te reinigen. Een schoonloopmat bij de ingang kan een oplossing zijn. Er wordt dan minder vuil naar binnen gelopen, zodat reinigen ook minder vaak nodig is. Ook wordt minder water naar binnen gelopen, zodat een minder stroeve vloer volstaat.
  • Een natuursteenvloer is niet goed bestand tegen extreem hoge mechanische belastingen, zoals een regelmatige belasting door een palletwagen op stalen wielen, afgeladen met kopieerpapier. Vermijd zulke belastingen.

Afspraken maken
Het programma van eisen is niet alleen nodig om het ontwerp te sturen, maar vormt ook onderdeel van de overeenkomst. Bij oplevering en tijdens het gebruik dient het programma van eisen om te beoordelen of de vloer voldoet.

Leg alle afspraken vast in contractuele documenten. Ook latere veranderingen in het programma van eisen moeten goed worden vastgelegd, met redenen omkleed. Achteraf, in geval van specifieke problemen, is dan goed na te gaan welke partij voor wat aansprakelijk is.

Van normen, publicaties, e.d. waarnaar wordt verwezen, moeten alle relevante gegevens (zoals titel, jaar van uitgave, e.d.) in de overeenkomst worden vermeld.

In het algemeen wordt een bepaling pas een dwingende eis als partijen deze expliciet zijn overeengekomen. De criteria en meetmethoden waarmee eisen worden omschreven, kunnen worden overgenomen of afgeleid uit Europese, buitenlandse of nationale normen, richtlijnen, aanbevelingen, publicaties (waaronder deze handleiding), e.d.

Partijen kunnen ook zelf criteria en meetmethoden formuleren, bijvoorbeeld omdat er geen geschikte criteria en meetmethoden zijn, of om bestaande aan te vullen. Het is van groot belang dat deze afspraken maar op één manier kunnen worden uitgelegd. Dat is minder eenvoudig dan het lijkt.

Ook als de partijen geen expliciete afspraken maken, kunnen zij toch verplichtingen hebben. Behalve wat zij letterlijk zijn overeengekomen, telt namelijk ook wat normaal gangbaar is. Uit jurisprudentie blijkt dat een rechter zijn uitspraak baseert op bijvoorbeeld algemeen aanvaarde normen en richtlijnen, indien de partijen geen duidelijke afspraken hebben gemaakt.

Meer informatie over het maken van afspraken:

Hoofdstuk 7.

Daarnaast zijn er eisen die altijd van toepassing zijn, ook al zijn partijen ze niet overeengekomen. Dat geldt voor bepalingen in wetten en het Bouwbesluit (Nederland).

1.2 Functionele eisen, meetmethoden en criteria

Deze paragraaf geeft een checklist met eisen die op een vloer van toepassing kunnen zijn. Voor een specifieke vloer moet worden nagegaan welke eisen gelden, vervolgens moeten die worden vertaald in prestatie-eisen (zie ook par. 1.3). De Katernen geven daarvan voorbeelden.

Per eis is aangegeven welke normen, richtlijnen, e.d. beschikbaar zijn om de eis te vertalen in een prestatie-eis (meetmethode en criterium).
Van de verkorte literatuurverwijzingen (bijvoorbeeld SBR 485, TV 213) zijn de volledige titels opgenomen in de bijlagen 1 en 2.

Onderstaande eisen zijn alfabetisch geordend; de volgorde duidt dus niet op enig verschil in belang.

Bedrijfs- en gebruikszekerheid
Het is belangrijk dat er voldoende zekerheid is dat de vloer gedurende een vastgestelde periode voldoet aan de vooraf gestelde eisen. Doel is hinder voor het bedrijfsproces, of voor het gebruik tijdens vervanging of reparatie van de vloer, te vermijden of te beperken. Soms leidt hinder tot omzetderving.

Is een periodieke (plaatselijke) vervanging te voorzien, dan wordt aangeraden het betreffende deel met een bewegingsvoeg van de rest van de vloer af te zonderen.
Meetmethoden en criteria: niet omschreven in normen e.d.

Bestandheid tegen belopen en berijden (slijtage)
Het gaat hier om slijtage, dat wil zeggen materiaalverlies van het tegeloppervlak en/of het zichtbare effect daarvan, zoals glansverlies. Dit ontstaat door belopen of berijden, al dan niet in combinatie met schurende stoffen. Slijtage speelt vooral bij de gebouwtoegang en op plaatsen waar het verkeer zich concentreert, in combinatie met de aanwezigheid van zand. Zie ook par. 2.3.
Meetmethoden en criteria: NEN 2874, NEN 2875, EN-ISO 10545-7, NBN B 27.011, NBN B15-223, NBN B15-240, prEN 12808-2.

Meer informatie over prestatie-eisen (slijtage):

par. 1.3.6.

Bestandheid tegen berijden, trillingen, e.d. (dynamische belastingen)
Denk aan schade door voertuigen, palletwagentjes, rollende biervaten, schrob-zuigmachine, bureaustoelen op wieltjes en de waterstraal van hogedrukreinigingsapparatuur.

Wielpassages
Berijden met zware lasten op wielen veroorzaakt dynamische belastingen, vergelijkbaar met vallende voorwerpen. Deze belastingen ontstaan op oneffenheden, zoals voegen of reliëf in het vloeroppervlak (zie figuur 2). De belasting is groter naarmate de oneffenheden groter zijn en de wieltjes kleiner, harder en zwaarder belast.

Figuur 2
Risico bij wielbelasting.

Stalen wielen worden sterk afgeraden. Uit een studie door het LGA blijkt dat een stalen wiel een 80 tot 100 maal hogere drukspanning op de tegel veroorzaakt dan een luchtband. Bij wielen met een polyamide loopvlak is deze drukspanning slechts 10 tot 20 maal zo hoog. Meetmethoden en criteria: er bestaat geen Nederlandse, Belgische of Europese genormaliseerde proef om de dynamische belastingen door wielpassages te meten. Wel bruikbaar is een proef die deel uitmaakt van de in België gebruikte UPEC-systematiek (zie par. 1.4). Criteria zijn niet omschreven in normen e.d.

Stuurbewegingen
Stuurbewegingen bij lage snelheid of stilstand, vooral van zwenkwielen, veroorzaken grote wringkrachten. Mogelijk schadebeeld: afgebroken tegelranden, tegelbreuk of beschadiging van het tegeloppervlak.
Meetmethoden en criteria: niet nader omschreven in normen.

Hogedrukapparatuur
De belasting door hogedrukapparatuur kan hoog oplopen. Deze hangt niet alleen af van de druk, maar ook van de vorm van de waterstraal, de afstand tot de vloer en of de waterstraal pulserend of continu is. Door de hoge druk kunnen zachtere steensoorten en voegen worden beschadigd. Bepaal zo nodig proefondervindelijk of deze bestand zijn tegen deze wijze van reinigen.
Meetmethoden en criteria: EN 12002, EN 1324, EN 1348, EN 1926, TV 213.

Meer informatie over prestatie-eisen (vlakheid):

par. 1.3.8.

Bestandheid tegen biologische belastingen
Denk aan aantasting door levende organismen, zoals bacteriën, schimmels en ongedierte.
Meetmethoden en criteria: niet omschreven in normen e.d.

Bestandheid tegen calamiteiten (schokbelasting)
Denk aan vallende voorwerpen, zoals flessen, gereedschap, e.d.
Meetmethoden en criteria: TV 205, TV 213, prEN 14158, EN-ISO 10545-5, NBN B 27.005, NBN B 27.011.

Bestandheid tegen chemicaliën en vlekkende stoffen
De eisen hangen af van het soort chemicaliën en/of vlekkende stoffen, de concentratie, de temperatuur, de inwerkingsduur en de mate van verversing (een beperkte hoeveelheid is na zekere tijd 'uitgewerkt'). De eisen gelden ook voor de bewegingsvoegen en andere materialen die in de vloer zijn opgenomen of daaraan grenzen.

Natuursteenvloeren staan in de regel niet bloot aan een zware chemische belasting, al lenen sommige stenen zich daar wel voor. Incidentele chemische belastingen zijn meestal wel te verwachten, bijvoorbeeld door reinigings- en onderhoudsproducten, het morsen van azijn of het verwijderen van cementsluier. Dat kan vlekvorming, verkleuring of degradatie van het oppervlak veroorzaken. Het is moeilijk aan te geven wat wel en wat niet tot problemen leidt. Dat komt door het grote aantal variabelen: er zijn vele chemische stoffen en vele steensoorten. De mineralen waaruit een steensoort is opgebouwd, kunnen elk anders reageren.

Het verdient aanbeveling om de gevolgen van chemische belastingen te testen op zowel een tegel, verharde voegspecie als bewegingsvoegprofielen, kitrupsen, e.d. Tabel 8 geeft een indicatie van de bestandheid van natuursteen tegen chemicaliën.
Meetmethoden en criteria: EN 12370, prEN 13919, prEN 14147, EN-ISO 10545-13, EN 12808-1.

Bestandheid tegen fysische belastingen
Denk aan warmte, vocht, koude (zoals bij buitenterrassen), vloerverwarming, cv-leidingen en reiniging met heet water. Denk ook aan snelle wisselingen, bijvoorbeeld door elektrische vloerverwarming of een onweersbui op een terras na een zomerdag.

Vorstbestendigheid
Het uiterlijk van de steen en de porositeit zeggen weinig over de vorstbestendigheid van een natuursteen. In het algemeen is voor vloeren een minimale temperatuur van -20°C een realistische aanname. Oorzaak van het optreden van vorstschade is niet zozeer de koude, maar wisselingen tussen vorst en dooi. In onze winters komen die vaak voor, en voltrekken zich vaak snel. Dat maakt de vorstbelasting in verhouding tot andere landen hoog. Daarom wordt aangeraden praktijkervaring met een steen in het buitenland kritisch te beoordelen. Dat geldt ook voor buitenlandse testresultaten, omdat de testmethoden niet uniform, en zeker in Zuid-Europa minder streng zijn. Voor het bepalen van de vorstbestendigheid gebruikt men in Nederland NEN 2872 en in België NBN B 27.009. Een Europese norm is in ontwikkeling (pr EN 12371).

Bevriezing met vloeibare stikstof
Het verwijderen van kauwgom door bevriezing met vloeibare stikstof veroorzaakt een grote temperatuurschok. Partijen wordt aangeraden afspraken te maken over aansprakelijkheid in geval van schade.

Bezonning van buitenvloeren
De opwarming door bezonning wordt bepaald door de ligging van de vloer ten opzichte van zon en schaduw, kleur en de glansgraad van de tegels, en de opbouw van de vloer. Hoe donkerder de kleur en hoe minder de glans, des te warmer de tegel wordt (het licht wordt immers minder gereflecteerd). Vloerisolatie, zoals bij een dakterras, doet de temperatuur van de natuursteenafwerking oplopen doordat aan de onderzijde minder warmte wordt afgegeven. Exacte gegevens van natuursteenvloeren zijn niet beschikbaar. In het algemeen is voor vloeren een maximale temperatuur van 60°C een realistische aanname.

Hoge temperaturen bij binnenvloeren
Bij binnenvloeren is het maximale temperatuursverschil in de regel beduidend lager dan bij buitenvloeren. Denk aan (plaatselijke) opwarming door bezonning (bij grote raamopeningen, daklichten, serres, e.d. zie figuur 3), vloerverwarming en cv-doorvoeren.
Meetmethoden en criteria: prEN 12371, EN-ISO 10545-8, NBN B27.009, NBN B 27.011, TV 205, NEN 2872, prEN 14066, EN 1925.

Figuur 3
Lichtinval door daklicht.

Bestandheid tegen schuivende lasten
Denk aan het regelmatig schuiven met meubels, kratten of zakken bij bevoorrading in combinatie met schurende stoffen zoals zand, maar ook aan het incidenteel verschuiven van kasten, apparatuur en stellingen. Een hoogteverschil tussen aangrenzende tegels maakt de tegelrand extra kwetsbaar en bemoeilijkt het schuiven. Zie ook par. 1.3.8.
Meetmethoden en criteria: NEN 2874, NEN 2873, EN-ISO 10545-7, NBN B 15.223, NBN B 15.240.

Bestandheid tegen statische belastingen
Denk aan puntlasten door kasten, apparatuur en stellingen.
Meetmethoden en criteria: EN 12372, prEN 13161, EN 1341, EN 1926, prEN 12808-3.

Bijzondere gebruikseisen
Denk aan blootsvoets lopen, routeherkenning voor slechtzienden en blinden (kleur, contrast, profiel, e.d.), sportbeoefening.
Meetmethoden en criteria: niet omschreven in EN-normen, DIN 51097, ZH1/571.

Bouwhoogte
Onder bouwhoogte wordt verstaan: de afstand van de bovenkant van de ondergrond (dekvloer, druklaag of draagvloer) tot de bovenkant van de natuursteenvloer.

Al in de ontwerpfase moet rekening worden gehouden met de hoogte die nodig is voor de gekozen opbouw. Elke opbouw heeft een technisch minimale en vaak ook maximale bouwhoogte (zie par. 3.5 en 3.6). Is er te weinig bouwhoogte beschikbaar, dan wordt de dikte van de hechtlaag of tegels soms verkleind. Dit kan echter nadelige gevolgen hebben voor de prestaties van de vloer, vooral voor de vlakheid en de kans op schade. Vloervelden met een verschillende bouwhoogte moeten worden gescheiden door een bewegingsvoeg in de afwerklagen.

Eisen aan de afwerkhoogte (peil) kunnen beperkingen opleggen aan de bouwhoogte, het afschot en aan de waterkering van de afwerklagen. Stel prioriteiten in geval van conflicterende eisen.
Meetmethoden en criteria: niet nader omschreven in normen.

Comfort bij berijden
Bij berijden met materieel kan onvoldoende vlakheid (hoogteverschillen tussen aangrenzende tegels, profilering van het oppervlak) hinder veroorzaken. Het comfort kan betrekking hebben op de lading of berijder (schokken) en de omstanders (geluidshinder, bijvoorbeeld door winkelwagentjes of koffers op wieltjes). Zie ook de eis Geluidshinder.

Bij deuren, trappen, liften, aansluitende vloeren, e.d. mogen in de regel geen niveauverschillen voorkomen.
Meetmethoden en criteria: prEN 13373, TV 213

Meer informatie over prestatie-eisen:

(vlakheid) par. 1.3.8, (slipweerstand) par. 1.3.5.

Comfort en veiligheid bij belopen
Belangrijke prestatie-eisen bij deze functionele eis zijn de slipweerstand (uitglijden) en vlakheid (struikelen). Dit laatste is vooral van belang bij voegovergangen en ruwe oppervlaktebewerkingen. Bij grote en plotselinge verschillen in oppervlakteruwheid of het type vloerbedekking is de kans op uitglijden groter, bijvoorbeeld bij een overgang van tapijt naar natuursteenvloer.

Bij trappen, liften, aansluitende vloeren, e.d. mogen in de regel geen niveauverschillen voorkomen. Onvermijdelijke hoogteverschillen dienen bij voorkeur geaccentueerd te worden, bijvoorbeeld door verlichting of een contrasterende kleurstelling.
Meetmethoden en criteria: EN 1341, prEN 13373, DIN 51097, DIN 51130, GUV 26.17, ZH1/571.

Meer informatie over prestatie-eisen:

(vlakheid) par. 1.3.8, (slipweerstand) par. 1.3.5.

Geluidshinder
Geluidshinder en het voorkomen daarvan is een bijzonder complex onderwerp. Aangeraden wordt bij ontwerp en uitvoering een specialist te betrekken.

De vloerafwerking heeft invloed op verschillende vormen van geluidshinder:

  • Contactgeluid. Hierbij wordt de vloer direct in trilling gebracht door het gebruik zoals lopen op schoenen, schuiven met meubelen, spelen van kinderen, berijden met harde wielen of rollen van harde voorwerpen op een onvlakke vloer. Deze trillingen verplaatsen zich via de constructie (vloeren en wanden), ook over grote afstand, en brengen vervolgens de lucht in andere ruimten in trilling. De luchttrillingen worden daar als geluid waargenomen. De invloed van de vloerafwerking en vloeropbouw op de overdracht van contactgeluiden is tamelijk groot; aan de vloer moeten zo nodig (strenge) prestatie-eisen worden gesteld.
  • Luchtgeluid. Overdracht van luchtgeluid naar een andere ruimte. De vloerafwerking heeft hierop een beperkte invloed; aan de vloer worden in de regel geen prestatie-eisen gesteld.
  • Geluidsoverlast in de ruimte zelf door belopen, berijden of schuiven. Denk bijvoorbeeld aan schoenen met harde hakken, een rolkoffer op een ruwe vloer of winkelwagentjes op een onvlakke vloer. De invloed van de vloerafwerking op het ontstaan van zulk geluid is groot; aan de vloer moeten zo nodig prestatie-eisen worden gesteld. Denk vooral aan de oneffenheid (ruwheid) en vlakheid van de vloer en de inbedding van de tegels (zie par. 5.4). Ook kunnen eisen aan het gebruik worden gesteld, bijvoorbeeld door alleen wieltjes te gebruiken met een zacht loopvlak.
  • Een harde vloerafwerking kan een langere nagalmtijd veroorzaken; de ruimte klinkt 'hol'.

In de praktijk ontstaat de meeste hinder door contactgeluid bij woningscheidende vloeren (dus tussen appartementen).
Meetmethoden en criteria: NEN 1070, NEN 5077, NPR 5070, NPR 5079, NEN-EN-ISO 140-6, NEN-EN-ISO 140-7, NEN-EN-ISO 140-8, NEN-EN-ISO 717-2, NBN S01-008, NBN S01-016, NBN S 01-400, Bouwbesluit (Nederland), TV 189.

Meer informatie over prestatie-eisen:

(contactgeluid) par. 1.3.3, (vlakheid) par. 1.3.8.

Kosten
Hierbij gaat het om investerings-, exploitatie- en sloopkosten, en vooral het verband daartussen. Een kleine meerinvestering kan soms in de exploitatie ruimschoots worden terugverdiend.
Meetmethoden en criteria: niet omschreven in normen e.d.

Let op

Natuursteen heeft over het algemeen een lange levensduur en een tijdloze uitstraling. Deze eigenschappen dienen bij de beoordeling van de kosten een rol te spelen.

Milieueffecten
Hierbij telt de milieubelasting bij de winning en bewerking van natuursteen, bij de bouw (beperking van bouwafval), bij de exploitatie (lange levensduur), bij het uitlogen van schadelijke stoffen (uit buitenvloeren) en bij de sloop (afvalscheiding en hergebruik), alsook de mogelijkheid tot reinigbaarheid met milde middelen.

Over de milieubelasting van materialen is nog geen gedetailleerde informatie beschikbaar. Het Nederlandse Nationaal Pakket Duurzaam Bouwen (de delen Woningbouw en Utiliteitsbouw) doet wel aanbevelingen voor het materiaalgebruik. In Nederland is verdere milieuregelgeving voor bouwmaterialen in ontwikkeling.

Het Bouwstoffenbesluit stelt in Nederland eisen aan het uitlooggedrag van verschillende bouwstoffen, zoals natuursteen, die buiten worden toegepast.
Meetmethoden en criteria: Milieu Relevante Product Informatie (MRPI) (Nederland), Bouwbesluit (Nederland), Nationaal pakket Duurzaam bouwen (Nederland), Bouwstoffenbesluit (Nederland).

Meer informatie over prestatie-eisen:
  • (Bouwstoffenbesluit) par. 1.3.2,
  • (Duurzaam bouwen) par. 1.3.4.

Reinheid (bacteriologisch)
Voor de veiligheid van voedsel tijdens transport, opslag, behandeling, verkoop, e.d. wordt in Nederland onder meer de HACCP gehanteerd. Afhankelijk van de producten en afwerkingen worden daarin eisen gesteld. Deze eisen zijn niet specifiek uitgewerkt voor de vloer. In het algemeen is de reinigbaarheid belangrijk, waarbij wordt gelet op de afwezigheid van scheuren, oppervlakteruwheid en moeilijk toegankelijke plekken zoals haakse binnenhoeken.
Meetmethoden en criteria: HACCP, ISO 846.

Reinheid (optisch)
Hierbij gaat het erom in hoeverre de vloer op het oog een schone indruk maakt. Dit hangt af van de zichtbaarheid van vervuiling (die op zijn beurt afhangt van de kleur, zichtbare structuur, glans, e.d.), de hechting van vuil en de reinigbaarheid van de vloer, en van de methode en frequentie van het reinigen. Zie ook par. 2.3 en hoofdstuk 6.
Meetmethoden en criteria: EN-ISO 10545-14, ISO 10545-16.

Thermisch comfort
Het thermisch comfort van een vloer wordt bepaald door de zogenaamde contacttemperatuur. Deze hangt onder meer af van de oppervlaktetemperatuur van de vloer en de snelheid waarmee warmte bij contact wordt overgedragen. Zonder vloerverwarming wordt natuursteen meestal als koel ervaren. Om gezwollen voeten te voorkomen, stelt TV 179 dat de oppervlaktetemperatuur in de woonzone hoogstens 29°C mag bedragen. Aangeraden wordt deze eis ook in Nederland overeen te komen. Zie ook par. 3.7 en par. 5.9.
Meetmethoden en criteria: prEN 12667, NEN 1264 en TV 179.

Figuur 4
Door materialen te combineren kan een verrassend geheel worden verkregen.

Uiterlijk van de vloer
De opdrachtgever heeft meestal duidelijke en hoge verwachtingen, maar deze zijn moeilijk of niet te vertalen in prestatie-eisen (zie ook par. 1.2). Dat geldt vooral voor het uiterlijk na verloop van tijd. In plaats daarvan worden wel technische eisen gesteld aan bijvoorbeeld de slijtweerstand, maar het is niet altijd duidelijk in hoeverre zo'n technische eigenschap iets zegt over het uiterlijk na verloop van tijd (zie par. 1.3.6 en par. 2.3.1).

Bij een nieuwe vloer wordt het uiterlijk van de vloer bepaald door:

  • Het uiterlijk van de steen zelf, en variaties daarin. Glans-, kleur- of tintverschillen, insluitingen, aderingen, haarscheurtjes, putjes en dergelijke kunnen voorkomen; bij de ene steensoort meer dan bij de andere (zie par. 2.1, par. 2.2.8 en par. 5.4).
  • De oppervlaktebewerking (zie par. 2.2.2).
  • Vloeropbouw en detaillering, bijvoorbeeld het legpatroon, kleur en breedte van de voegen, en waterafvoer bij waterbelaste vloeren (zie par. 1.3 en de hoofdstukken 3 en 4).
  • Vakkundigheid bij de verwerking, bijvoorbeeld de vlakheid van de vloer, de rechtheid van de voegen (zie par. 1.3), de verdeling van kleurnuances in tegels over het oppervlak (zie par. 5.4) en de bouwschoonmaak (zie par. 5.8). Maar ook het voorkomen van uitbloeiingen, schilferingen, verkleuringen en vlekken (zie par. 2.2.7, par. 3.4.2 en par. 5.4).

Na verloop van tijd wordt het uiterlijk verder bepaald door:

  • Een juiste vloeropbouw en detaillering, en vakkundigheid bij de verwerking (zie boven). Deze laten zich gedurende de hele levensduur van de vloer gelden.
  • De bestandheid tegen de gebruiksbelastingen. Die kunnen van allerlei aard zijn: mechanisch, chemisch, fysisch, e.d. Deze bestandheid wordt gespecificeerd in een groot aantal functionele eisen in deze paragraaf.
  • Het onderhoud, dat wil zeggen de onderhoudsmethode en -frequentie en de gebruikte beschermings- en reinigingsmiddelen (zie hoofdstuk 6).

Meetmethoden en criteria: prEN 13373, prEN 12057, prEN 12058, EN 1341, ISO 10545-16, TV 213, NEN 530, NEN 531, NEN 532.

Meer informatie over prestatie-eisen:

(slijtage) par. 1.3.6, (Uiterlijk: glans, kleur, uiterlijk steen, etc.) par. 1.3.7, (vlakheid) par. 1.3.8, (voegen: breedte) par. 1.3.9, (voegen: kleur) par. 1.3.10 en (voegen: rechtheid) par. 1.3.11.

Uitvoering: arbeidsomstandigheden voor de verwerkers
Wettelijke Arbo-richtlijnen of richtlijnen over veiligheid en gezondheid, lawaai, stof, trillingen, werkhouding, giftige stoffen.
Meetmethoden en criteria:

  • (Nederland:) Arbeidsomstandighedenwet (Arbo-wet), Arbo-besluit, AI-bladen (voorheen P-bladen), PISA.
  • (België:) NAVB-bladen, TV 137.
Meer informatie over prestatie-eisen (Arbo):

par. 1.3.1.

Uitvoering: duur
Niet alleen van belang bij nieuwbouw, maar juist ook bij onderhoudswerk, wanneer de uitvoering het gebruik ernstig hindert of omzetderving veroorzaakt. De uitvoeringsduur is bij reparaties en renovaties te beperken door de inzet van speciale 'snelle' hechtings- en voegmaterialen. Vanzelfsprekend dienen ook daarbij minimale verhardingstijden e.d. in acht te worden genomen. 'Snelle' materialen kunnen nadelen hebben (hogere krimp, hogere prijs), die goed tegen het voordeel van een hogere snelheid moeten worden afgewogen.
Meetmethoden en criteria: niet omschreven in normen e.d.

Uitvoering: hinder voor gebruikers en gebruiksproces
Te omschrijven in eisen aan de fasering, maximaal beschikbare ruimte voor opslag en transport, maximaal toelaatbare geluidshinder, stofontwikkeling, hinderlijke stoffen, e.d.
Meetmethoden en criteria: niet omschreven in normen e.d.

Uitvoering: invloed van de omgeving
Hoge of lage temperaturen (nachtvorst), hoge of lage vochtigheid, wind, tocht, bezonning, e.d. tijdens de uitvoering kunnen het nodig maken het materiaal aan te passen (specie, lijmen, voegmaterialen, e.d.). Soms kunnen de uitvoeringscondities worden aangepast om de toepassing van materialen mogelijk te maken, zoals extra ventileren, afdekken, verwarmen. Op productinformatiebladen e.d. zijn de eisen te vinden die leveranciers stellen.
Meetmethoden en criteria: niet omschreven in normen e.d.

Uitvoering: beperkingen bij transport en opslag
Hierbij gaat het om beperkingen voor de uitvoering, zoals de mogelijkheden voor transport en opslag van materialen op het werk, vrije hoogten bij transport en uitvoering, en maximaal toelaatbare belastingen in liften en op vloeren.
Meetmethoden en criteria: niet omschreven in normen e.d.

Veranderingen in het gebruik
Soms zijn veranderingen in het gebruik of een uitbreiding van het vloeroppervlak te voorzien. Dan kan hiermee rekening worden gehouden bij de materiaalkeuze, detaillering, vloeropbouw, het verloop van leidingen en vloerverwarming. Voor een voorziene uitbreiding en reparaties zijn extra tegels uit dezelfde partij achter de hand te houden. Is er door slijtage een te groot verschil in uiterlijk tussen de oude en nieuwe tegels, dan kan schuren in het werk een oplossing bieden (zie par. 6.8.1).
Meetmethoden en criteria: niet omschreven in normen e.d.

Vloeistofafvoerend vermogen (water)
Het afvoerend vermogen hangt af van het afschot, van de vlakheid van de vloer, van de ruwheid en poriën van het tegeloppervlak, van de voegdiepte, van de aanwezigheid en vorm van goten en putten, en van vervuilingen. Hoe groot het afvoerend vermogen moet zijn, hangt af van het wateraanbod en de eisen aan veilige begaanbaarheid. Vaak is voorgeschreven dat er geen stagnatie mag zijn, afhankelijk van oppervlakteruwheid en afschot. Bij een regelmatige en/of langdurige waterbelasting kan natuursteen er lang vochtig (donkerder) uitzien. Bovendien neemt dan ook de kans op blijvende verkleuringen toe.

Eisen aan de afwerkhoogte (peil) kunnen beperkingen opleggen aan de bouwhoogte, het afschot en aan de waterkering van de afwerklagen. Stel prioriteiten in geval van conflicterende eisen.

In aanvulling op bovenstaande geldt voor een buitenvloer het volgende. Leg de vloer bij voorkeur hoger dan het eventueel naastgelegen maaiveld. Houd daarbij rekening met het afschot van de vloer. Dat voorkomt dat (vervuild) water via het maaiveld op het terras kan komen. Vooral lichtgekleurde steensoorten kunnen daardoor verkleuren.

Meer informatie over prestatie-eisen:

(vlakheid) par. 1.3.8, (slipweerstand) 1.3.5.

De afwerkhoogte kan eventueel gelijk worden gehouden met het maaiveld; de aansluiting moet dan wel goed worden gedetailleerd (zie par. 4.7).

Zie ook de eis Comfort en veiligheid bij belopen en par. 2.2.7.
Meetmethoden en criteria: TV 137, TV 196.

Vloeistofdichtheid (water)
In veel gevallen mag water niet in de constructie dringen, omdat het daar schade kan veroorzaken. Een natuursteenvloer is niet waterdicht (of vochtdicht), ook niet wanneer deze met een impregneer of coating (par. 6.2) is behandeld of op een folie (par. 2.8.2) is geplaatst. Maar volledige dichtheid is zelden noodzakelijk. Wanneer dat toch nodig is, moet een waterdichte laag in de vloer worden opgenomen (zie par. 2.8.3 en par. 3.8.3).

Eisen aan de afwerkhoogte (peil) kunnen beperkingen opleggen aan de bouwhoogte, het afschot en aan de waterkering van de afwerklagen. Stel prioriteiten in geval van conflicterende eisen.
Meetmethoden en criteria: CUR 44, verder niet omschreven in normen e.d.

1.3 Enkele belangrijke prestatie-eisen nader bekeken

Prestatie-eisen moeten worden afgeleid uit functionele eisen (zie par. 1.1). Dit is geïllustreerd in tabel 1.

Onderstaande paragrafen zijn alfabetisch geordend; de volgorde duidt dus niet op enig verschil in belang.

Tabel 1
Voorbeelden van prestatie-eisen afgeleid uit functionele eisen.

functionele eis (zie par. 1.2) prestatie-eis
bestandheid tegen belopen en berijden (slijtage) slijtweerstand (zie par. 1.3.6)
bestandheid tegen berijden, trillingen, e.d. (dynamische belastingen) vlakheid van de vloer (zie par. 1.3.8)
voegen: breedte (zie par. 1.3.9)
bestandheid tegen schuivende lasten slijtweerstand (zie par. 1.3.6)
vlakheid van de vloer (zie par. 1.3.8)
voegen: breedte (zie par. 1.3.9)
comfort bij berijden slipweerstand (zie par. 1.3.5)
vlakheid van de vloer (zie par. 1.3.8)
comfort en veiligheid bij belopen slipweerstand (zie par. 1.3.5)
vlakheid van de vloer (zie par. 1.3.8)
voegen: breedte (zie par. 1.3.9)
geluidshinder contactgeluid (zie par. 1.3.3)
vlakheid van de vloer (zie par. 1.3.8)
voegen: breedte (zie par. 1.3.9)
milieueffecten bouwstoffenbesluit (zie par. 1.3.2)
duurzaam bouwen (zie par. 1.3.4)
reinheid (optisch) slipweerstand (zie par. 1.3.5)
vlakheid van de vloer (zie par. 1.3.8)
voegen: breedte (zie par. 1.3.9)
uiterlijk (van de vloer) slipweerstand (zie par. 1.3.5)
uiterlijk van de steen: glans, kleur, oppervlaktebewerking, e.d. (zie par. 1.3.7)
vlakheid van de vloer (zie par. 1.3.8)
voegen: breedte (zie par. 1.3.9)
voegen: kleur (zie par. 1.3.10)
voegen: rechtheid (zie par. 1.3.11)
uitvoering: arbeidsomstandigheden voor verwerkers arbeidsomstandigheden (zie par. 1.3.1)
vloeistofafvoerend vermogen (water) slipweerstand (zie par. 1.3.5)
vlakheid van de vloer (zie par. 1.3.8)

(Nederland:) Toegestane afwijking
(België) Tolerantie

Wat in Nederland wordt aangeduid met de term 'toegestane afwijking', wordt in België 'tolerantie' genoemd. Een afwijking of tolerantie kan betrekking hebben op alle eigenschappen: de afmeting, kleur, glans, e.d.

Maatafwijkingen worden in deze handleiding in principe als volgt genoteerd: 200 +2 of -3 mm. Het verschil tussen de grootste en kleinste waarde is dan 5 mm.

1.3.1 (Nederland:) Arbeidsomstandigheden

Prestatie-eisen aan de arbeidsomstandigheden worden grotendeels wettelijk opgelegd. Eventuele aanvullende eisen moeten worden afgeleid uit onder meer de functionele eisen 'uitvoering: arbeidsomstandigheden voor verwerkers' (zie par. 1.2).

Risico's
De lichamelijke belasting door ongunstige en vaak langdurige specifieke werkhoudingen en door tillen, vormen het grootste gezondheidsrisico bij het leggen van vloeren. Verder komen risico's voort uit lawaai en de blootstelling aan toxische (giftige) stoffen, bijvoorbeeld bij het gebruik van epoxyharsen, sommige kant-en-klaar lijmen, coatings en reinigingsmiddelen. Daarnaast kan cement allergische reacties veroorzaken.

De werkgever is verplicht het werk zo te organiseren en de werkplek zodanig in te richten dat de risico's voor werknemers worden beperkt tot een aanvaardbaar niveau. Als de werknemers meer risico lopen, moet de werkgever maatregelen nemen. Deze maatregelen beginnen bij de aanpak aan de bron en eindigen bij het ter beschikking stellen van persoonlijke beschermingsmiddelen (PBM). Voor de vloerenlegger zijn van belang:

  • kniebescherming;
  • handschoenen;
  • oogbescherming;
  • oorbescherming;
  • ademhalingsbescherming.

Arbo-wetgeving
De Nederlandse Arbo-wetgeving kent vier onderdelen:

  • De Arbeidsomstandighedenwet.
  • Het Arbo-besluit.
  • De Arbo-regeling.
  • De beleidsregels.

Arbeidsomstandighedenwet
In de Arbo-wet zijn de algemene rechten en plichten opgenomen. Zo verplicht deze wet bedrijven een Risico Inventarisatie en Evaluatie (RIE) op te stellen voor hun reguliere bedrijfsproces. De RIE is voor elk bedrijf de kern van het arbeidsomstandighedenbeleid.

Arbo-besluit
Aan de veiligheid en gezondheid op grote bouwplaatsen worden specifieke eisen gesteld. Deze eisen zijn opgenomen in het Arbo-besluit. Een van de eisen betreft het opstellen van een veiligheids- en gezondheidsplan (V&G-plan). Verantwoordelijk hiervoor is de coördinator die door de opdrachtgever moet worden aangesteld. Onderaannemers worden geacht voor hun eigen werkzaamheden een bijdrage te leveren aan dit V&G-plan.

Arbo-regeling en beleidsregels
De Arbo-regeling en beleidsregels bevatten geen relevante wetgeving voor bedrijven.

Voor een praktijkgerichte toelichting op de Arbo-wetgeving zijn AI-bladen (voorheen P-bladen) opgesteld. Het meest relevant zijn:
AI-1, AI-5, AI-1, AI-14.

PISA
Het PISA-systeem (Productgroep Informatie Systeem Arbouw) geeft aanwijzingen hoe met de verschillende producten veilig kan worden gewerkt. Productinformatiebladen en/of veiligheidsinformatiebladen van leveranciers kunnen daarover ook informatie geven.

1.3.2 (Nederland:) Bouwstoffenbesluit (Bsb)

Prestatie-eisen die het Bouwstoffenbesluit stelt, worden wettelijk opgelegd. Deze zijn afgeleid uit functionele eisen aan de milieueffecten (zie par. 1.2).

Sinds 1 januari 1999 stelt het Bouwstoffenbesluit (in Nederland) eisen aan het uitlogen van schadelijke stoffen uit bouwstoffen door regenwater. De overheid wil met deze maatregelen de milieubelasting van bodem-, grond- en oppervlaktewater terugdringen. Alle buitentoepassingen van natuursteen, zoals terrassen en bestratingen, moeten aan het Bsb voldoen.

De gebruiker of opdrachtgever is primair verantwoordelijk voor de naleving van het besluit.

Het Bouwstoffenbesluit brengt bouwstoffen onder in twee categorieën:

  • Categorie 1 - bouwstoffen. Deze mogen zonder milieubeschermende maatregelen worden toegepast.
  • Categorie 2 - bouwstoffen. Isolerende maatregelen zijn verplicht.

Bouwstoffen die niet tot een van beide categorieën behoren, mogen niet op of in de bodem dan wel in contact met het oppervlaktewater worden gebruikt.

Natuursteen is nog niet onderzocht met betrekking tot deze categorieën, maar deskundigen verwachten dat het in categorie 1 valt. Om dit voor een specifieke partij te kunnen vaststellen, is uitloogonderzoek nodig. In de meeste gevallen zal kunnen worden volstaan met een kolomproef (die 21 dagen duurt). In geval van twijfel kan het nodig zijn een diffusieproef uit te voeren (die 64 dagen duurt). Een partijkeuring kan achterwege blijven wanneer de leverancier of het verwerkende bedrijf Bsb-gecertificeerd is.

1.3.3 Contactgeluid

Prestatie-eisen worden via het Bouwbesluit (in Nederland) wettelijk opgelegd. Eventuele aanvullende eisen moeten worden afgeleid uit de functionele eisen aan de 'geluidshinder' (zie par. 1.2).

Meetmethoden
Het Bouwbesluit (Nederland) eist dat de contactgeluidisolatie (en andere geluidsisolaties), van de 'kale vloer' (dus zonder vloerbedekking) groter is dan 0 dB. Dat betekent niet dat er geen geluidsisolatie is, maar dat de isolatie even goed is als de standaardgeluidsisolatie volgens NEN 5077. Een positieve waarde van bijvoorbeeld +10 dB betekent een betere isolatie, een negatieve waarde een slechtere isolatie.

Het is niet goed mogelijk vooraf precies te voorspellen wat de geluidsisolatie in de praktijk zal zijn. Niet alleen het ontwerp, maar juist ook een goede uitvoering heeft hierop grote invloed. In NPR 5070 zijn voorbeeldconstructies genoemd van 'kale vloeren', waarvan is bewezen dat ze voldoen bij een goede uitvoering.

In NEN 5077 staat beschreven hoe achteraf, in het werk, de geluidsisolatie moet worden gemeten van de 'kale vloer'. Voor metingen van de contactgeluidisolatie van een vloer met vloerbedekking (bijvoorbeeld natuursteen) wordt EN-ISO 140-7 of NEN 5077 gebruikt. Voor dezelfde metingen, maar dan in het laboratorium, wordt EN-ISO 140-6 gebruikt. Met EN-ISO 140-8 kan in het laboratorium de contactgeluidisolatie van de vloerbedekking worden gemeten.

Geluidmetingen leveren een hele serie getallen voor verschillende frequenties. Voor het maken van vergelijkingen worden deze naar één getal omgerekend. Er wordt niet simpel het gemiddelde genomen, want sommige tonen horen we sterker dan andere. In EN-ISO 717-2 wordt aangegeven hoe de contactgeluidisolatie naar één getal kan worden omgerekend.

De EN-ISO-normen werken met grootheden die afwijken van de in Nederland gebruikte. Met NPR 5079 kunnen deze grootheden worden 'vertaald'. Verder legt deze norm een globale relatie tussen prestaties gemeten in het laboratorium en in de praktijk.

Criteria voor woningen en woongebouwen
In NEN 1070 worden vijf geluidweringsklassen genoemd (zie tabel 2). Bij deze indeling worden behalve contactgeluidisolatie ook andere geluidaspecten meegenomen, zoals de geluidwering van de gevel en het geluid van installaties. Uitgangspunt hierbij is de beleving door bewoners en gebruikers in de gebruikssituatie. Om die reden gaat deze norm uit van een vloer met vloerbedekking.

Uit de gekozen geluidweringsklasse volgt de te stellen eis per geluidaspect (bijvoorbeeld contactgeluid). Deze geluidweringsklasse kan verschillend per ruimte worden gekozen, maar kan ook dezelfde zijn voor de hele woning, of het hele woongebouw.

Het is ook mogelijk andersom te werken. De (aanwezige) kwaliteit van de geluidwering wordt dan per geluidaspect uitgedrukt in een kwaliteitscijfer van 1 (slechtst) tot 5 (best). Vervolgens kan de geluidwering voor een gehele woning of woongebouw worden omgerekend naar één geluidweringsklasse. Die wordt op dezelfde manier uitgedrukt, maar dan in romeinse cijfers van I tot V.

Uit NEN 1070 blijkt dat wanneer aan alle geluideisen uit het Bouwbesluit wordt voldaan, alle geluidaspecten een kwaliteitscijfer 3 krijgen. Alleen contactgeluid krijgt een 4. Wordt voor het hele gebouw een geluidweringsklasse III geëist, dan zijn voor de woningscheidende vloeren dus aanvullende eisen nodig. De vloerbedekking (natuursteen en isolatie) moeten het kwaliteitscijfer van de contactgeluidisolatie dan verbeteren van 4 naar 3. In de praktijk betekent dat voor de vloer een verbetering van de contactgeluidisolatie met +10 dB.

Criteria voor overige gebouwen
Niet alleen tussen woningen kunnen eisen worden gesteld aan de overdracht van contactgeluid. Geluidoverdracht kan bijvoorbeeld ook hinderlijk zijn van winkels naar appartementen in hetzelfde gebouw, of tussen de foyer en de zaal van een concertgebouw.

Het formuleren van eisen kan in principe op dezelfde manier als bij woningen en woongebouwen. Uit de gekozen geluidweringsklasse volgt de te stellen eis per geluidaspect (bijvoorbeeld contactgeluid). Deze geluidweringsklasse kan verschillend per ruimte worden gekozen, maar kan ook hetzelfde zijn voor het hele gebouw.

Gezien de diversiteit aan situaties kan het nodig zijn de systematiek aan te passen. In NEN 1070 staan hiervoor aanwijzingen.

Afhankelijk van de toepassing kunnen aanvullende eisen nodig zijn. Voor deze prestatie-eisen zijn geen algemene aanbevelingen te geven; deze moeten per project worden uitgewerkt.

Tabel 2
Betekenis van de geluidweringsklasse voor woningen gelegen in een gemiddelde stedelijke omgeving en voorzien van een vloer met vloerbedekking. Gegevens afgeleid uit NEN 1070.

geluidwerings-
klasse
korte omschrijving gehinderden (indicatief)
I Een hoge mate van bescherming en rust. < 5 %
II Onder normale omstandigheden een goede bescherming. Zeer luide spraak, luide muziek en feestjes wel hoorbaar maar nauwelijks hinderlijk. Loopgeluiden in het algemeen niet storend hoorbaar. 5 tot 10 %
III Bescherming tegen ontoelaatbare storing, uitgaande van een gedrags- en leefpatroon waarbij men rekening houdt met elkaar. Luide spraak verstaanbaar. Luide muziek en feestjes goed hoorbaar. Loopgeluiden e.d. soms storend. 10 tot 25 %
IV Zelfs bij een op elkaar aangepast gedrags- en leefpatroon, zal regelmatig storing optreden. Zeer luide spraak goed verstaanbaar, muziek storend en loopgeluiden vaak hinderlijk. 25 tot 50 %
V Er wordt nauwelijks bescherming geboden tegen geluiden. Gewone spraak is vaak verstaanbaar, muziek en loopgeluiden zijn veelvuldig hinderlijk. > 50 %

1.3.4 (Nederland:) Duurzaam bouwen (DuBo)

Prestatie-eisen aan Duurzaam bouwen worden grotendeels wettelijk opgelegd via het Bouwbesluit. Deze regelgeving richt zich nu nog niet specifiek op vloeren en materiaalgebruik. Eventuele aanvullende eisen moeten worden afgeleid uit de functionele eisen aan de milieueffecten (zie par. 1.2).

Een toekomstvisie op Duurzaam bouwen is nog niet geheel uitgekristalliseerd. Het ministerie van VROM wil prestatie-eisen gaan stellen aan de milieubelasting van een bouwwerk in zijn geheel. Een bepalingsmethode hiervoor is uitgewerkt in prNEN 7185. Om de milieubelasting van een geheel gebouw te kunnen berekenen, moeten de milieubelastingen van de individuele bouwmaterialen bekend zijn. Deze worden bepaald met de Levenscyclusanalyse (LCA) en vastgelegd in Milieu Relevante Product Informatie (MRPI).

Nationaal Pakket
Het Nationaal Pakket Duurzaam Bouwen doet aanbevelingen voor onderdelen van de vloerafwerking. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in utiliteitsbouw (U) en woningbouw (S). De aanbevelingen zijn niet dwingend. Wanneer de milieueisen conflicteren met andere eisen, moet per geval een afweging worden gemaakt.

Milieubelasting van de vloer
Nog niet van alle bouwproducten zijn nu LCA's gemaakt. Daardoor zijn de milieuprestaties niet in alle gevallen goed te vergelijken.

Een belangrijke factor in de uiteindelijke milieubelasting van een bouwmateriaal is de levensduur. De levensduur van de gehele vloer wordt sterk verlengd door een goede materiaalkeuze, opbouw, detaillering, uitvoering, e.d.

Bij de berekening van de milieubelasting van een gebouw wordt uitgegaan van een levensduur van 75 jaar. Een goede natuursteenvloer kan deze levensduur gemakkelijk halen; denk aan de vele monumentale panden met natuursteenvloeren. De publicatie SBR 355 ondersteunt deze lange levensduur. Niet alleen de technische maar ook de esthetisch levensduur is van belang: een minder modegevoelige afwerking is niet zo gauw aan vervanging toe.

1.3.5 Slipweerstand

Prestatie-eisen aan de slipweerstand moeten worden afgeleid uit de functionele eisen aan het 'comfort en veiligheid bij belopen', 'reinheid', 'uiterlijk van de vloer' en 'vloeistofafvoerend vermogen (water)' en eventueel 'het comfort bij berijden' (zie par. 1.2). Zie voor nadere gegevens over de slipweerstand van oppervlaktebewerkingen par. 2.3.2. Het meten van een representatieve slipweerstand bij belopen is bijzonder moeilijk. Er bestaan verschillende meetmethoden, die alle slechts een beperkt beeld geven van de werkelijk optredende slipweerstand, dus op het risico van uitglijden.

In Nederland en België is er geen meetmethode voorgeschreven. Ook ontbreken criteria. Daardoor zijn er bij bouwpartijen veel onduidelijkheden over slipweerstand. Deze paragraaf geeft een overzicht dat partijen een handvat biedt bij het afspreken van prestatie-eisen. Er komen twee methoden aan bod:

  • Hellend vlak (Schiefe Ebene). Hiermee kan alleen worden gemeten in het laboratorium.
  • Floor Slide Control. Met deze methode zijn zowel metingen in het laboratorium als in het werk te doen.

Deze handleiding richt zich op nieuwe vloeren. De slipweerstand kan na verloop van tijd veranderen, door slijtage, vuil, onderhoudsproducten, e.d. Hierover zijn nog weinig gegevens bekend. Het is dus moeilijk criteria vast te stellen die in de praktijk haalbaar zijn. Overigens kunnen veranderingen van de slipweerstand alleen door meting in het werk worden vastgesteld.

Informatie over de eigenschappen van de verschillende typen oppervlaktebewerkingen en hun slipweerstand: par. 2.2.2 en 2.3.2.

Bij deze vloer zijn functionele en esthetische eisen op elkaar afgestemd. Voor een hoge slipweerstand zijn de tegels van de te belopen vloerdelen gevlamd en de overige delen gepolijst uitgevoerd.

Hellend vlak (Schiefe Ebene)
Deze methode is ontwikkeld in Duitsland en is in Nederland en België tamelijk bekend. De methode is zowel bedoeld voor vloeren die met schoeisel worden belopen, als voor blootsvoets belopen vloeren. Een sterk punt van deze methode is dat de criteria duidelijk zijn. Daar staat tegenover dat de meetmethode zelf beperkingen heeft: de in het laboratorium gemeten waarden zeggen niet alles over de werkelijke slipweerstand in de praktijk.

Meetmethoden en criteria

Met schoeisel
Deze meetmethode is omschreven in DIN 51130. De slipweerstand wordt uitgedrukt in een R-waarde (R van 'Rutschhemmung', ook wel vrij vertaald met Rutschwaarde) die loopt van R9 tot en met R13. In deze R-waarde is de invloed van de voeg begrepen, waarbij een voegbreedte is voorgeschreven die afhankelijk is van het tegelformaat. De bepaling van de R-waarde gebeurt met een hellend vlak, afgewerkt met de te testen vloerafwerking. De slipweerstand wordt afgeleid uit die hellingshoek, waarbij een proefpersoon met voorgeschreven schoeisel wegglijdt.

Verder wordt gewerkt met een V-waarde (V van 'Verdrängungsraum') die ook in DIN 51130 is omschreven. V drukt de afvoercapaciteit uit voor water en andere vloeistoffen, en min of meer vloeibare stoffen (zoals vet en resten bij voedselbereiding). Voldoende afvoercapaciteit is noodzakelijk om uitglijden door 'aquaplaning' te voorkomen. Er bestaan klassen voor V4, V6, V8 en V10 (overeenkomend met 4, 6, 8 respectievelijk 10 cm³). Vloerafwerkingen met een verdringingsruimte van minder dan 4 cm³ krijgen geen V-classificatie.

ZH1/571 geeft criteria voor R- en V-waarden, afhankelijk van de functie van een vloer; deze hebben het karakter van aanbevelingen, niet van absolute eisen.

Let op

In de Katernen en par. 2.3.2 worden R-waarden en soms A-, B-, C- of V-waarden genoemd. Deze zijn direct overgenomen of afgeleid uit het betreffende Duitse Merkblatt. De genoemde waarden zijn voor de praktijk in Nederland en België niet altijd gangbaar of haalbaar, bijvoorbeeld doordat de eisen aan de slipweerstand niet verenigbaar zijn met die aan de reinigbaarheid. Genoemde waarden zijn indicatief en mogen niet zonder meer worden voorgeschreven. Gebruikers van deze handleiding wordt met klem aangeraden de eisen aan slipweerstand zeer zorgvuldig af te wegen tegen alle andere eisen, rekening houdend met de beperkingen van de meetmethoden.

Blootsvoets
Voor blootsvoets belopen vloeren wordt de slipweerstand uitgedrukt in A, B of C. De meetmethode is vastgelegd in DIN 51097 en lijkt sterk op die voor de R-waarde.

Merkblatt GUV 26.17 geeft criteria, afhankelijk van de functie van een vloer; deze hebben het karakter van aanbevelingen, niet van absolute eisen.

Floor Slide Control
Om de slipweerstand behalve in het laboratorium juist ook in het werk te kunnen meten en beoordelen, zijn verschillende methoden ontwikkeld, zoals Floor Slide Control 2000 (FSC 2000) en Burngraber Portable Slip Tester. Bij deze methoden wordt de wrijvingscoëfficiënt bepaald met een mobiel apparaat.

De FSC 2000 wordt veel gebruikt, bijvoorbeeld door de Nederlandse Spoorwegen, Ahold, TNO en WTCB. Om die reden wordt de FSC 2000-methode hier verder toegelicht.

Meetmethode
Gemeten wordt de dynamische slipweerstand, uitgedrukt in een COF-waarde ('coefficient of friction' ofwel wrijvingscoëfficiënt). De FSC 2000 beweegt zichzelf voort over de vloer en sleept daarbij een schoentje mee. Dit schoentje kan worden voorzien van verschillende typen zool, die voetgangersverkeer nabootsen. De weerstand die de zool ondervindt, wordt grafisch weergegeven als COF-waarde.

Criteria
Algemeen geaccepteerde toetsingscriteria om te bepalen of een vloer voldoende stroef is, zijn er voor deze methode nog niet. Opdrachtgevers moeten dus zelf een prestatie-eis formuleren. Daarbij biedt het volgende enig houvast:

  • De Nederlandse Spoorwegen hanteren een eigen richtlijn. Voor gebieden met een verhoogd slipgevaar, zoals trappen en plaatsen waar de reizigers van richting veranderen, moet de COF minstens 0,44 bedragen voor rubber- en kunststof zolen (droog en nat gemeten) en 0,3 voor leren zolen (alleen droog gemeten).

Met het hellend vlak en de FSC 2000 worden verschillende grootheden gemeten: respectievelijk de statische en dynamische slipweerstand. Deze grootheden kunnen in principe niet naar vergelijkbare grootheden worden omgerekend. Aan de Bergische Universität Wuppertal is proefondervindelijk toch enig verband aangetoond. Hiermee is het mogelijk om criteria voor de Floor Slide Control te formuleren, gebaseerd op die voor het Hellend vlak. Over de juistheid van dit verband zijn de meningen verdeeld. Partijen dienen zelf te bepalen of ze hiervan gebruikmaken en of ze een eventuele foutmarge op voorhand verrekenen in een strengere eis.

Net als een bepaalde R-waarde kan ook een bepaalde COF-waarde geen garantie geven tegen uitglijden, maar hoogstens vermindering van het risico tot een aanvaardbaar niveau.

1.3.6 Slijtweerstand

Prestatie-eisen aan de slijtage moeten worden afgeleid uit de functionele eisen aan de 'bestandheid tegen belopen en berijden (slijtage)' en eventueel de 'bestandheid tegen schuivende lasten' (zie par. 1.2).

Er zijn twee soorten slijtage:

  • Zichtbare slijtsporen (secundaire- of diepteslijtage).
  • Verandering van glans (primaire slijtage). Meestal neemt de glans af, soms toe.

Zichtbare slijtsporen (secundaire- of diepteslijtage)
De meeste meetmethoden zijn alleen bedoeld om materiaalverlies (secundaire of diepteslijtage) te meten. Daarvoor bestaan verschillende, sterk afwijkende methoden. Bij de beoordeling van natuursteen wordt bijvoorbeeld vaak gebruikgemaakt van de Amsler-proef. Maar in Nederland, België en andere Europese landen wijken de genormeerde Amsler-proeven, of daaraan verwante proeven, van elkaar af. De resultaten zijn dus niet zonder meer te vergelijken. Momenteel wordt gewerkt aan een Europese norm die de voorkeur geeft aan de Capon-proef.

Tabel 3 geeft per steengroep een indicatie van de weerstand tegen secundaire slijtage, volgens een in Duitsland gebruikte proefmethode (Böhme). Een dergelijk overzicht, gemeten volgens de Nederlandse norm of andere meetmethoden, is niet beschikbaar. TV 205 geeft testresultaten voor in België veelgebruikte steensoorten, gemeten volgens de Belgische normen (Amsler- en Capon-proef).

In de praktijk zijn van veel stenen geen testgegevens beschikbaar. Doordat de wel beschikbare gegevens vaak met verschillende meetmethoden zijn bepaald, is vergelijken lastig of onmogelijk.

In België is het gebruikelijk met de eisen uit tabel 3 te werken. Ook in Nederland kunnen deze waarden worden gebruikt als leidraad bij het ontwerpen. Daarbij moet er rekening mee worden gehouden dat de Amsler- en Capon-proef alleen het materiaalverlies meet, wat niet altijd een maat is voor verandering (vermindering) van de glans in de gebruikssituatie (zie onderstaande toelichting).

Tabel 3
(België:) Eisen aan de weerstand tegen secundaire slijtage.

meetmethode eengezinswoning gebouw met matig collectief gebruik gebouw met intensief collectief gebruik
Amsler [mm/1000 m], volgens NBN B 27-003 ≤ 12 ≤ 8 ≤ 4
Capon [mm/75 toeren], volgens NBN B 15-240 ≤ 37 ≤ 32 ≤ 26

Let op

De waarden in deze tabel zijn gemeten volgens de Belgische meetmethode. Deze zijn niet zonder meer gelijk aan de waarden volgens de in Nederland gebruikte Amsler-proef (NEN 2874) en Capon-proef (EN-ISO 10545-6 voor keramische tegels).

Verandering van glans (primaire slijtage)
Bij glanzende oppervlaktebewerkingen is het belangrijk of slijtage waarneembaar is, de zogenaamde primaire slijtage. Meestal gaat het dan om een afname van de glans. Er bestaat geen proef om dit specifiek bij natuursteen te meten. Eventueel kan de PEI-test (volgens EN-ISO 10545-7) worden gebruikt, die is ontwikkeld voor geglazuurde keramische tegels en al tientallen jaren wordt gebruikt. Met deze meetmethode is bij natuursteen nog geen ervaring opgedaan. De bijbehorende klassenindeling is voor natuursteen niet geschikt.

Minstens zo belangrijk als testgegevens zijn praktijkervaring met een steen onder vergelijkbare gebruiksomstandigheden. Wanneer het daaraan geheel of gedeeltelijk ontbreekt, kan par. 2.3.1 helpen bij het kiezen van een steensoort en zijn oppervlaktebewerking.

Relatie tussen primaire- en secundaire slijtage
Een steen die goed scoort op materiaalverlies (secundaire slijtage), verliest meestal niet snel zijn glans (primaire slijtage). Toch komen sommige stenen goed uit bijvoorbeeld de Amsler-slijtproef, terwijl de glans van een gepolijst oppervlak in de praktijk snel terugloopt. Dat blijkt het geval bij gabbro's (zie par. 2.1.3). Door het donkere tot zwarte uiterlijk van deze stenen wordt zelfs geringe slijtage snel zichtbaar.

Meer informatie over de keuze van de oppervlaktebewerking afhankelijk van de steensoort:

par. 2.3.1.

1.3.7 Uiterlijk van de steen: glans, kleur, oppervlaktebewerking, e.d.

Prestatie-eisen aan glans, kleur, oppervlaktebewerking, e.d. moeten worden afgeleid uit de functionele eisen aan het 'uiterlijk van de vloer' (zie par. 1.2, par. 2.2.9 en par. 2.2.10).

Het uiterlijk van de partij steen wordt bij voorkeur bij contractvorming door de opdrachtgever gekeurd. Als dat niet mogelijk is, wordt de partij vóór verwerking gekeurd en niet pas bij de oplevering (zie par. 5.1 en par. 7.2).

Informatie over een juiste verwachting van de oppervlaktebewerking:

par. 2.2.2.

Figuur 5
Meerdere monsters van dezelfde steen geven een indruk van de variatie in het uiterlijk.

Meetmethoden
De beoordeling van het uiterlijk gebeurt in de praktijk vooral op het oog. De oppervlakteruwheid, de mate van lichtreflectie (glansgraad) en de kleur zijn te meten (zie TV 213), maar dat is in de praktijk (nog) niet gangbaar. Wel gebruikelijk is de fijnheid van de schuur- of polijstschijf voor te schrijven, al is deze methode minder secuur dan ze lijkt (zie par. 2.2.2). De afmetingen van gebreken en bijzonderheden kunnen met een schuifmaat worden bepaald.

Criteria

Contractmonsters
Op basis van monsters, bij voorkeur uit de te verwerken partij, zijn goede afspraken te maken. Toch kunnen enkele monsters nooit een exact beeld geven van een gehele partij; natuursteen is nu eenmaal een natuurproduct (zie figuur 5). Om die reden is ook een partijkeuring wenselijk (zie par. 5.1).

Contractmonsters zijn een hulpmiddel om voor het uiterlijk een bandbreedte overeen te komen. Bijvoorbeeld: monster 1 geeft het gemiddelde uiterlijk, de monsters 2 en 3 de uiterste verschillen die zijn toegestaan in kleur, schakering, aderingen, spikkels, putjes, gaatjes (stopsels), haarscheurtjes, insluitingen, roestpuntjes en dergelijke. Wanneer het uiterlijk van de steen sterk varieert (zie tabel 7), kan het wenselijk zijn van meer dan drie contractmonsters gebruik te maken.

Alle contractpartners moeten (kunnen) beschikken over gelijke contractmonsters. Verder hebben de monsters bij voorkeur dezelfde afmetingen als het toe te passen tegelformaat.

Gebreken en bijzonderheden
In België worden voor de keuring van gebreken en bijzonderheden de criteria uit TV 213 gebruikt. Verder worden in prEN 12057 en prEN 12058 eisen gesteld. Voor Nederland is hieruit tabel 4 afgeleid, die enigszins verschilt met de criteria uit TV 213. De criteria uit deze tabel zijn als leidraad te hanteren bij het maken van afspraken, in aanvulling op de contractmonsters. Partijen wordt aangeraden ook afspraken te maken over het aantal overschrijdingen dat aanleiding vormt de gehele partij af te keuren.

Meer informatie over gebreken en bijzonderheden:

par. 2.2.8.

Tabel 4
Criteria voor de keuring van gebreken en bijzonderheden.

Gebreken en bijzonderheden Criteria
afgebroken randen aanvaardbaar, als ze minder dan 1 mm op het zichtvlak doorlopen en minder dan 4 mm lang zijn. Hoogstens één afgesprongen stuk per rand (zie par. 2.2.8)*
afgebroken hoeken aanvaardbaar, als ze minder dan 2 mm op het zichtvlak doorlopen (zie par. 2.2.8)*
kartelingen (haaientanden) aanvaardbaar, als ze minder dan 1 mm breed zijn op het zichtvlak van de rand*
krassen mogen op het zichtvlak niet zichtbaar zijn**
slijpsporen (zoals schuurslagen of krasjes, ontstaan tijdens het uitvoeren van de oppervlaktebewerking) mogen op het zichtvlak niet zichtbaar zijn bij gezoete en gepolijste tegels (zie par. 2.2.2)**
haarscheuren en afschilferingen (van natuurlijke oorsprong) mogen op het zichtvlak zichtbaar zijn**
scheuren en afschilferingen (door behandeling) mogen zorgvuldig zijn weggewerkt met een op kleur gebracht vulmiddel, mits ze de sterkte van de vloer niet aantasten**
stylolieten (aardachtige voegen van natuurlijke oorsprong, die alleen in kalkstenen kunnen voorkomen) in beperkte mate aanvaardbaar. Er zijn geen algemeen aanvaarde criteria. Aangeraden wordt de criteria uit TV 156 na te komen, die momenteel worden geactualiseerd en specifiek voor Belgisch Hardsteen gelden
fossiele insluitingen en (glas)aders aanvaardbaar
gaatjes en stopsels in beperkte mate aanvaardbaar. Er zijn geen algemeen aanvaarde criteria. Aangeraden wordt aan de hand van monster(s) afspraken te maken
* Tegels met afgebroken randen, hoeken of kartelingen zijn in de regel te verwerken als pastegels.
** De controle van krassen en slijpsporen, scheuren en afschilferingen moet gebeuren bij daglicht, vanaf manshoogte, met het blote oog en niet bij strijklicht of tegenlicht.

1.3.8 Vlakheid

Prestatie-eisen aan de vlakheid moeten worden afgeleid uit de functionele eisen aan 'bestandheid tegen berijden', 'bestandheid tegen schuivende lasten', 'comfort bij berijden', 'comfort en veiligheid bij belopen', 'geluidshinder', 'reinheid', 'uiterlijk van de vloer' en 'vloeistofafvoerend vermogen (water)' (zie par. 1.2).

Er zijn dus allerlei functionele eisen waaruit weer eisen aan de vlakheid kunnen voortvloeien. Die verschillen per project. Daardoor zijn algemeen geldende prestatie-eisen aan de vlakheid niet te geven.

Vanzelfsprekend dienen de prestatie-eisen aan de vlakheid ook praktisch haalbaar te zijn. In de praktijk worden de begrippen 'eisen aan de vlakheid' (dus wat wordt gevraagd) en 'haalbare vlakheid' (dus wat kan worden geboden) vaak door elkaar gebruikt. In deze handleiding worden ze gescheiden behandeld. Zie voor de praktisch haalbare vlakheid par. 3.4.3.

Afspraken maken
Vlakheid blijkt een moeilijk en abstract onderwerp, zowel voor de meeste opdrachtgevers als voor natuursteenleggers. Het kan helpen de afspraken te visualiseren aan de hand van een referentievloer. Maar om de vlakheid te kunnen controleren, moeten afspraken over een meetmethode en geldende criteria het uitgangspunt blijven. Een eventuele referentievloer speelt daarbij geen rol.

Partijen moeten afspreken welke meetmethode en criteria ze gebruiken. Dringend wordt aangeraden ook afspraken te maken over het aantal overschrijdingen dat aanleiding geeft voor (plaatselijke) correctiewerkzaamheden of afkeuring.

De meetmethode en criteria worden in deze paragraaf kort behandeld.

Let op

Op basis van een visuele waarneming mag de opdrachtgever vaststellen of de vloer voldoet aan de vlakheidcriteria. Maar (plaatselijk) afkeuren mag niet op basis van een visuele waarneming. Afkeuren mag alleen op basis van de overeengekomen criteria en de bijbehorende meetmethode.

Afwijkingen van de vlakheid kunnen in de gebruiksfase meer of minder zichtbaar worden, bijvoorbeeld door onderhoudsproducten, vervuiling en slijtage.

Twee prestatie-eisen
De vlakheid van een vloer moet worden omschreven in twee prestatie-eisen:

  1. Vlakheid over grotere afstand. Hierbij gaat het vooral om golvingen in het vloeroppervlak. Deze zijn niet sterk zichtbaar en worden bij normale natuursteenvloeren meestal minder hinderlijk gevonden dan hoogteverschillen tussen aangrenzende tegels.
  2. Hoogteverschil tussen aangrenzende tegels. Dit is goed zichtbaar en wordt snel hinderlijk gevonden. Dat geldt vooral bij een kleine voegbreedte (zie par. 1.3.9).

Eisen aan de tegel
Uit bovenstaande twee prestatie-eisen aan de vloer volgen eisen aan de vlakheid van de afzonderlijke tegels. Deze zijn onder te verdelen in:

  • Vlakheid van het tegeloppervlak (hol, bol of scheluw). Deze eis wordt vooral gebruikt bij bestelling en controle van de partij (zie par. 2.2.5 en 5.1).
  • Oneffenheid (ruwheid) van het tegeloppervlak. Deze afwijking van de vlakheid is eigen aan de gekozen oppervlaktebewerking (zie par. 2.2.2). In de regel worden hieraan geen specifieke vlakheideisen gesteld. Een ruw tegeloppervlak heeft soms een (zeer) nadelige invloed op de vlakheid van de gerede vloer. Wil men beslist een bepaalde steen met een ruwe oppervlaktebewerking, dan moeten mogelijk de eisen aan de vlakheid over grotere afstand en aan de hoogteverschillen tussen aangrenzende tegels worden verruimd. Zie ook onderstaande toelichting 'Invloed van de tegel op de meting'.
Waterpas liggen en hoogteligging

Vlakheid heeft betrekking op de vorm van de vloer. Deze term wordt wel verward met waterpas liggen (ook wel aangeduid met 'horizontaliteit') en hoogteligging (peil), welke betrekking hebben op de positie van de vloer als geheel.

Voorbeelden

  • Een vloer onder afschot kan voldoende vlak zijn, maar ligt niet waterpas.
  • Een voldoende vlakke vloer kan in zijn geheel te laag of te hoog liggen.

Meetmethode met een rechte rei
Met een rechte rei van 2 m en een kaliberwig (beschreven in NEN 2741) is de vlakheid snel en eenvoudig te meten. Deze meetmethode is kort beschreven in TV 213 en wordt onderstaand toegelicht. Partijen wordt aangeraden volgens deze methode te werken. De rei van 2 m lang wordt op een willekeurige plaats op de vloer gelegd. Deze wordt aan beide uiteinden ondersteund door voetjes met een diameter van 20 mm, die net zo dik zijn als de overeengekomen afwijking. De afstand van de tegel tot de onderkant van de rei wordt met de speciale wig gemeten. Zo kunnen de twee prestatie-eisen worden gemeten:

  1. Vlakheid over grotere afstand (≤ 2m). Op geen enkele plaats mag de afstand tussen rei en tegels groter zijn dan tweemaal de dikte van de voetjes; de vloer mag niet zo bol zijn dat een van de voetjes loskomt (zie figuur 6).
  2. Hoogteverschil tussen aangrenzende tegels. Meet de verticale afstand tussen de rei en de tegels aan weerszijden van een voeg (de meetpunten liggen hoogstens 0,1 m uit elkaar). Het verschil tussen beide metingen mag niet meer bedragen dan de overeengekomen afwijking.

Figuur 6
Principe van meting van de vlakheid met de rechte rei. en een wig.

Voetje van de rei.
De dikte van het voetje is gelijk aan de toegestane afwijking (stel de toegestane afwijking is +3 of -3 mm, dan is de dikte van het voetje 3 mm).

Wig.
De afstand tussen rei en vloer wordt gemeten met een kaliberwig. Deze afstand mag niet groter zijn dan tweemaal de totaal toegestane afwijking (stel de toegestane afwijking is +3 of - 3 mm, dan is de afstand tussen rei en vloer maximaal 6 mm).

Invloed van de tegel op de meting

  • Vlakheid van het tegeloppervlak. Aangeraden wordt de toegestane afwijking van de vlakheid van een partij tegels voor verwerking te controleren (zie par. 2.2.5 en par. 5.1). Zijn de tegels eenmaal verwerkt, dan wordt de vlakheid van de afzonderlijke tegels niet meer apart gemeten. Deze wordt vanzelf meegenomen bij het meten van de vlakheid van de gehele vloer.
  • Oneffenheid (ruwheid) van het tegeloppervlak. Deze heeft wel invloed op de vlakheid van de vloer als geheel, maar wordt bij het meten met de rei soms wel, en soms niet meegenomen. Dat hangt af van de grootte van de oneffenheden:
    • Niet meetbaar (h): deze afwijking van de vlakheid is met de rei niet meetbaar en kan daarom bij het vaststellen van criteria voor de vloer in zijn geheel worden verwaarloosd (zie figuur 7). In tabel 5 wordt aangegeven bij welke oppervlaktebewerking H niet meetbaar is.
    • Wel meetbaar (H): deze afwijking van de vlakheid is meetbaar met de rei (zie figuur 8). In tabel 5 wordt aangegeven bij welke oppervlaktebewerking H kan voorkomen. In die gevallen wordt het volgende aangeraden:
      • verruim de criteria voor de toegestane afwijkingen, of:
      • pas de meetmethode aan (zie volgende paragraaf).

Figuur 7
Schematische weergave van een gestraald- en gefrijnd oppervlak. De oneffenheid ten gevolge van de oppervlaktebewerking is niet meetbaar (h) met de rei. Dit komt doordat de afstand tussen de hoogste punten van het tegeloppervlak (a) kleiner is dan de afmeting van de voet van de rei of het smalle deel van de wig (b).

Figuur 8
Schematische weergave van een gevlamd of een splijtoppervlak. Een deel van de oneffenheid van het oppervlak is meetbaar (H) en een deel is niet meetbaar (h) met de rei. H = het maximale hoogteverschil in het tegeloppervlak dat meetbaar is met de rei-meetmethode.

Tabel 5
Meetbaarheid van de oneffenheid van het tegeloppervlak bij verschillende oppervlaktebewerkingen, met de standaardmeetmethode met de rei. Is de oneffenheid meetbaar, dan wordt deze aangeduid met H.

oppervlaktebewerking oneffenheid meetbaar met rei?
gladder polijsten nee
zoeten nee
schuren nee
onbehandeld gezaagd nee
ruwer stralen nee
oud gemaakt nee / bij uitzondering
frijnen e.d. nee / bij uitzondering
prikken e.d., fijn nee / bij uitzondering
prikken e.d., grof soms
boucharderen, fijn soms
boucarderen, grof ja
vlammen of branden, fijn soms
vlammen of branden, grof ja
splijtoppervlak, fijn soms
splijtoppervlak, grof ja

Meetbare oneffenheid van tegeloppervlak (H)
De oneffenheid kan met de rei worden gemeten, wanneer de afstand tussen de hoogste punten van het tegeloppervlak (a) groter is dan de afmeting van de voet van de rei of het smalle deel van de wig (b) (zie figuur 9). Deze meetbare oneffenheid wordt in deze handleiding aangeduid met H.

Figuur 9
Schematische weergave van de voet van de rei en de kaliberwig.
b = afmeting van de voet van de rei of van het smalle deel van de wig.
Als voorbeeld is hier de in Nederland gebruikte kaliberwig volgens NEN 2741 afgebeeld. In België wordt een afwijkende getrapte wig gebruikt, ontwikkeld door WTCB.

De ruwheid van een oppervlaktebewerking kan met verschillende methoden (zeer) nauwkeurig worden gemeten (zie ook TV 213). Maar daarmee wordt het totaal van de hierboven genoemde grootheden H en h gemeten; H alleen is met deze methoden niet afzonderlijk te meten.

Het bepalen van de waarde H is niet vastgelegd in normen of richtlijnen. Partijen kunnen de waarde H zelf bepalen bij een contractmonster, op basis van de meetmethode met de rei. Dat is echter minder eenvoudig dan het lijkt. Vooral bij tegels met een splijtoppervlak is het raadzaam de grootte van H bij de partijkeuring te controleren. Bij een splijtoppervlak zijn verschillen in de grootte van de oneffenheid tussen contractmonster(s) en de te verwerken partij namelijk niet uit te sluiten. In voorkomende gevallen is die grootte van H bepalend, die is vastgesteld bij de partijkeuring.

Gewijzigde meetmethode
De bepaling van H heeft het belangrijke bezwaar dat de meting niet is genormeerd. Om dat te omzeilen, kunnen partijen ook overeenkomen de meetmethode aan te passen, zodat de waarde H niet meer wordt gemeten. Dit gebeurt door zowel onder de voetjes als onder de wig een vlak metalen plaatje te leggen. De afmetingen en het gebruik van deze plaatjes zijn niet vastgelegd in normen of richtlijnen.

Partijen wordt aangeraden als volgt te handelen:
De gebruikte plaatjes moeten even dik zijn. De lengte en breedte van deze plaatjes moet groter of gelijk zijn aan de afstand tussen de hoogste punten van het tegeloppervlak (b ≥ a). De plaatjes rusten rechtstreeks op de vloer en moeten zo worden geplaatst dat ze niet wiebelen.

Op deze manier wordt de oneffenheid die eerst wel werd gemeten (H), nu niet meer gemeten (h) (zie figuur 10). De oneffenheid van de tegel kan dan bij het vaststellen van criteria voor de gehele vloer worden verwaarloosd. Het effect is vergelijkbaar met de situatie in figuur 7.

Figuur 10
Schematische weergave van een gevlamd of een splijtoppervlak. De oneffenheid ten gevolge van de oppervlaktebewerking is niet meetbaar (h) door het gebruik van metalen plaatjes onder de kaliberwig en de voetjes van de rei. De lengte en breedte van deze plaatjes moet groter of gelijk zijn aan de afstand tussen de hoogste punten van het tegeloppervlak (b ≥ a).

Criteria
In Nederland worden de criteria in de Stabu als te ruim ervaren. Er zijn geen andere criteria voor natuursteenvloeren in normen vastgelegd. In België worden voor gezoete of gepolijste vloeren de criteria uit TV 213 gebruikt bij de meetmethode met de rei.

Doordat prestatie-eisen aan de vlakheid worden afgeleid van een groot aantal functionele eisen (zie de inleiding van deze paragraaf), zijn algemeen geldende criteria niet te geven. Partijen moeten dus zelf criteria formuleren en overeenkomen, uitgaande van een meetmethode. De Katernen geven daarvoor indicaties. Zij kunnen enig houvast bieden.

Meer informatie over vlakheid:

TV 137, TV 189 (3 klassen), TV 213.

1.3.9 Voegen: breedte

Prestatie-eisen aan de voegbreedte moeten worden afgeleid uit de functionele eisen aan het 'uiterlijk van de vloer', 'bestandheid tegen berijden', 'bestandheid tegen schuivende lasten', 'geluidshinder', 'reinheid' en 'comfort en veiligheid bij belopen' (zie par. 1.2). Ook van invloed op de voegbreedte zijn de toegestane maatafwijkingen van de tegel (zie par. 1.3.8 en par. 2.2.5), de rechtheid van de voeg (zie par. 1.3.11), de tegelgrootte en een eventueel afgeschuinde- of afgeronde tegelrand (zie par. 2.2.2).

Naarmate de voeg breder is, voldoet deze in het algemeen gemakkelijker aan bovengenoemde prestatie-eisen.

Opdrachtgevers wensen meestal een zo smal mogelijke voeg. De minimale voegbreedte wordt bepaald door:

  • Eisen aan het uiterlijk van de vloer. Hoe smaller de voeg, des te eerder afwijkingen zichtbaar worden. Bijvoorbeeld afwijkingen in de breedte en rechtheid van de voeg of hoogteverschillen tussen aangrenzende tegels.
  • Eisen aan de veilige begaanbaarheid. Bij een gegeven hoogteverschil tussen aangrenzende tegels is de kans op struikelen groter naarmate de voeg smaller is. Vooral wanneer het oppervlak ruw is bewerkt, zoals bij een gevlamde tegel.
  • Tegelformaat. Grote tegels (tot 1 m²) zijn minder nauwkeurig te leggen dan kleine, handzame tegels.

Bij mechanische belastingen door rollend materieel moet de voeg liefst zo smal mogelijk zijn en op gelijke hoogte liggen met het tegeloppervlak. Dit vermindert de kans op beschadiging van de tegelrand en beperkt het geluid.

Koud gelegd
Wanneer de tegels strak tegen elkaar liggen, is er nauwelijks nog sprake van een voeg. In de praktijk wordt daardoor de term 'voegloos' vaak gebruikt, maar die is verwarrend en eigenlijk onjuist. Dergelijke smalle voegen kunnen tot ongeveer 1 mm breed zijn. Ze accentueren maatafwijkingen van de voeg en hoogteverschillen tussen aangrenzende tegels. Deze laatste zijn te vereffenen door de vloer 'in het werk' na te schuren. De vloer wordt met een schuurmachine eerst vlak geschuurd, vervolgens gezoet en eventueel gepolijst (zie ook par. 6.8). Het resultaat is een strakke vloer die uit één geheel lijkt te zijn gemaakt.

Meetmethode
Voegbreedte en maatafwijkingen van de breedte zijn met een schuifmaat te meten.

Criteria

Binnenvloeren
Vuistregel voor de voegbreedten bij tegelformaat tot 400 x 400 mm:

  • ≤ 1 mm, aangeduid als 'koud gelegd' (zie bovenstaande toelichting). Deze voegbreedte is mogelijk bij gezaagde tegels met een glad oppervlak. De vloer moet in het werk worden geschuurd.
  • 2 tot 3 mm bij tegels met gezaagde kanten en een glad oppervlak.
  • ≥ 5 mm bij tegels met gezaagde kanten en een ruw oppervlak.
  • > 10 mm bij tegels met geknipte kanten.

Voor België gelden de bepalingen uit TV 213:

  • ≤ 1 mm voor tegels van het 'marmertype'.
  • 2 tot 3 mm voor tegels van het 'standaardtype'.

(België:) De maatafwijking van de voegbreedte mag hoogstens bedragen: de maatafwijking van de tegel (zie par. 2.2.5) + 0,5 mm. (Nederland:) Partijen kunnen ditzelfde criterium overeenkomen.

Waterbelaste (buiten)vloeren
Ten opzichte van normale binnenvloeren is in het algemeen een bredere voeg nodig. 'Koud gelegd' is daardoor niet mogelijk. Een brede voeg is beter te vullen en te verdichten, waardoor deze minder vocht doorlaat en een betere bestandheid heeft tegen vorst. Vuistregel voor de voegbreedten bij tegelformaat tot 400 x 400 mm:

  • ≥ 5 mm voor tegels met gezaagde kanten.
  • > 10 mm voor tegels met geknipte kanten.

Vloeren op tegeldragers
Voor deze vloeren wordt een voeg van minstens 5 mm aangeraden. Bij gebruik van een systeem (tegeldragers met daarop een frame) zijn smallere voegen mogelijk; volg de aanbevelingen van de leverancier.

Figuur 11
Rechtheid, breedte en kleur van de voegen dragen belangrijk bij aan de esthetische uitstraling van de natuursteen vloer.

1.3.10 Voegen: kleur

Prestatie-eisen aan de kleur van voegen moeten worden afgeleid uit de functionele eisen aan het 'uiterlijk van de vloer' (zie par. 1.2).

De kleur van de voegen moet worden afgesproken of in het bestek worden voorgeschreven.

De kleur moet gelijkmatig zijn, behalve wanneer de opdrachtgever anders wenst. Rekening moet worden gehouden met veranderingen in het uiterlijk en de kleur van de voeg door gebruik, onderhoud en veroudering (zie verder par. 2.5).

1.3.11 Voegen: rechtheid

Prestatie-eisen aan de rechtheid van voegen moeten worden afgeleid uit de functionele eisen aan het 'uiterlijk van de vloer' (zie par. 1.2).

Meetmethode
Afwijkingen van de rechtheid (a) zijn met een rei van 2 m te meten (zie figuur 12).

Figuur 12
Schematische weergave van een vloer met tegels van 400 x 400 mm.
Controle van de rechtheid van de voegen met een rei van 2 m.

Criteria
(Nederland:) Bij gebrek aan een specifieke natuursteennorm kunnen de Stabu-eisen voor keramische vloeren worden overeengekomen. Deze worden voor natuursteenvloeren wel als te ruim ervaren. Aangeraden wordt een afwijking van de rechtheid (a) overeen te komen van hoogstens 2 mm (uitvoeringsonnauwkeurigheid) plus de totale toegestane maatafwijkingen van de tegel (lengte, breedte, rechtheid van de kanten en haaksheid).
Bijvoorbeeld: de maatafwijking van de tegel is +1 of -1 mm. De totaal toegestane afwijking van de tegel is dan 2 mm. De afwijking van de rechtheid (a) = 2 + 2 = 4 mm.

(België:) Het criterium uit TV 213 geldt.

1.4 De UPEC-systematiek

In Frankrijk is een systematiek ontwikkeld om het formuleren van enkele prestatie-eisen te vereenvoudigen en vervolgens na te gaan in hoeverre een vloerafwerking aan deze eisen voldoet. Deze UPEC-systematiek wordt in Frankrijk en België gebruikt voor zachte vloerafwerkingen en ook wel voor parket en keramische tegels. Voor natuursteen wordt deze systematiek niet gebruikt, hoewel ze er in principe wel geschikt voor is. Onderstaande korte toelichting dient alleen als achtergrondinformatie.

De UPEC-systematiek onderscheidt vier eigenschappen, aangeduid met een letter:

  • U (van usure): de weerstand tegen slijtage.
  • P (van poinçonnement): de weerstand tegen mechanische belasting.
  • E (van eau): de weerstand tegen vocht.
  • C (van chimique): de weerstand tegen chemische stoffen.

De hoogte van een prestatie-eis wordt omschreven door een cijfer achter de betreffende letter: hoe hoger het cijfer, des te zwaarder de eis. Voor een bepaalde vloer kunnen de eisen dus luiden: U3, P2, E3, C1. De UPEC-systematiek geeft richtlijnen voor de te stellen eisen voor een groot aantal typen gebouwen, uitgesplitst naar ruimten die daarin voorkomen. Zijn de eisen voor een bepaalde toepassing eenmaal bekend, dan voldoen alleen die vloerafwerkingen die in eenzelfde of hogere klasse vallen.

Voor elk van deze eigenschappen schrijft de UPEC één of meer meetmethoden voor, waarvan de meeste zijn omschreven in EN-ISO-normen.