0

publicatie: Rapport 200 Natuurvriendelijke oevers: aanpak en toepassingen

1 Inleiding

1 Inleiding

1.1 Nederland - waterland

1.1 Nederland - waterland

Nederland is voor een groot deel in en uit het water ontstaan. Tussen de hogere zandgronden met hun beken en moerassen in het oosten en zuiden, en de in de Noordzee ontstane schoorwal (een hoge zandrug) in het westen, groeide het land duizenden jaren lang op, door de vorming van veenmoerassen en door de sedimentatie vanuit de grote rivieren en vanuit de zee.
De bewoners leefden op de hogere en drogere plaatsen, maar begonnen tweeduizend jaar geleden ook de nattere gebieden naar hun hand te zetten. Dat is doorgegaan tot op de dag van vandaag. Het is dus geen wonder dat Nederland (nog steeds) een waterland bij uitstek is. De Nederlander heeft altijd tegen het water gevochten – de sporen daarvan zijn overal te zien.
Aan de andere kant heeft hij het water ook hard nodig, de samenleving heeft zich er helemaal op ingesteld. De Nederlandse wateren vervullen als aan- en afvoerweg en als opslagsysteem voor water een groot aantal economische functies. Het water wordt op allerlei plaatsen gebruikt voor landbouw, industrie en drinkwatervoorziening. Daarnaast vervult het belangrijke functies voor de scheepvaart en de recreatie. Bovendien bezitten de wateren een essentiële ecologische en landschappelijke waarde.

De oever vormt de grens tussen het land en het water. Er is van nature een continue wisselwerking tussen land en water en talloze andere factoren. Ook de mens heeft een enorme invloed op de oever.
Het is belangrijk dat de oever, in verband met de veiligheid, ’ongeveer’ op zijn plaats blijft. Dat vereist grote aandacht voor de inrichting en het onderhoud van de oever. Het maken van verantwoorde keuzes hiervoor is niet eenvoudig. De verschillende functies, niet alleen die van het menselijk gebruik, maar ook de functies natuur en landschap, stellen ieder hun eigen eisen aan een oever. Als gevolg van de wetgeving en de richtlijnen van de laatste tijd wordt in toenemende mate op basis van al deze eisen een uitgekiend oeverontwerp verlangd.
Dit handboek, samen met de andere delen uit de serie, vormt daarvoor een praktisch hulpmiddel. Daarbij ligt de nadruk op de ecologische functies van de oever, zonder dat de andere functies uit het oog worden verloren. Vandaar de titel ’Natuurvriendelijke oevers’.

Dat de natuur een plaats verdient is langzamerhand algemeen geaccepteerd. Het is normaal dat land en water, en de vele soorten overgangen daartussen, haast overal beschermd en verzorgd (gaan) worden. Maar er is ook veel verloren gegaan dat de moeite waard is om weer terug te krijgen. Bij het in ere herstellen van zo natuurlijk mogelijke oevers wordt dus niet met iets nieuws en vreemds begonnen. Integendeel, er wordt geprobeerd om, in de ruimte die daarvoor nog beschikbaar is of kan komen, het karakteristieke Nederlandse landschap dat op zoveel plaatsen is verdwenen, een meer duurzame plaats (terug) te geven. Dit handboek kan daarbij een nuttige functie vervullen.

Leeswijzer hoofdstuk 1

In hoofdstuk 1 wordt beschreven wat in dit handboek wordt verstaan onder de term ’oever‘ en wat natuurvriendelijke oevers’ zijn. Daarnaast wordt uitgelegd wat de ecologische functies van een oever kunnen zijn en welke plaats oevers krijgen in het overheidsbeleid. Ook wordt kort op het oeverbeheersplan ingegaan. Dit hoofdstuk bevat ook een paar kernachtige uitgangspunten voor de natuur in oevers. Het wordt besloten met een leeswijzer voor het complete handboek.

Afbeelding 1.1 - Oevers hebben een belangrijke ecologische functie en grote Iandschappelijke waarde.
Hier een oever met water- en oeverplanten langs de Nieuwe Merwede.

1.2 De oever nader gedefinieerd

1.2 De oever nader gedefinieerd

Een oever vormt de overgang van land naar water, waar het dynamisch samenspel van land en water plaatsvindt. Dit samenspel wordt beïnvloed door een groot aantal factoren en resulteert in een oever met een bepaalde vorm, met bijbehorende planten en dieren en met een groot aantal functies.
Ook ecologisch gezien is een oever een dynamische zone. Een zone waarin het natte en het droge gebied een onafgebroken wisselwerking met elkaar hebben en zodoende een complex ecosysteem vormen.
De grenzen van wat men tot de oever als ruimtelijk element rekent, zijn afhankelijk van het watertype. Over het algemeen kan men zeggen dat de oever aan de landzijde eindigt op de hoogst mogelijke plaats waar het water nog met een redelijke frequentie kan komen of tot waar de directe invloed van het water merkbaar is. Bij de kleinere wateren wordt vaak de insteek als bovengrens genomen. Bij rivieren met een zogenaamd winterbed voor hoge afvoeren worden echter niet de uiterwaarden en de hoogwaterkeringen (de winterdijken) tot de oevers gerekend, maar alleen de oeverlanden in het zogenaamde zomerbed (tot en met de zomerdijken of de rivierduinrand e.d.). Bij getijdenwateren gaat het om de (voet van de) hoogwaterkering, maar ook de randen van overstroombare schorren en platen kunnen daar oevers genoemd worden.
Aan de waterzijde is de grens vaak onduidelijk en afhankelijk van het profiel van de onderwaterbodem. De teen van het talud kan goed als ondergrens worden genomen. Als ondergrens kan ook worden genomen de waterdiepte tot waar het licht kan komen en dus planten kunnen groeien. In Nederland ligt deze diepte in veel gevallen op ongeveer 1,5 meter. Ook is het mogelijk om bij ondiepe wateren of bij zeer flauwe hellingen van de onderwateroever een bepaalde afstand tot de waterlijn of tot de (onder)waterplanten te kiezen, bijvoorbeeld 20 meter het water in.

1.3 Natuurvriendelijke oevers

1.3 Natuurvriendelijke oevers

Natuurvriendelijke oevers zijn oevers waarbij naast de waterkerende functie, nadrukkelijk rekening wordt gehouden met natuur en landschap. Dit geldt zowel bij aanleg, inrichting als bij onderhoud. Daarnaast wordt zo mogelijk ook voldaan aan de eisen die andere functies aan de oever stellen.
Een natuurvriendelijke oever is niet één type oever: er kan uit een heel scala aan varianten worden gekozen. Of een oever meer of minder natuurvriendelijk is, hangt af van de omstandigheden ter plaatse. Men zou een oever natuurvriendelijker kunnen noemen, naarmate meer groepen planten en dieren en processen uit de ter plaatse thuis horende oeverlevensgemeenschap er voordeel van ondervinden.
Indien een oeververdediging noodzakelijk is, zal deze de gradiënt van nat naar droog en de daarbij behorende natuurontwikkeling zo min mogelijk moeten verstoren en geen grote barrière mogen vormen voor de flora en fauna. Daarnaast zullen de inrichtings- en onderhoudsmaatregelen zoveel mogelijk levensvoorwaarden voor planten en dieren dienen te scheppen, te herstellen, te ontwikkelen of te handhaven.

Afbeelding 1.2 - Bloemrijke oevers van de Vlaardingse Vlietlanden.

1.4 De ecologische functie van oevers

1.4 De ecologische functie van oevers

In Nederland vormen de grote rivieren, meren en getijdenwateren met hun oevers de natte ecologische hoofdstructuur. Door hun uitgestrektheid vormen zij verbindingszones tussen, in nationaal en internationaal opzicht belangrijke, duurzaam te behouden natuurgebieden en ecosystemen. Maar zij kunnen ook zelf, samen met hun oeverlanden, worden beschouwd als waardevolle natuurgebieden en ecosystemen. Als deze gebieden aan natuurwaarde verloren hebben, zouden ze zo ontwikkeld moeten worden dat deze waarde zich weer kan herstellen.
De kleinere meren, kanalen, beken, vaarten en sloten met hun oevers of oeverlanden vormen de hierop aansluitende regionale ecologische verbindingen, waarvoor naar verhouding hetzelfde geldt.
Een groot aantal planten en dieren leeft in oevers en is voor hun voortbestaan afhankelijk van oevers. Voor vissen vormende waterplanten voedsel en paai-, schuil- en eiafzetplaats. Voor roofvissen als de snoek is plantengroei noodzakelijk als beschutting bij het jagen. Veel soorten ongewervelde dieren en amfibieën zetten hun eieren af op waterplanten. Watervogels en steltlopers kunnen waterplanten als voedsel en als nestmateriaal gebruiken en zorgen ook voor de verspreiding van de zaden van sommige waterplanten. Bij natuurvriendelijke oevers kan men zich richten op het creëren van (delen van) oeverlevensgemeenschappen evenwijdig aan en ook wel dwars op de oeverlijn. Dit kan door ruimte te scheppen of door de ruimte die er is doelmatig in te richten, zodat plaats wordt geboden aan de specifieke soorten planten en dieren.
Natuur komt echter niet alleen tot stand door verandering, aanpassing en geschikte inrichting van de beschikbare ruimte, ook de kwaliteit van het water en de (water)bodem zal voor die planten en dieren geschikt gemaakt moeten worden.

Afbeelding 1.3 - Een natuurlijke oever zou in het meest ideale geval een zeer soortenrijk en gevarieerd biotoop kunnen zijn. Een gebied waar vissen en amfibieën een optimale leefomgeving vinden. Een zone waar talloze vogels van allerlei pluimage voldoende nest-, voedsel- en schuilgelegenheid vinden. Een verbindingsstrook die gebruikt kan worden door kleine en grote zoogdieren. Kortom een gebied waar voor Nederland eigenlijk heel gewone, maar zeldzaam geworden of plaatselijk uitgestorven planten en dieren weer een plekje krijgen.

De snoek
Snoeken hebben een directe relatie met de oever. Deze vissoort wordt hier als een voorbeeld beschreven.
Snoeken hebben waterplanten nodig om te kunnen paaien en gebruiken ze ook als schuilplaats om er te kunnen opgroeien en om er vanuit te kunnen jagen. Snoeken leggen hun eitjes eind maart – begin april, in de nog aanwezige plantenresten van het vorige jaar. De eitjes zijn kleverig en blijven plakken aan de planten. Het broed dat daaruit te voorschijn komt hecht zich een korte tijd met een kleeforgaan aan de planten. Jonge snoeken eten dierlijk plankton en kunnen in grote dichtheden bij elkaar leven. Als de snoeken zes weken oud (4 cm) zijn jagen ze net als de volwassen snoeken op vissen, inclusief de eigen soort, die maximaal 1/3 van de eigen lichaamslengte meten. Ze hebben dan meer ruimte nodig en trekken naar de diepere delen van het plantenrijke water. Na een jaar zijn de snoeken 17 à 35 cm lang. In het tweede jaar groeien zij door tot 30 à 40 cm. De groei in het derde en vierde jaar is afhankelijk van de ruimte in het open water. Wanneer er weinig grote snoeken zijn, groeien ze snel door tot 50 à 60 cm. Wanneer er veel grote snoeken zijn, blijven de snoeken van 45 à 60 cm in de begroeide zone van de oever hangen.
Peilverlagingen in het voorjaar kunnen grote sterfte onder het snoekbroed veroorzaken. Bij het verdwijnen van water- en oevervegetatie, bijvoorbeeld door het schonen van sloten, zijn er minder aanhechtingsplaatsen voor de vislarven en is er minder beschutting voor de kleine snoek tegen zijn jagende, grotere soortgenoten. Hierdoor verandert de leeftijdsopbouw van de snoekstand naar enkele grote snoeken en weinig kleine. Dit heeft grote gevolgen voor de gehele vispopulatie. Zo kan een sterke toename van witvissen zoals de brasem gaan optreden (verbraseming). Vele kleine snoeken in een bepaald water eten immers meer witvis dan enkele grotere snoeken. Veel brasems woelen de bodem te veel om, waardoor het water vertroebelt, de groei van waterplanten sterk vermindert en de opkomst van blauwalgenbloei (waaronder zeer vervelende soorten) wordt bevorderd.

1.5 Oevers en het overheidsbeleid

1.5 Oevers en het overheidsbeleid

Natuurvriendelijke oevers hebben een onwrikbare basis gevonden in het landelijke beleid voor natuur-, milieuen waterbeheer. De Derde en Vierde Nota Waterhuishouding, het Natuurbeleidsplan, het Nationaal Milieubeleidsplan en het Nationaal Milieubeleidsplan Plus, de Vierde Nota Ruimtelijke Ordening en de Vierde Nota Ruimtelijke Ordening Extra komen neer op: ‘duurzame ontwikkeling van ruimte, milieu en waterhuishouding in de Nederlandse samenleving in de compartimenten lucht, water en bodem’.
Ruimtelijk gezien komt dit voor het waterbeheer neer op het denken in watersystemen. Hierbij worden het water, de oevers, het achterliggende land, de waterbodem en het grondwater binnen het beschouwde (beheers)gebied als één groot systeem beschouwd met vele onderlinge relaties.
Wetenschappelijk gezien komt dit neer op een samenwerking tussen de disciplines fysica, chemie en biologie. De belangen van dit beleid worden behartigd door alle bestuurslagen: rijk, provincies, regio’s, waterschappen en gemeenten, maar ook door verschillende belangenorganisaties.
Dit totale bouwwerk is nieuw, maar de bouwstenen bestaan al langer. Wel zullen de bouwstenen door een juiste organisatie goed op het bouwwerk moeten worden afgestemd.

Alle waterbeheerders hebben hun eigen verantwoordelijkheid voor het maken van plannen voor hun eigen gebied als nadere invulling van en afstemming op het landelijk geldende waterhuishoudingsplan.
De benaderingswijze bij de opstelling van een (deel-)waterhuishoudingsplan omvat het vaststellen van de:

  • ontstaanswijze en maatschappelijke rol van het water of watersysteem;
  • omschrijving van de functies van het water of watersysteem;
  • omschrijving van de functies van de (directe) omgeving van het water of watersysteem;
  • toekomstplannen, afwegingen, prioriteiten en afstemmingen op andere plannen;
  • het water- en oeverbeheer.

De oever(zone) zelf vervult een scala aan functies, waarmee nadrukkelijk rekening gehouden moet worden bij de planvorming. Deze worden weergegeven in tabel 1.1.

Tabel 1.1 - Mogelijk gebruik en betekenis van oevers en aangrenzend land en water.

Gebruik / betekenis Waterzijde Oever Landzijde
economie scheepvaart / wateraanvoer en waterafvoer / ontwatering landbouwgrond en bebouwd gebied overslag goederen / begrenzing afvoer- en bergingsprofiel veiligheid landbouw / bedrijven / wonen / infrastructuur
natuur specifieke levensgemeenschappen / ecologische verbinding specifieke levensgemeenschappen / ecologische verbinding specifieke levensgemeenschappen / ecologische verbinding
landschap / cultuurhistorie openheid / oud kanaal, oude riviermeander / ontginningsgeschiedenis accentuering waterloop / accentuering natuurlijk of cultuurlijk beeld / b.v. oude kademuren of oud gemaal open, halfopen, gesloten / cultuurlandschap / b.v. oude dijk of oude bebouwing
recreatie waterrecreatie sportvissen / wandelen / picknicken / natuurbeleving open, halfopen, gesloten / cultuurlandschap / b.v. oude dijk of oude bebouwing

1.6 Het oeverbeheersplan

1.6 Het oeverbeheersplan

De bestemming van een oever(zone) is een vorm van ruimtelijke ordening. Het gaat immers om langgerekte, smalle stroken en soms ook vlakken land en water. Het is zeer wenselijk dat de inrichting en het beheer van oevers planmatig gestalte krijgen als herkenbaar onderdeel van het waterhuishoudingsplan en het waterbeheersplan. Daarin moeten de oevers net zo duidelijk worden behandeld als de andere onderdelen en activiteiten in het beheersgebied, zoals hydrologische ingrepen, afvalwaterzuivering, waterbodemsanering enz. Een deel van dit handboek is gewijd aan het opstellen van zo’n beheersplan voor het onderdeel oevers in het waterhuishoudingsplan respectievelijk waterbeheersplan. Zo’n oeverbeheersplan met goede inventarisaties, omschrijvingen, afwegingen en duidelijke keuzes en prioriteiten, kan het dagelijkse werk van een oeverbeheerder sterk vergemakkelijken. Zorgvuldige voorbereiding in de planfase maakt snelle besluitvorming mogelijk voor inrichting en beheer van oevers.
Dit betekent overigens niet dat de aanwezige oeververdedigingsconstructies die niet meer passen in de integrale benadering direct afgebroken en vervangen dienen te worden. Dat zou kapitaalsvernietiging zijn. In het algemeen kan worden afgewacht tot zulke oevers zijn afgeschreven.

1.7 Uitgangspunten voor natuur in oevers

1.7 Uitgangspunten voor natuur in oevers

Bij het creëren van meer ruimte voor natuur in oevers kan een aantal uitgangspunten worden gehanteerd:

  • Streef een zo groot mogelijke natuurlijkheid na, en pas constructies alleen toe waar dit niet anders kan om de oever aan zijn functies te laten voldoen.
  • Breng een overgangsmilieu tussen water en land tot stand door ruimte te maken voor oevers.
  • Gebruik voor eventuele constructies materialen die milieuhygiënisch verantwoord zijn. Dit geldt niet alleen voor de uitloging, doorgroeibaarheid en begroeibaarheid, maar ook het ontstaan van afval en het vernietigen van natuur en landschap bij de produktieprocessen van die materialen. Daarnaast moet rekening worden gehouden met de mogelijke gevolgen van sloop in de toekomst. In het handboek ‘Oeverbeschermingsmaterialen (CUR 202)’ wordt op veel van deze aspecten ingegaan.
  • Pas materialen toe in hoeveelheden die zo klein zijn als men in redelijkheid verantwoord acht.
  • Werk met planten die zoveel mogelijk uit het eigen gebied of de nabije omgeving komen. Inheemse soorten, bij voorkeur van lokale herkomst, zijn het beste aangepast aan de plaatselijke situatie. Bovendien worden hierdoor de erfelijke eigenschappen van de nog ter plaatse aanwezige planten het minst verstoord. Ook de voor de constructie te gebruiken materialen kunnen het beste natuurlijk of gebiedseigen zijn.
  • Ontwikkeling van een vegetatie met de daarbij behorende fauna in een zo natuurlijk mogelijke oever kost tijd. Een ideale situatie ontstaat niet van de ene op de andere dag. Geef de oever deze tijd.

1.8 Leeswijzer voor het handboek

1.8 Leeswijzer voor het handboek

Hoofdstuk 1 gaf een introductie in het hoe en waarom van natuurvriendelijke oevers. Om rekening te kunnen houden met de vele functies en eisen die worden gesteld, is een systematische aanpak van het oeverbeheer, het liefst in de vorm van een (oever)beheersplan, noodzakelijk. Daarom worden in hoofdstuk 2 ‘Aanpak van oeverprojecten’ de te ondernemen activiteiten voor het maken van een uitgekiend oeverontwerp in een logische volgorde gezet en met elkaar in verband gebracht, waardoor de systematiek inzichtelijk en beter hanteerbaar wordt. Het gaat hier niet om een recept, maar om een hulpmiddel en een checklist bij het opstellen van een oeverbeheersplan of het maken van een oeverontwerp. De gebruiker van het handboek kan de in hoofdstuk 2 genoemde activiteiten inpassen in zijn eigen organisatie en werkwijze.

Tussen de in Nederland te onderscheiden typen wateren en hun oevers bestaan grote verschillen in omstandigheden, doelstellingen, mogelijkheden en technieken. In dit handboek is gekozen voor een onderverdeling in zes watertypen met de bijbehorende oevers, te weten:

  • hoofdstuk 3: Kleine wateren;
  • hoofdstuk 4: Rivieren;
  • hoofdstuk 5: Kanalen;
  • hoofdstuk 6: Zoete meren;
  • hoofdstuk 7: Zoute en brakke meren;
  • hoofdstuk 8: Getijdewateren.

De gebruiker kan op deze manier snel de voor hem of haar relevante informatie vinden. De opbouw van de hoofdstukken 3 tot en met 8 is nagenoeg dezelfde. Daarin wordt achtereenvolgens ingegaan op:

  • de kenmerken van het watertype en zijn oevers;
  • het referentiebeeld van de oever (omschrijving van de ’ideale’ oever);
  • de randvoorwaarden en bepalende factoren voor de oevers, behorende bij het watertype, in relatie tot de plaatselijke omstandigheden, functies e.d.;
  • de praktische uitwerking met voorbeelden voor ontwikkeling, aanleg en inrichting van de oevers.

In alle hoofdstukken wordt verwezen naar de verschillende bijlagen en andere handboeken uit de serie die meer specifieke informatie geven over verschillende onderwerpen en kennisgebieden. De gebruiker van het handboek wordt aangeraden om de in afbeelding 1.4 aangegeven volgorde aan te houden:

  • hoofdstuk 1;
  • hoofdstuk 2;
  • afhankelijk van het beheerde type water: een keuze uit de hoofdstukken 3 t/m 8;
  • de zinvol geachte bijlagen en handboeken.

Afbeelding 1.4 - Opzet van het handboek.