0

hoofdstuk: Bijlage 2 Functies en eisen

1 Inleiding

1 Inleiding

Bij integraal waterbeheer en natuurvriendelijke oevers dient rekening gehouden te worden met meerdere gebruiksfuncties in een gebied. De in het oeverbeheersplan voorgestelde maatregelen en de concrete inrichtingsvoorstellen moeten voldoen aan de eisen die gesteld worden door de aan de oever toegekende (gebruiks)functies. In tabel B 2.1 is een overzicht gegeven van de mogelijke gebruiksvormen en de betekenis van oevers en aangrenzend land en water (Provincie Noord-Holland, 1993). In deze bijlage zullen we, daar waar van toepassing, bij deze gebruiksvormen ook de gebruiksfuncties voor oevers zoals ze zijn verwoord in het Beheersplan voor de Rijkswateren (BPRW2), beschrijven.
De belangrijkste functies van de oever inclusief de daaraan verbonden eisen, worden in het navolgende kort besproken, voor zover sprake is van algemeen geldende richtlijnen:

  • economie
    • vastleggen van de oeverlijn (paragraaf 2);
    • begrenzing van de vaarweg en geleiding van de scheepvaart (paragraaf 3);
    • stroomgeleiding en afvoer van water (paragraaf 4);
  • natuur, ook wel ecologie genoemd (paragraaf 5);
  • landschap (paragraaf 6);
  • cultuurhistorie (paragraaf 7)
  • recreatie waaronder lokale recreatie zoals water- en oeverrecreatie, sportvisserij (paragraaf 8).

Tabel B 2.1 Mogelijk gebruik en betekenis van oevers en aangrenzend land en water.

Betekenis Waterzijde Oever Landzijde
Economie scheepvaart / wateraanvoer / en waterafvoer / ontwatering landbouwgrond en bebouwd gebied overslag goederen / begrenzing afvoer- en bergingsprofiel / veiligheid landbouw / bedrijven / wonen / infrastructuur
Natuur specifieke levensgemeenschappen / ecologische verbinding specifieke levensgemeenschappen / ecologische verbinding specifieke levensgemeenschappen / ecologische verbinding
Landschap / Cultuurhistorie openheid / oud kanaal, oude riviermeander / ontginningsgeschiedenis accentuering waterloop / accentuering natuurlijk of cultuurlijk beeld (b.v. oude kademuren of oud gemaal open, halfopen, gesloten / cultuurlandschap / natuurlijk landschap / b.v. oude
Recreatie waterrecreatie (zeilen en motorvaart, kanoën, roeien, plankzeilen, vissen vanaf boot) oeverrecreatie (sportvissen, zwemmen) landschapsbeleving (wandelen, fietsen, paardrijden)

De oeverfuncties zijn vaak natuur (ecologie) en veiligheid en in toenemende mate ook recreatie. De functies van het aangrenzende water en land beïnvloeden de oever.

De functies van de grotere watersystemen zijn vastgelegd in de Vierde Nota Waterhuishouding (Ministerie van Verkeer en Waterstaat, 1999) en het Beheersplan voor de Rijkswateren 2 (Rijkswaterstaat, 1998). Binnen Rijkswaterstaat staat het 'functioneel denken' centraal. Dit betekent dat gebruiksfuncties worden toegekend aan de oevers, bodems, water, kunstwerken en facilitair van de in het Beheersplan voor de Rijkswateren benoemde watersystemen. Per functie worden voor deze zogenoemde objectcategorieën, waaronder oevers, streefbeelden en daaruit voortvloeiende functie-eisen opgesteld. Tot op heden is er niet of nauwelijks sprake van algemeen geldende richtlijnen of concrete functie-eisen voor oevers. Dit komt ten eerste omdat functioneel denken evenals het stellen van functie-eisen aan oevers nog geen lange geschiedenis kennen en ten tweede omdat functie-eisen een sterk gebiedsgericht karakter hebben.
De gebruiksfuncties voor oevers langs de grotere watersystemen die van toepassing zijn, zijn achtereenvolgens: waterkeren, afvoer, transport (beroepsvaart en recreatievaart), ecologie en waterkwaliteit en lokale recreatie, zwemwater, oeverrecreatie en sportvisserij. Voor de functie transport in combinatie met oevers kan bijvoorbeeld gedacht worden aan kribben en aanleginrichtingen. Bij waterkeren praten we over oevers in de vorm van dijken en stranddammen.
En kribben zorgen in het kader van de functie afvoer voor het instandhouden van het gewenste doorstroomprofiel. Naast deze gebruiksfuncties uit het Beheersplan voor de Rijkswateren is er nog sprake van meer aan het land gekoppeld grondgebruik dat eisen stelt aan de oever; het betreft landbouw op en langs 245 oevers/in uiterwaarden en waterkeren, industrie/wonen en infrastructurele werken zoals (spoor)wegen en leidingenstraten. De functies voor de overige wateren zijn vastgelegd in de provinciale waterhuishoudingsplannen en de beheersplannen van de regionale waterbeheerders.

Behalve de genoemde nota's waarin de functies zijn vastgelegd, zijn er nog een aantal nota's waarin de maatschappelijke zienswijzen met betrekking tot de oeverzorg zijn vertaald in na te streven doelstellingen en concrete maatregelen. Bij het opstellen van een beheersplan of het maken van concrete inrichtingsvoorstellen dient hiermee rekening te worden gehouden. In tabel B 2.2 staan de belangrijkste nota's, wetten en andere relevante documenten op een rij. De afstemming tussen de belangrijkste regelingen is helaas (nog) niet bepaald vlekkeloos en goed te doorzien. Er is echter wel degelijk samenhang! Top-down heeft men te maken met: wetgeving, rijksbeleid verwoord in nota's, regionale beleids- en beheersplannen en ten slotte facetplannen/ projectnota's/MERs. Een voorbeeld van samenhang tussen genoemde documenten is bijvoorbeeld de verplichting voor waterbeheerders, voortvloeiend uit de Derde Nota Waterhuishouding, om een waterhuishoudingsplan te maken. Een samenhang tussen verschillende wetten is te vinden in Deel 1 van de rapportage 'Directe Toepassing Baggerspecie Wet en Regelgeving' of het 'Handboek Wetgeving Directie Oost-Nederland/Maas' .
Bij de realisering van goede oeverzorg zal dan ook veel afhangen van de mate waarin (voor een groot deel op vrijwillige basis) overeenstemming kan worden bereikt tussen alle belanghebbenden.
Voor de rijkswateren geldt dat voor de verschillende trajecten van watersysteemdelen per objectcategorie sprake is van een prioritaire functie. Dit noemen we binnen de Beheers Plannen Nat (BPN) bij rijkswateren 'het zwaartepuntsprincipe'. Echter, ondanks dat deze functie leidend zal zijn bij vaststellen van het streefbeeld voor de oever, alsmede voor het onderhoud aan deze oever, wordt altijd gestreefd naar het opstellen van een integraal streefbeeld waarin alle functies zoveel mogelijk worden meegenomen en waarbij de oever voor de verschillende belanghebbenden een belangrijke rol vervult. Dit integrale streefbeeld vormt de basis voor de functie-eisen.

Tabel B 2.2 De belangrijkste nota's, wetten en andere relevante documenten.

Rijk Europese Kaderrichtlijn Water
Europese Habitat richtlijn
Waterstaatswet 1900
Wet op de Waterhuishouding
Wet Milieubeheer 1992
Wet Bodembescherming 1986
Afvalstoffenwet
Ontgrondingenwet
Wet op de Ruimtelijke Ordening 1962
Natuurbeschermingswet 1967
Beleidregel Natuurcompensatie en Tracéwet
Flora en Fauna wet
Rivierenwet
Waterschapswet
Wet Verontreining Oppervlaktewater
Vierde Nota Waterhuishouding 1999
Beheersplan voor de Rijkswateren 2
Nationaal Milieubeleidsplan en Nationaal Milieubeleidsplan (Plus), 1989&1990
Vierde Nota Ruimtelijke Ordening 1990 (Extra 1991), (5e is in voorbereiding)
Natuurbeleidsplan 1990
Structuurschema's (b.v. Groene Ruimte 1992, Openluchtrecreatie
Structuurnota's (b.v. Landbouw)
Landinrichtingsplannen
Nota Landschap
Baggerreglement
Rijksrivierdijkenreglement
Bouwstoffenbesluit
Beleidsnotitie Actief Bodembeheer Rivierbed
Beleidslijn Ruimte voor de Rivier
Provincies Streekplannen
Natuurbeleidsplannen
Milieubeleidsplannen
Waterhuishoudingsplannen
Provinciale waterkwaliteitplannen
Wateraccoorden
Gemeente Bestemmingsplan
Milieubeleidsplan
Landschapsbeleidsplan
Beheersplannen gemeenten
Waterschap Beheersplannen (waterkwantiteit en waterkwaliteit)
Peilbesluiten
Keur