0

publicatie: 204 Natuurvriendelijke oevers: Vegetatie langs grote wateren

1 Inleiding

1 Inleiding

Dat de vegetatie een belangrijk aspect van de oever is, is duidelijk: het is vooral de plantengroei die zich onmiddellijk kenbaar maakt. De functie van de oevervegetatie is drieledig. Allereerst heeft ze een beschermende functie; het plantendek houdt de bodem vast en beschermt de oever tegen afslag. Ten tweede vertegenwoordigt ze belangrijke natuurwaarden en is ze van betekenis voor de fauna (ecologische functie). De oevervegetatie heeft daarbij tevens een corridorfunctie; dieren en planten kunnen hierlangs migreren om van het ene in het andere leefgebied te komen. Tenslotte vervullen oeverbegroeiingen een belangrijke rol in de beleving van het landschap; denk daarbij aan een wuivende rietkraag in de winter of aan een oever met rietsigaren.

Afbeelding 1.1 Een oever met rietsigaren. (Foto RW5-DWW)

Door het aanleggen van harde oeververdedigingen en andere kunstwerken is veel oevervegetatie verdwenen en daarmee ook het leefgebied voor diverse oevergebonden diersoorten. De dekking die dieren nodig hebben valt weg, nestmateriaal is niet meer voorhanden en ook treedt voedselschaarste op. Redenen te over om meer natuurvriendelijke oevers aan te leggen waar vegetatie volop de ruimte heeft om zich te ontwikkelen. Met behulp van dit handboek wordt concreet gemaakt welke begroeiingen waar zijn te verwachten als inrichtingsen beheermaatregelen genomen worden. Daartoe is een koppeling gelegd tussen ecotopen (ruimtelijke landschappelijke eenheden die gevormd worden onder invloed van hydralogie, morfologie en het landgebruik ter plaatse) en de daarin voorkomende vegetatietypen.

1.1 Doelgroep en doelstelling

1.1 Doelgroep en doelstelling

Het handboek 'Vegetatie langs grote wateren' is bedoeld voor medewerkers van instanties die grote wateren beheren. Enige kennis van vegetatie en ecologie is vereist bij het gebruik van het handboek. Het handboek vormt een schakel tussen beleidsdocumenten zoals de 3e en 4e nota waterhuishouding van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat en de uitwerking hiervan in ontwikkelingsvisies en beheerplannen. In dit kader valt te denken aan de Beheerplannen Nat (SPN), die binnen Rijkswaterstaat gehanteerd worden, en het uitvoeren van Milieu Effect Rapportages (MER). Het is een hulpmiddel bij het maken en uitwerken van concrete plannen en bij het beoordelen of doelstellingen gehaald zijn en is toegesneden op de uitvoering (richtlijnen voor aanleg en onderhoud) en evaluatie (voorbereiding en uitvoering van monitoring).

1.2 Afbakening

1.2 Afbakening

In dit handboek wordt de vegetatie besproken van oevers langs grote bevaarbare, zoete en brakke (rijks)wateren; in bijlage 1 is een lijst van de wateren opgenomen. Het accent ligt op die ecotopen en plantengemeenschappen die min of meer direct onder invloed staan van het oppervlaktewater. In het algemeen zijn dit water- en oeverecotopen, en de ecotopen van de laaggelegen terreindelen zoals lage delen in uiterwaarden. De plantengroei op de drogere delen langs grote wateren komen aan de orde in enkele beschrijvingen van natuurontwikkelingsprojecten. Van de watersystemen rivieren, meren en kanalen is een voorbeeld uitgewerkt. Van de hier behandelde vegetatietypen worden de soortensamenstelling, hun ecologie, de verspreiding en het natuurbeheer besproken. De vegetatie van oevers langs kleine regionale wateren wordt behandeld in het handboek 'Water- en oeverplanten'. De oeverbeschermende en landschappelijke functie van de oevervegetatie komt aan bod in het handboek 'Aanpak en toepassingen'. De dimensionering van oevers wordt besproken in het handboek 'Belasting en sterkte' en de te gebruiken materialen in het handboek 'Oeverbeschermingsmaterialen'; de bespreking van het dierenleven in oevers vindt plaats in het handboek 'Fauna'.

Dit handboek omvat zes hoofdstukken. Na het inleidende hoofdstuk wordt in Hoofdstuk 2 ingegaan op achtergrondinformatie die van belang is voor de gebruiker. In Hoofdstuk 3 wordt de ecologie van water- en oevervegetatie behandeld; hier komen onderwerpen aan bod zoals zonering en successie, verspreidingsmechanismen en corridorfunctie. Hoofdstuk 4 geeft een overzicht van plantengemeenschappen van oevers van rivieren, meren, kanalen en de zoete delta; hier wordt aangegeven in welke ecotopen deze plantengemeenschappen voorkomen. Tevens wordt in dit hoofdstuk ingegaan op het beheer van vegetatie. In Hoofdstuk 5 wordt ingegaan op de effecten van inrichtingsmaatregelen op de ontwikkeling van de vegetatie; en worden enkele natuurvriendelijke oever- en grootschalige natuurontwikkelingsprojecten besproken. Hoofdstuk 6 behandelt de monitoring van de vegetatie.

1.3 Het gebruik van het handboek

1.3 Het gebruik van het handboek

Aan de hand van twee voorbeelden wordt aangegeven hoe dit handboek gebruikt kan worden. Het eerste voorbeeld gaat uit van een ingreep in het milieu, dus van sturing door middel van inrichting; het tweede is een voorbeeld van sturing door middel van het wijzigen van het vegetatiebeheer. Tabel 1.1 geeft een overzicht van de te nemen stappen en geeft aan wat in welke stap bepaald wordt, waar de stap in dit handboek besproken wordt en waar de gegevens voor de stappen te vinden zijn. In deze tabel is uitgegaan van grote wateren in beheer bij Rijkswaterstaat. Voor andere beheerders zijn vergelijkbare documenten aanwezig.

Tabel 1.1 Stappenplan.
Voorbeeld 1: Sturing door middel van inrichting

Een waterbeheerder heeft een kanaaloever in beheer en wil deze door in te grijpen in het milieu (conform het beleid) natuurlijker maken. De uitgangssituatie is een intensief begraasd grasland. In dit voorbeeld wordt stap voor stap aangegeven hoe dit doel met behulp van dit handboek bereikt kan worden.

Stap 1 is het bepalen van het streefbeeld.
In de AMOEBE voor kanalen en het Beheerplan Nat is aangegeven welke natuurwaarden, op het desbetreffende traject, versterkt dienen te worden voor het beter ecologisch functioneren van het watersysteem. Het zijn (1) het stimuleren van de ontwikkeling van watervegetatie als paaien opgroeigebied voor vissen en (2) het stimuleren van de helofytenvegetatie als broedgelegenheid voor vogels.

Stap 2 is het bepalen van het te ontwikkelen ecotoop.
Het ecotoop is aangegeven in het Kanalen Ecotopen Stelsel (KES) en daaruit blijkt dat het gaat om (1) ondiep water met waterplanten (Ow) en (2) ondiep water met helofyten (Oh). Het kanaal is echter een scheepvaartkanaal (klasse 4) waardoor deze ecotopen niet in de bestaande watergang te realiseren zijn. Om het doel te bewerkstelligen moet inrichting plaatsvinden. Het Kanalen Ecotopen Stelsel onderscheidt voor deze situatie een apart ecotoop: een natte strook met een vooroeververdediging (ecotoop Ov-2).

Stap 3 is het bepalen van de plantengemeenschappen voor de desbetreffende ecotopen. Hoofdstuk 4 van dit handboek geeft de koppeling tussen ecotopen en plantengemeenschappen, inclusief een beschrijving van de plantengemeenschappen. In Tabel 4.3 kan de beheerder het bij het ecotoop horende vegetatietype opzoeken. Het gaat om de volgende vegetatietypen: Kranswierengemeenschappen (1A), Ondergedoken fonteinkruidengemeenschappen (1B), Drijfbladgemeenschappen (1C) en Rietgemeenschappen (3B).

Afbeelding 1.2 Een vegetatie met ondergedoken fonteinkruiden en Riet. (Foto M. Soesbergen)

Stap 4 is het bepalen van de inrichtingsmaatregelen ten behoeve van de beoogde plantengemeenschappen.
Hoofdstuk 5 van dit handboek geeft de koppeling tussen inrichting en vegetatie (Tabel 5.1) en geeft aan dat: (1) een plasberm aangelegd dient te worden voor gemeenschappen van open water en (2) dat er verschillende mogelijkheden zijn om rietvegetatie te ontwikkelen. Omdat het gaat om een kanaal wordt, aansluitend bij de aanleg van een plasberm, gekozen voor de aanleg van een flauw talud. Een te maken keuze is het al dan niet aanleggen van openingen in de damwand. Uit het handboek 'Fauna' blijkt dat voor het paaien van vissen het noodzakelijk is om openingen te maken, omdat alleen dan uitwisseling met het kanaalwater mogelijk is. Dat hierdoor de kans op gemeenschappen met kranswieren sterk verkleind wordt, wordt op de koop toe genomen. De keuze voor een damwand met openingen wordt mede ingegeven door het feit dat de plasberm ter plaatse niet gevoed wordt door kwelwater; in dat geval zou eerder voor een gesloten plasberm worden gekozen. Met deze kennis kan de beheerder aan de slag en een plasberm (laten) aanleggen. Om de ontwikkeling van Rietgemeenschappen te stimuleren kunnen rietplanten worden ingebracht (relevante informatie hierover is te vinden in het handboek 'Oeverbeschermingsmaterialen').

Stap 5 is het vaststellen van het vegetatiebeheer.
Dit handboek geeft in Hoofdstuk 4 (TabeI 4.12) aan dat: (1) de gemeenschappen van het open water (1 A, 1B, 1C) geen beheer behoeven (niets doen) en (2) de Rietgemeenschappen eens in de 2 à 3 jaar, bij voorkeur in de winter, gemaaid moeten worden. Als de plasberm deel uitmaakt van een serie plasbermen of erg lang is, is het belangrijk om ten behoeve van de overlevingskansen van de fauna het beheer gefaseerd uit te voeren, dus dat niet alle plasbermen of de hele lengte tegelijk gemaaid worden.

Stap 6 vaststellen monitoringprogramma.
Het zesde hoofdstuk van dit handboek geeft aan, afhankelijk van de doelstelling, welke vorm van monitoring de voorkeur verdient. Omdat het om het watertype kanalen gaat en een smalle oever waarin gemeenschappen fragmentarisch of door elkaar zullen voorkomen, wordt gekozen voor methode drie uit Tabel 6.2: Onderzoeksmethode Monitoring Oevervegetatie (OMO). Het Floristisch Meetnet zou voor monitoring van deze eenvoudige gemeenschappen ook toereikend zijn, maar wordt in kanalen nog niet toegepast.

Stap 7 is monitoring, op grond waarvan wordt bepaald of het beheer moet worden aangepast. Voldoet de aangetroffen vegetatie aan het streefbeeld, dan blijft het bestaande beheer gehandhaafd. Is dat niet het geval, dan geeft dit handboek in de hoofdstukken 4 en 5 aan welk ander beheer (omvormingsbeheer) noodzakelijk is. Na vijf jaar blijkt uit de monitoring dat de watervegetatie is veranderd van een gemeenschap met ondergedoken fonteinkruiden naar een dik kroosdek; tevens heeft zich op de bodem een dikke, organische modderlaag afgezet. Uit Tabel 5.1 wordt afgelezen dat voor het herstel van de nagestreefde vegetatie baggeren met afvoer van de bagger noodzakelijk is.


Voorbeeld 2: Sturing door middel van beheer

In een laaggelegen oever langs het brakke Noordzeekanaal staat een door brandnetels gedomineerde rietruigte en de beheerder wil weten hoe door middel van beheer een soortenrijkere begroeiing kan worden verkregen.

Stap 1 is het bepalen van het streefbeeld.
In de AMOEBE kanalen en het Beheerplan Nat staat welke natuurwaarden langs dit traject van het kanaal versterkt dienen te worden. Als streefbeeld wordt aangegeven het stimuleren van karakteristieke brakke soorten zoals Echt lepelblad en Heemst.

Stap 2 is het bepalen van het ecotoop.
Het ecotoop verandert niet omdat hier alleen het beheer wordt aangepast en is en blijft laag gelegen terrein met brakke invloeden (bLr).

Stap 3 is het koppelen van de plantengemeenschappen met het desbetreffende ecotoop.
Hoofdstuk 4 van dit handboek geeft de koppeling tussen ecotopen en plantengemeenschappen, inclusief een beschrijving van de plantengemeenschappen. In Tabel 4.3 kan de beheerder het bij het ecotoop horende vegetatietype opzoeken. Het kan gaan om diverse natte strooiselruigten: (Moerasspireagemeenschappen (4A) , Groot-Hoefbladgemeenschappen (4C), Harigwilgenroosjegemeenschappen (4D), Haagwinde-Rietruigten (4E), Brandnetel-Rietruigten (4F) en Late-guldenroedegemeenschappen (4G). In de beschrijving van deze plantengemeenschappen kan de beheerder lezen dat de beoogde doelsoorten (Echt lepelblad en Heemst) alleen voorkomen in Harig-wilgenroosjegemeenschappen, zodat de beheerder zich op de ontwikkeling van deze gemeenschap zal moeten richten.

Stap 4 is het bepalen van de inrichtingsmaatregelen ten behoeve van de beoogde plantengemeenschappen.
Deze stap is hier niet van toepassing.

Stap 5 is het vaststellen van het vegetatiebeheer.
Dit handboek geeft in hoofdstuk 4 (TabeI 4.12) aan dat Brandnetel-rietruigten kunnen overgaan in Harig-wilgenroosjegemeenschappen als de vegetatie jaarlijks in de winter gemaaid wordt (mits het maaiveld laag genoeg is), waarbij tevens het maaisel wordt afgevoerd. Omdat hier sprake is van brakke omstandigheden is de kans reëel dat de doelsoorten verschijnen. Ook soorten als Moerasmelkdistel, Wolfspoot, Gewone engelwortel, Moerasandoorn en Bitterzoet kunnen zich in deze begroeiingen vestigen (zie Tabel 4.3).

Stap 6 vaststellen monitoringprogramma.
Het zesde hoofdstuk van dit handboek geeft, afhankelijk van de doelstelling, aan welke vorm van monitoring de voorkeur verdient. In dit geval kunnen voldoende homogene vegetatieopnamen gemaakt worden en biedt vegetatiemonitoring volgens de landelijke vegetatiekartering (methode een uit Tabel 6.2) de beste garantie voor een goede evaluatie van het effect van de uitgevoerde beheersmaatregelen.


Grote engelwortel (Angelica archangelica)
De Grote engelwortel of Aartsengelwortel werd als cultuurgewas in Europa ingevoerd, waarna hij is verwilderd en ingeburgerd. In ons land is de soort via de Rijn binnengekomen, waarna zij zich verder westwaarts langs de grote rivieren en ook langs sommige kanalen heeft weten te vestigen. De opmars lijkt nog niet gestuit; zo komt deze plant inmiddels ook voor in het noorden van het Deltagebied en in het IJsselmeergebied. Grote engelwortel is al met al een plant van voedselrijke, zoete tot zwak brakke standplaatsen. Anders dan Gewone engelwortel en Gewone berenklauw verdraagt de plant dagelijkse overstroming, waardoor deze soort lager op de oever kan groeien; de overstromingen zorgen tevens voor aanvoer van voldoende voedingsstoffen. De levensduur van de plant hangt samen met de wisselvalligheid van het milieu: Grote engelwortel kan in een jaar zijn levenscyc!us vervolmaken, maar kan er ook verscheidene jaren over doen om te bloeien; pas als ze op volle wasdom is, brengt de plant de enorme bloeistengel voort met de grote, bleekgroene bloemschermen. De plant kan wel 2,5 m hoog worden en heeft dan een dikke, knolvormige wortel. De stengel is gegroefd; de bladeren hebben een buisvormige, ronde bladsteel en scherp stekelpuntig getande deelblaadjes
Stap 7 is monitoring, op grond waarvan wordt bepaald of het beheer moet worden aangepast. Na drie jaar wordt geconstateerd dat de gewenste soorten zich nog niet gevestigd hebben. De begeleidende soorten wijzen er evenwel op dat het gevoerde beheer wel degelijk effectief is, in die zin dat een soortenrijkere strooiselruigte is ontstaan waarin ook de doelsoorten thuishoren. De aangetroffen vegetatie voldoet nog niet aan het streefbeeld, maar ondanks het feit dat de doelsoorten nog niet zijn verschenen, is het oordeel over het gevoerde beheer toch positief en wordt dit beheer voorlopig gehandhaafd.