0

publicatie: Praktijkwijzer verantwoord gevelonderhoud

1 Introductie verantwoord gevelonderhoud

1 Introductie verantwoord gevelonderhoud

1.1 Inleiding

Bij het onderhoud aan gevels van woningen en gebouwen worden veel producten en materialen gebruikt. Deze kunnen in mindere of meerdere mate belastend zijn voor de mensen die ermee werken en voor het milieu. Ook de werkmethoden kunnen mens en milieu belasten tijdens de uitvoering.

De stoffen in onderhoudsproducten worden geselecteerd om hun werkzaamheid. Het voordeel dat deze stoffen goed werken heeft echter vaak ook een nadeel, want juist door hun werking kunnen deze stoffen een probleem vormen voor de medewerkers die ermee werken of er om andere redenen langdurig mee in aanraking komen. En ook kunnen deze stoffen in het milieu terechtkomen en daar mogelijk een effect hebben dat we als samenleving niet wensen.

Inzichten en criteria veranderen voortdurend. Niet alleen raakt steeds meer bekend over de effecten van stoffen op mens en milieu, ook de grens van wat maatschappelijk aanvaardbaar of verantwoord is verandert voortdurend.

Het doel van deze praktijkwijzer is inzichtelijk te maken welke gevaarlijke stoffen er voorkomen in onderhoudsproducten en of er alternatieven beschikbaar zijn.

Om verantwoord gevelonderhoud te kunnen uitvoeren zijn naast energiebesparende maatregelen en vervoer van en naar de bouwplaats drie materiaalaspecten van belang:

  1. de mate van milieubelasting van een product of materiaal gedurende de gehele levenscyclus;
  2. de mate van mens- en milieubelasting van een product, materiaal en werkmethode tijdens het gebruik;
  3. de prestatie van een product of materiaal in relatie tot de eisen of wensen.

1.2 De milieubelasting van een product of materiaal gedurende de gehele levenscyclus

1.2.1 Levenscyclusanalyse (LCA)

Een veel gebruikte methode om inzicht te krijgen in de duurzaamheid van bouw- en onderhoudsproducten is een levenscyclusanalyse (LCA). Hierbij wordt op een systematische wijze in kaart gebracht wat de milieubelasting is van een product of systeem in de verschillende levensfasen, zoals de:

  • productiefase;
  • constructiefase;
  • gebruiksfase;
  • eindfase.

Om de berekening van de levenscyclus van (bouw)materialen beter onderling af te stemmen, hebben diverse marktpartijen in Nederland een handleiding milieuprestaties gebouwen ontwikkeld. Hierin is een geharmoniseerde rekenmethode beschreven. Ook de achterliggende materialen- en productendatabase zijn geharmoniseerd tot de Nationale Milieudatabase. In Nederland zijn afspraken betreffende LCA-berekeningen ondergebracht bij de Stichting Bouwkwaliteit. Deze stichting beheert ook de Nationale Milieudatabase.

In de meeste LCA-studies wordt de schadelijkheid van producten voor de gebruiker op de bouwplaats niet meeberekend, en evenmin de emissies van gevaarlijke stoffen naar het binnenklimaat.

De resultaten van de berekeningen van een LCA-studie worden uitgedrukt in milieukosten (€). Milieukosten zijn de kosten die gemaakt zouden moeten worden om schade aan het milieu te voorkomen en te herstellen. Met andere woorden: een sterk milieubelastend onderhoudsproduct, bijvoorbeeld een afbijtmiddel op basis van dichloormethaan, heeft hogere milieukosten dan een minder vervuilend onderhoudsproduct zoals een biocidevrije, oplosmiddelvrije en weekmakervrije watergedragen muurverf.

Om inzicht te krijgen in de duurzaamheid van bouw- en onderhoudsproducten zijn enkele keurmerken en methoden van belang:

  • Ecolabel;
  • Cradle to Cradle-certificering;
  • NIBE-milieuclassificaties bouwproducten en DUBOkeur;
  • GPR Onderhoud.

Juridisch is het niet juist om (milieu)keurmerken te eisen. Een reden hiervoor is dat dit discriminerend kan zijn [Pianoo, 2011]. Keurmerken kunnen wel gebruikt worden als bewijslast.

1.2.2 Ecolabel

Sinds 1992 heeft de Europese Commissie een Europees Ecolabel in het leven geroepen, gesymboliseerd door een bloem waarvan de blaadjes sterren zijn. Dit label wordt toegekend aan producten die de minste impact hebben op het milieu en de gezondheid. Het label geldt in de Europese Unie.

Tijdens het onderzoek duurzaam vastgoedonderhoud zijn er op de Nederlandse markt geen bouw- en onderhoudsproducten gevonden met een Ecolabelcertificaat. In de ons omringende landen zoals Engeland en Frankrijk zijn diverse producten met Ecolabel verkrijgbaar voor onderhoud aan de gevel.

1.2.3 Cradle to Cradle-certificering

Een uitgebreide methode om inzicht te krijgen in de duurzaamheid van bouw- en onderhoudsproducten is het Cradle to Cradle(C2C)-concept [Braungart M., McDonough W., 2002]. De Cradle to Cradle-certificering bestaat uit een Basic-, Silver-, Gold- en Platinum-niveau. Het Basic- en Silver-niveau geven aan dat een bedrijf bezig is om aan de C2C-criteria te gaan voldoen, en het Gold- en Platinum-niveau geven aan dat een bedrijf en product daadwerkelijk aan een bepaald niveau voldoet.

Het Cradle to Cradle-certificeringprogramma bevat naast de bekende LCA-berekeningen van de levensfasen van een product tevens eisen betreffende gevaarlijke stoffen, hernieuwbaarheid en hergebruik van grondstoffen, gebruik van schone energiebronnen, watergebruik en sociale verantwoordelijkheid.

Tijdens het onderzoek duurzaam vastgoedonderhoud is er op de Nederlandse markt één bouw- en onderhoudsproduct gevonden met een C2C-certificaat Gold, en dat betreft geacetyleerd naaldhout.

1.2.4 Nederlands Instituut voor Bouwbiologie en Ecologie (NIBE)

NIBE is een adviesbureau dat zich bezighoudt met voorlichting over milieubewust en gezond bouwen. NIBE geeft een basiswerk uit en stelt een online database beschikbaar met informatie over de milieueffecten van bouwmaterialen [NIBE, 2012]. Recent is een nieuwe indicator aan NIBE's basiswerk toegevoegd: de Bron tot Bron (B2B)-factor. Deze factor geeft een indicatie in hoeverre een bouwproduct aan het Cradle to Cradle-principe voldoet.

De (B2B-)factor probeert een brug te slaan tussen het LCA-rekenen en het C2C-principe. De factor waarin B2B wordt uitgedrukt zegt iets over de mate waarin een materiaal of product voldoet aan het C2C-principe. Voor het berekenen van de B2B-factor worden zo veel mogelijk dezelfde uitgangspunten gebruikt als voor het C2C-principe, met uitzondering van de sociale verantwoordelijkheid van een fabrikant in verband met het ontbreken van objectieve gegevens.

NIBE geeft het keurmerk DUBOkeur uit, dat laat zien dat een bouwproduct tot de meest milieuvriendelijke producten in een bepaalde toepassing behoort. Voor het DUBOkeur wordt gekeken naar het specifieke toepassingsgebied van een product. Binnen iedere productgroep komen de beste producten in aanmerking voor het keurmerk. Er wordt een classificatie gemaakt waarbij verschillende producten onderling met elkaar worden vergeleken, waarbij het beste product milieuklasse 1a (beste keuze) krijgt. Andere producten binnen dezelfde productgroep worden vergeleken met deze referentie, waarbij de slechtst mogelijke score klasse 7c is: onaanvaardbare keuze.

1.2.5 GPR Onderhoud

Onderzoekinstituut OTB (TU Delft), W/E adviseurs en marktpartijen hebben een rekentool ontwikkeld om de duurzaamheid van onderhoudsscenario’s door te rekenen op basis van levenscyclusanalyse.

De kern van GPR Onderhoud is de berekening van de milieubelasting door onderhoudsactiviteiten. De belasting is opgesplitst in 10 effecten, waaronder het broeikaseffect (CO2). De totaalscore over deze effecten wordt weergegeven in milieukosten. Kwaliteitsniveau en kosten variëren per onderhoudsscenario. GPR Onderhoud werkt met onderhoudsscenario's waarbij de gebruiker per activiteit (bijvoorbeeld: vervangen kozijnen) de aantallen en cycli aangeeft, zoals dat ook bij een meerjarenonderhoudsbegroting gebeurt. Door koppeling aan een database met de milieubelasting van de activiteiten worden de resultaten gegenereerd.

1.2.6 Ontbreken van LCA-informatie voor onderhoudsproducten

Helaas is van veel onderhoudsproducten nog niet bekend wat de mens- en milieubelasting is gedurende de gehele levenscyclus. In een vergelijking tussen de in deze praktijkwijzer genoemde onderhoudsproducten en materialen en de data van C2C, NIBE en GPR Onderhoud blijkt dat voor veel producten nog een LCA moet worden doorgerekend.

Van de 146 in deze praktijkwijzer genoemde onderhoudsproducten en materialen voldoet 1 product aan C2C (Gold), 21 producten zijn te koppelen aan de NIBE-database en 40 producten zijn te koppelen aan GPR Onderhoud. Zowel NIBE als GPR Onderhoud maakt gebruik van de Nationale Milieudatabase die de Stichting Bouwkwaliteit beheert.

1.3 De mate van mens- en milieubelasting van een product of materiaal tijdens het gebruik

Dit aspect wordt behandeld in deze praktijkwijzer. Omdat in de meeste (LCA-)methoden en certificeringsystemen, met uitzondering van het C2C-concept, de directe belasting voor mens en milieu van onderhoudsproducten niet wordt doorgerekend, is hieraan in deze praktijkwijzer aandacht geschonken.

Dit geeft een goed inzicht voor gebruikers van onderhoudsproducten die er dagelijks mee werken.

Om inzicht te krijgen in de mate van mens- en milieubelasting van onderhoudsproducten is geïnventariseerd welke onderhoudsproducten in de dagelijkse praktijk van woningcorporaties en onderhoudsbedrijven het meest worden gebruikt. Vervolgens is geanalyseerd welke gevaarlijke stoffen deze onderhoudsproducten bevatten. Hierdoor wordt het mogelijk bewustere keuzes te maken en voor onderhoudsproducten met zeer gevaarlijke stoffen een gezonder en minder milieubelastend alternatief te vinden.

1.4 De prestatie van een product of materiaal in relatie tot de eisen of wensen

Van onderhoudsproducten wordt een bepaalde prestatie verwacht. Dit kan de functionaliteit zijn, bijvoorbeeld schimmelwering, slijtvastheid of waterwerendheid. Ook de levensduur van een onderhoudsproduct of de tijd dat een product of systeem functioneert, is belangrijk.

In verantwoord gevelonderhoud is de levensduur van belang. Hoe langer de intervalperiode tussen onderhoud is, des te minder hoeft er onderhoud te worden uitgevoerd, althans bij voortdurende exploitatie van de woningen of gebouwen. Minder onderhoud betekent minder mens- en milieubelasting en minder materiaal- en energieverbruik.

Het schatten van de levensduur van bouwproducten is geen eenvoudige opgave in verband met het aantal invloedsfactoren. In de SBR-publicatie Levensduur van bouwproducten [Straub A.,Van Nunen H.,Janssen R.,Liebregts M.A.A.M., 2011] wordt de factormethode (ISO 15686) beschreven. Met deze methode kan de levensduur van bouwproducten worden geschat op basis van specifieke ontwerp- en projectomstandigheden.

In verband met de hoeveelheid invloedsfactoren op de levensduur van bouwmaterialen is in deze praktijkwijzer gekozen voor een prestatieomschrijving om de kwaliteit van het proces te kunnen borgen. In het deel Praktijkwijzer verantwoord gevelonderhoud – Maatregelkaarten is een gewenste prestatieduur omschreven per onderhoudshandeling. Dit is een voorstel: per project moet worden vastgelegd en afgesproken wat de prestatieeisen zijn en hoe lang de prestatieduur is. De prestatiemeting is gebaseerd op de methodiek die het Verf Advies Centrum hanteert. De meetmethode is te vinden in de SBR kennispaper Meetmethode bij onderhoud aan gevels van woningen en gebouwen.

Voor de initiële productkwaliteit van verven en verwante producten wordt in het deel Praktijkwijzer verantwoord gevelonderhoud – Maatregelkaarten verwezen naar de kwaliteitsomschrijvingen van het Centrum voor Onderzoek en Technisch Advies (COT). Deze kwaliteitsomschrijvingen zijn ontwikkeld in samenwerking met marktpartijen. Ze zijn ontwikkeld om de geschiktheid van verven en verwante producten voor bepaalde toepassingen aan te geven. In een kwaliteitsomschrijving gaat het om de prestaties die van de producten en systemen verwacht mogen worden van duurzaamheid en verwerking. Ook worden er eisen gesteld aan fysische en chemische eigenschappen, zoals elasticiteit, hechting, dekking en hardheid en, indien van toepassing, chemicaliënbestandheid, waterdampdoorlatendheid, corrosiewering, etc. Er zijn circa 140 kwaliteitsomschrijvingen en honderden goedgekeurde producten.

Figuur 1-1 Belangrijke aspecten van verantwoord gevelonderhoud.