0

publicatie: Prestatie-eisen Gevelmetselwerk voor Resultaatgericht Samenwerken

1 Inleiding

1 Inleiding

1.1 Resultaatgericht Samenwerken bij Onderhoud, Renovatie en Nieuwbouw

Op basis van de pijlers ‘Resultaatgerichte bedrijfsvoering’ en ‘Performance Based Building’ en zes fundamentele waarden kan Resultaatgericht Samenwerken bij Onderhoud, Renovatie en Nieuwbouw als volgt worden gedefinieerd: Resultaatgericht Samenwerken bij Onderhoud, Renovatie en Nieuwbouw omvat het geheel van technische, organisatorische en daarmee samenhangende administratieve activiteiten om gebouwen met kwaliteit te ontwerpen, bouwen, onderhouden en renoveren. Kwaliteit is hierbij de mate waarin het geheel van eigenschappen en kenmerken van het gebouw en bouwdelen voldoet aan eisen en wensen van de gebruiker, en past binnen de doelstellingen en de strategie van de opdrachtgever en de overheid. Het gaat er dan om de gebruikswaarde, de belevingswaarde, de technische waarde en de economische waarde (op basis van Total Cost of Ownership) van het vastgoed op te leveren en aansluitend te waarborgen gedurende de economische levensduur. Denk bij economische waarde aan de functionaliteit, gezondheid, comfort, en flexibiliteit gedurende het gebruik. Bij de afspraken die hierover worden gemaakt is er sprake van een resultaatverplichting van de opdrachtnemer aan de opdrachtgever.

De visie op Resultaatgericht Samenwerken bij Onderhoud, Renovatie en Nieuwbouw is gebouwd op zes fundamentele waarden. In het kort zijn deze:

  1. Focus op de klant.
  2. Zorg voor kwaliteit.
  3. Verplicht tot resultaat.
  4. Bouw op vertrouwen.
  5. Balanceer mens, milieu en marge.
  6. Reken met de toekomst.

Samenwerking in de keten is hierbij noodzakelijk. Niet om alleen om faalkosten te reduceren, maar ook opdat alle partners een goede boterham kunnen verdienen, zolang daarbij niet wordt vergeten dat aan het begin van deze keten de gebruiker staat.

1.2 Prestatie-eisen voor onderhoud van gevelmetselwerk

Metselwerk is een van de meest gangbare gevelbekledingen, niet alleen in historische binnensteden maar ook in voor- en naoorlogse woonwijken; de laatste jaren wordt het ook weer meer en meer gebruikt voor de bekleding van grote kantoorpanden. Gevelmetselwerk, samengesteld uit steen (veelal baksteen maar soms ook kalkzandsteen of betonmetselblokken) en mortel (leg- of metselmortel en voegmortel), heeft een zestal functies:

  • constructieve functie: het moet de gevel staande houden;
  • regenkerende functie: het moet weer en wind buitenhouden;
  • isolerende/energetische functie: het draagt bij aan comfort;
  • akoestische functie: het beschermt tegen geluid van buiten;
  • beveiligende functie;
  • esthetische functie: metselwerk verleent de gevel representativiteit en uitstraling, als visitekaartje van het pand, en heeft daarmee invloed op de economische waarde.

De meest belangrijke eisen waaraan metselwerk moet voldoen, zijn vastgelegd in het Bouwbesluit en in verschillende normen. Verschillende aspecten, die voor een gebruiker, beheerder of eigenaar wel van groot belang zijn, liggen echter niet vast. Dit geldt bijvoorbeeld voor de laatste functie, de esthetische. Dit maakt het maken van afspraken tussen opdrachtgever en opdrachtnemer bij onderhoud lastig. Welke prestaties worden van het metselwerk gevraagd en van de opdrachtnemer verwacht? Dit heeft tot gevolg dat de prestaties bij esthetische aspecten vaak onderwerp van discussie zijn tijdens of na de oplevering. Perceptie en verwachting van opdrachtgever verschillen vaak aanzienlijk van wat de opdrachtnemer denkt te gaan realiseren. Men spreekt vaak slechts beperkt elkaars taal, waarbij de opdrachtgever zich het resultaat van een technische ingreep of handeling slechts beperkt kan voorstellen. In welke mate zijn kleurverschillen tussen nieuw en oud voegwerk of inboetwerk acceptabel? Is bij het aanbrengen van een antigraffitisysteem alleen het aanbrengen als zodanig voldoende, met andere woorden de mogelijkheid de graffiti weer te verwijderen, of behoort ook het niet zichtbaar zijn van het antigraffitisysteem zelf tot de verlangde prestatie? In hoeverre zijn sommige verwachtingen überhaupt haalbaar, zonder bijvoorbeeld verdergaande bouwkundige ingrepen?

Definities

Opdrachtgever
Degene die opdracht geeft tot uitvoering van het werk of te verrichten diensten.

Opdrachtnemer
Degene die werk uitvoert of diensten verricht.
Bij resultaatgericht vastgoedonderhoud is dit meestal één bedrijf, maar bij renovatie of nieuwbouw wordt doorgaans een consortium van bedrijven gevormd.

Kwaliteitsniveau
De mate waarin de functie(s) van een gebouw, een bouwdeel of een gevel-element worden vervuld.

Prestatie-eis
Niveau van functionele, economische, wettelijke en esthetische eigenschappen waaraan een materiaal, bouwdeel, constructie of gebouw moet voldoen.
Een norm die wordt uitgezet tegen de prestatie-indicator. Het betreft een minimale of maximale meetwaarde.

Prestatie-indicator
Eigenschap van een bouwdeel waarvoor of waarover een prestatie-eis is vastgesteld.
Het betreft een indicator waarmee een functionele (=kwalitatieve) eis meetbaar wordt gemaakt. Om dit te meten wordt aan de prestatie-indicator een norm gekoppeld, de prestatie-eis.

Hoe de gevel zich na onderhoud zal ontwikkelen, is vaak nog onduidelijker. In hoeverre zal het metselwerk na reiniging hervervuilen of bealgen? Bij welke mate van hervervuiling of bealging moet worden ingegrepen? Hoe lang moet het voegwerk meegaan? Het zijn allemaal vragen waarbij een eigenaar of beheerder van vastgoed verwachtingen heeft. Ze behelzen allemaal een bepaald eigen kwaliteitsniveau. Voor het behalen en/of behouden daarvan is vaak onderhoud nodig. Om eenduidige afspraken te maken, is het nodig het kwaliteitsniveau van metselwerk in kwantitatieve, meetbare grootheden uit te drukken, ook als het gaat om ogenschijnlijk subjectieve (veelal esthetische) facetten van metselwerk. De objectieve eisen, die aan een kwaliteitsniveau gesteld worden, zijn de zogenaamde prestatie-eisen. Zij zijn onafhankelijk van de product- of materiaalsoort en werkwijze en kunnen kwantitatief worden bepaald volgens een specifieke meetmethode. De prestatie-eisen maken een functie meetbaar. Tezamen representeren ze het door de opdrachtgever gewenste kwaliteitsniveau, inclusief diens verwachting daarvan. Resultaatgericht onderhoud betekent dat het gewenste kwaliteitsniveau wordt vertaald in functies en daarbij behorende prestatie-eisen, waarna de technische oplossingen om aan deze eisen te voldoen worden geselecteerd. Belangrijk is ook om vooraf af te spreken hoe met afwijkingen van prestatie-eisen wordt omgegaan. Afwijking in maatvoering is een aspect dat al snel praktische problemen oplevert; de tolerantie is duidelijk te bepalen. Maar hoe om te gaan met afwijkingen in kleurstelling? Hoeveel mag de kleur van nieuw voegwerk wijken van het oude en is het realistisch om te verwachten dat deze kleur überhaupt identiek zal zijn en blijven?

Achtergrondinformatie

Er zijn, naast het Bouwbesluit, verschillende normen met specificaties voor metselwerk of de bestanddelen daarvan. Een belangrijk deel daarvan is in 2010 en 2011 herzien. De NEN-EN 771 serie bevat specificaties voor metselstenen (o.a. deel 1 baksteen, deel 2 kalkzandsteen, deel 3 betonblokken en deel 6 natuursteen). De NEN-EN 772 serie beschrijft de relevante beproevingsmethoden voor metselstenen. De NEN-EN 998 serie bevat specificaties voor mortels voor metselwerk, de NEN-EN 1015 serie de relevante beproevingsmethoden. Constructieve ontwerpeisen zijn vervat in de NEN-EN 1996 serie (Eurocode 6), terwijl de NEN-EN 1052 serie beproevingsmethoden voor metselwerk omschrijft.

Over onderhoud van metselwerk heeft SBR verschillende publicaties ontwikkeld, waaronder Reiniging en Oppervlaktebehandelingen bij gevels: hydrofoberen, steenverstevigen, antigraffiti. Voor voegwerk is er de CUR-SBR-publicatie De kwaliteit van voegen in metselwerk.

Het concept van prestatie-eisen komt onder meer aan de orde in de KV FOSAG – WVB Inspectiebibliotheek- Handboek voor het inspecteren van nieuwbouw-, afbouw- en onderhoudswerk , de SBR-publicatie Prestatie-eisen Gesloten geveldelen en het door TNO uitgebrachte boek Resultaatgericht Samenwerken bij Onderhoud, Renovatie en Nieuwbouw.

Betreffende de definities van schade aan metselwerk is er in deze publicatie naar gestreefd zoveel mogelijk aansluiting te zoeken bij de definities zoals omschreven in DEFINITIE VAN SCHADE AAN METSELWERK in PRAKTIJKBOEK INSTANDHOUDING MONUMENTEN 28.

1.3 Kwaliteit van gevelmetselwerk

Metselwerk heeft zes hoofdfuncties: een constructieve functie, een regenkerende functie, een isolerende/energetische functie, een akoestische functie, een beveiligende functie en de esthetische functie. Dit maakt dat de kwaliteit van gevelmetselwerk door een aantal verschillende aspecten wordt bepaald. Dat kunnen zowel vormen van aantasting of degradatie zijn, als keuzes die voor of tijdens de uitvoering worden gemaakt.
Allereerst zijn er de aspecten die direct samenhangen met de constructieve functie, zoals scheurvorming, samenhang, vervorming; ze kunnen de constructieve integriteit van het metselwerk beïnvloeden. Indien ze dat niet doen, kunnen ze nog steeds de duurzaamheid van het metselwerk beïnvloeden, bijvoorbeeld doordat toetreding van water vergemakkelijkt wordt. Mocht dat acceptabel zijn voor het gewenste kwaliteitsniveau van het metselwerk in termen van duurzaamheid, dan kunnen ze, of de wijze waarop ze hersteld worden, nog steeds het esthetisch kwaliteitsniveau van het gevelmetselwerk beïnvloeden.

Duurzaamheid
Het vermogen van een materiaal, bouwdeel of gebouw om degradatie te weerstaan en langdurig mee te gaan en daarmee het vermogen van een object om de vereiste functie te kunnen uitoefenen, onder bepaalde voorwaarden van gebruik en onderhoud, totdat een bepaalde grens is bereikt.

Daarnaast zijn er aspecten van duurzaamheid, dat wil zeggen de degradatie van het materiaal zelf (in deze publicatie wordt met de term duurzaamheid bedoeld hetgeen beschreven in het kader hiernaast). Uiteindelijk kan aantasting er toe leiden dat het metselwerk zijn samenhang verliest en niet meer functioneert. Zo ver zal normaal gesproken niemand het willen laten komen. Daarom zijn duurzaamheidsaspecten van individuele materialen al veel eerder aan de orde. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om de vorstbestandheid van mortel of steen of het loskomen/uitvallen of verzanden van een voeg. In specifieke gevallen kan ook de bestandheid tegen zoutkristallisatie een rol spelen.

Het beschermen van metselwerk gebeurt door zogenaamde oppervlaktebehandelingen. Hieronder worden behandelingen verstaan zoals hydrofoberen (vaak 'impregneren' genoemd), aanbrengen van een antigraffitisysteem, verstevigen van voegen of steen of reinigen van het metselwerk. Deze raken zowel de technische duurzaamheid als de esthetische functie. Wat het eerste betreft, is vooral van belang of ze daadwerkelijk beschermen. Met andere woorden, in hoeverre zijn ze effectief? Om dat te bepalen, is het van belang prestatie-eisen te stellen. In hoeverre vermindert de wateropname van het metselwerk na aanbrengen van de hydrofobering? In hoeverre maakt het antigraffitisysteem het daadwerkelijk mogelijk graffiti te verwijderen? Dergelijke oppervlaktebehandelingen zijn niet zonder risico's. Ze kunnen ook zelf leiden tot schade. Daarom is het van belang om vooraf te bepalen of, en in welke mate, dergelijke schade mag optreden. De behandelingen beïnvloeden ook de esthetische functie van metselwerk. Zo kan een antigraffitisysteem het weliswaar mogelijk maken graffiti te verwijderen, maar kan het zelf ook de kleur en glans van een gevel veranderen. Bij reiniging kan het gebeuren dat niet alleen het vuil, maar bijvoorbeeld ook de bezanding of structuur van de steen verdwijnt of het voegwerk beschadigd wordt. Er kunnen prestatie-eisen verbonden worden aan de mate waarin dit al dan niet mag optreden.

Metselwerk kan in technische zin uitstekend voldoen, terwijl het er toch niet uitziet. Een bekend voorbeeld zijn de verschillende afzettingen die de esthetische eigenschappen van het metselwerk versluieren. De beleving van het metselwerk kan belemmerd worden door daarop aanwezige materialen, hetzij afkomstig uit het metselwerk zelf, hetzij van buiten. Te denken valt aan verschillende types van witte uitslag, vervuiling, bealging en graffiti. De esthetische functie van metselwerk wordt ook sterk beïnvloed door het al dan niet bij elkaar passen van het originele materiaal en de context daarvan en de bij onderhoud nieuw gebruikte materialen. In hoeverre komen nieuw en oud voegwerk, of ingeboete en oude stenen met elkaar overeen en in hoeverre passen mortelreparaties aan de steen of van scheuren in het metselwerk bij het bestaande werk? Aspecten hierbij zijn vorm / type / maat, (oppervlakte)structuur en kleur, inclusief de (te verwachten) veranderingen van die kleur met de tijd. Dit kan bijvoorbeeld het gevolg zijn van uitspoelen van pigmenten of de (beperkte) stabiliteit daarvan. Kleurverschillen zijn niet alleen een kwestie van materiaalkeuze (type steen, type bindmiddel en toeslag en gradering daarvan in mortel), maar ook van (dag)producties; kleine verschillen in omgevingscondities zoals temperatuur, relatieve luchtvochtigheid en beregening kunnen resulteren in kleurverschillen van de mortel.

1.4 Meten van prestatie-eisen

Prestatie-eisen voor gevelmetselwerk kunnen globaal verdeeld worden in de volgende categorieën:

  • constructieve aspecten;
  • levensduur, dat wil zeggen aspecten van de technische levensduur;
  • esthetisch, materiaaleigen, dat wil zeggen de esthetische verschillen tussen nieuw en origineel materiaal komen direct voort uit de materiaalkeuze;
  • esthetisch, afzettingen, dat wil zeggen de esthetische kwaliteit wordt beïnvloed door processen mede afhankelijk van externe invloedsfactoren en expositie;
  • behandelingen, esthetisch, dat wil zeggen de esthetische effecten van een oppervlaktebehandeling;
  • behandelingen, effectiviteit, dat wil zeggen de effectiviteit van een oppervlaktebehandeling.

De wijze van vaststellen of aan een prestatie-eis wordt voldaan, is binnen een categorie veelal vergelijkbaar van aanpak. Het gewenste kwaliteitsniveau van metselwerk kan verschillen. Zo zou bijvoorbeeld bij een voorgevel een ander kwaliteitsniveau gehanteerd kunnen worden dan bij een achtergevel. De prestatie-eisen voor de constructieve en duurzaamheidsfunctie zouden hetzelfde kunnen zijn, maar dat de achtergevel minder of geheel niet representatief is, zou wel acceptabel kunnen zijn. In dat geval worden er voor de esthetische functie verschillende prestatie-eisen gesteld voor beide gevels: hoger voor de voorgevel, lager voor de achtergevel. Dit betekent dat eisen alleen geformuleerd in termen van voldoet of voldoet niet in veel gevallen niet bruikbaar zijn. Daarom is het handig deze in te delen in verschillende klassen van afnemende kwaliteit. Dit geldt met name voor de verschillende aspecten van de esthetische functie. In een aantal gevallen, is een ‘voldoet’/’voldoet niet’ eis juist wel uitgangspunt. Bijvoorbeeld bij een hydrofobering: de eis zal in principe zijn dat de gevel daadwerkelijk hydrofoob is.

Uitgangspunt is in alle gevallen dat prestatie-eisen meetbaar dienen te zijn. In sommige gevallen zoals bij voeghardheid of wateropname, is dat relatief simpel. Er bestaat een specifieke meetmethode die uitsluitsel geeft, in de genoemde gevallen respectievelijk met een voeghardheidsmeter of Karstenbuisjes. In veel gevallen, zoals afzettingen, bestaat een dergelijke methode niet. Hierbij gaat het vooral om het al dan niet optreden en de mate waarin dit het geval is, de al besproken indeling in klassen met een bepaald percentage waarin een bepaald fenomeen optreedt. Een dergelijke indeling is niet nieuw. Zij is in verschillende publicaties voorgesteld, bijvoorbeeld in de KV FOSAG-WVB Inspectiebibliotheek, de SBR-publicatie Prestatie-eisen Gesloten geveldelen en de norm NEN 2767-1 Conditiebeschrijving.

Ook in deze publicatie is gekozen voor een indeling in zes klassen, waarbij klasse 0 de 'perfecte' is, - dat wil zeggen iets treedt niet op, is niet aanwezig, etc. - , en de kwaliteit met elke volgende klasse afneemt. De concrete omschrijvingen van die kwaliteit verschillen per prestatie-eis en worden in de betreffende hoofdstukken behandeld.

Bij vervanging van (delen van) metselwerk zoals voegwerk, het inboeten van stenen of het aanbrengen van steenreparatiemortels is het te bereiken kwaliteitsniveau van het metselwerk per definitie mede afhankelijk van de eigenschappen van de te gebruiken materialen. Hierbij is het echter zo dat het vaak vervangingen van geringe omvang betreft, met andere woorden minder dan bijvoorbeeld 1 of 5 % van het oppervlak, terwijl ze toch de esthetische functie van de gevel nadelig beïnvloeden. Analoog aan de bovenstaande indeling in klassen is hiervoor een indeling in kwaliteitsniveaus opgesteld, maar dan op basis van de mate waarin de verschillen opvallen.

Genoemde indelingen in klassen sluit verschillen in beoordeling helaas niet volledig uit. Een methode om discussies te voorkomen, is het vooraf maken van kleine proefvlakken. Deze kunnen vervolgens dienen als referentie bij de beoordeling van de prestatie-eisen bij oplevering.

1.5 Leeswijzer

Na deze inleiding wordt in hoofdstuk 2 vervolgens toegelicht hoe de prestatie-eisen in de praktijk kunnen worden toegepast. Daarna worden vanaf hoofdstuk 3 de verschillende prestatie-eisen per categorie besproken, te beginnen met eisen betreffende dilataties, scheuren en samenhang, gevolgd door prestatie-eisen m.b.t. duurzaamheid, esthetische aspecten voortkomend uit de materialen zelf, esthetische eisen m.b.t. verschillende mogelijke afzettingen op het metselwerk (zoals vervuiling, witte uitslag en bealging) en eisen m.b.t. eventueel uit te voeren oppervlaktebehandelingen (zoals reinigen, hydrofoberen en antigraffiti).

Per prestatie-eis wordt telkens eerst een beknopt overzicht gegeven naar welk aspect gekeken wordt, tot welke categorie de prestatie-eis behoort, waarvoor deze relevant is, hoe hij beoordeeld wordt en wat de bijbehorende meetmethode is. Vervolgens wordt enige algemene achtergrondinformatie gegeven; daarna wordt de meetmethode uiteengezet en worden de verschillende klassen voor de specifieke prestatie-eis gedefinieerd. In een aantal gevallen worden vervolgens nog enkele kanttekeningen geplaatst of aandachtspunten bij onderhoud onder de aandacht gebracht.

De publicatie besluit met een overzicht van relevante normen en bronnen met achtergrondinformatie over behandelingen, meetmethodes en resultaatgericht bouwen.